18 JANUARI 2024 – Besluit tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor de groeperingen en fusies van voorzieningen
TITEL II. - ALGEMENE NORMEN
HOOFDSTUK II. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen, met uitzondering van de woningen voor ouderen en de serviceresidenties in mede-eigendom
Art. 38.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder "voorziening" worden verstaan elke voorziening in de zin van artikel 1, 8°, met uitzondering van de woningen voor ouderen en de serviceresidenties in mede-eigendom.
Afdeling 1. - Veiligheids- en architectonische normen
Onderafdeling 1. - Veiligheidsnormen
Art. 39.
Onverminderd de in de Titels III, VI en VIII bedoelde specifieke veiligheidsnormen, is de voorziening verzekerd tegen brand.
Het in het eerste lid bedoelde verzekeringscontract bevat een clausule van afstand van verhaal ten voordele van de oudere.
Art. 40.
De voorziening beschikt over een geldig brandveiligheidsattest waaruit blijkt dat de voorziening voldoet of onder voorbehoud voldoet aan de voor haar geldende brandveiligheidsnormen.
Onderafdeling 2. - Architectonische normen
Art. 41.
Elke voorziening wordt gevestigd in een veilige omgeving die aangepast is aan de behouden capaciteiten van de ouderen en die toelaat om hun levenskwaliteit, hun psychisch, fysiek en sociaal welzijn, hun zelfredzaamheid en hun onafhankelijkheid te waarborgen.
De voorziening is aangepast aan visueel-ruimtelijke stoornissen om het vrije verkeer van de ouderen te waarborgen.
De voorziening en het meubilair zijn zodanig ingericht dat de ouderen zich niet opgesloten voelen.
Art. 42.
Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de ouderen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven.
Art. 43.
Ongeacht de weersomstandigheden, zowel 's nachts als overdag, moet in de verwarming, ventilatie en verlichting van alle lokalen worden voorzien. Alle voor de ouderen bereikbare plaatsen moeten voldoende verlicht zijn; de verlichting is aan de in de lokalen uitgeoefende activiteiten aangepast.
Art. 44.
In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 22 ° C in de kamers, leefruimten en badkamers of douches.
In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 18 ° C in de lokalen die niet vervat zitten in het eerste lid.
Alle passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de temperatuur in alle voor de bewoners toegankelijke lokalen maximaal 26 ° C is of, in geval van een hittegolf, dat de binnentemperatuur lager is dan de buitentemperatuur.
Art. 45.
De oppervlakte van de ruiten in de leefruimte en de kamers moet ten minste 1/6 van de netto-vloeroppervlakte bedragen.
De hoogte van de vensterbanken moet voor iemand die neerzit en voor zich uitkijkt, een zicht op de buitenwereld mogelijk maken, evenwel zonder gevaar voor ongevallen.
Art. 46.
§ 1. De gemeenschappelijke en individuele toiletten moeten over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met ten minste één muurleuning die toegankelijk en aangepast is aan de oudere, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare toiletpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak.
In afwijking van het eerste lid moeten toiletten voor personen met een beperkte mobiliteit uitgerust zijn met twee toegankelijke steunstangen.
§ 2. De deuren van de gemeenschappelijke en individuele toiletten gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend.
Art. 47.
Het bad of de douche is aangepast aan de opgevangen ouderen. Deze installaties moeten met een antislipbodem en steunstangen worden uitgerust.
Voor gemeenschappelijk en individueel sanitair moeten alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen worden getroffen zodat de watertoevoer geen ongevallen kan veroorzaken. De temperatuur van de mengkranen wordt door een thermostaat zó geregeld dat de ouderen zich niet kunnen verbranden.
De straal van de douche is richtbaar.
Art. 48.
De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat moet worden aangetoond door een berekeningsnota conform voormelde norm of door simulatie.
Bij gebrek aan voormelde nota is per aangesneden schijf van 40 ouderen minstens één lift vereist.
Ten minste één lift moet minstens 2,1 m bij 1,1 m zijn om een draagberrie te kunnen vervoeren. Die lift moet alle verdiepingen bedienen die lokalen hebben die voor de ouderen toegankelijk zijn.
Afdeling 2. - Overeenkomst tussen de voorziening en de oudere
Art. 49.
§ 1. Vóór de opname of opvang wordt tussen de voorziening en de oudere een overeenkomst afgesloten die verplicht het volgende bepaalt:
1° de algemene en bijzondere voorwaarden voor de huisvesting of opvang in de voorziening, in voorkomend geval met inbegrip van de duur en de voorwaarden van het door de voorziening toegepaste promotieaanbod;
2° overeenkomstig bijlage I van dit besluit, de elementen die gedekt zijn door de dagprijs en de kosten die duidelijk en beperkend kunnen worden gefactureerd, ofwel als toeslagen, ofwel als voorschotten aan derden, bovenop de dagprijs. De eenheidsprijs van de kosten die aan toeslagen onderworpen kunnen zijn, wordt duidelijk vermeld;
3° de betalingswijzen:
a) in geval van betaling via de bank, het bankrekeningnummer van de voorziening;
b) in geval van contante betaling moet een ontvangstbewijs worden afgeleverd;
4° als er een voorschot vereist is, zal het bedrag ervan afgetrokken worden van de factuur die betrekking heeft op de eerste maand van opvang of huisvesting;
5° de duur en de voorwaarden inzake de ontbinding van de overeenkomst;
6° de wijze van toepassing van het koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers. De door de apotheker eventueel toegekende korting moet op een geïndividualiseerde wijze en gedeeltelijk onder een collectieve vorm aan de oudere worden teruggegeven. Uit de boekhouding moet duidelijk blijken welk gebruik er werd gemaakt van de onder collectieve vorm toegekende korting.
§ 2. Bij een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de oudere afgesloten.
§ 3. Als de oudere niet in staat is een schriftelijke overeenkomst te sluiten, moet de voorziening zijn vertegenwoordiger raadplegen of de wettelijke bepalingen bedoeld in Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek naleven.
Art. 50.
§ 1. Ieder ontwerp van modelovereenkomst of iedere wijziging ervan wordt voorafgaandelijk aan de goedkeuring van de ministers voorgelegd.
Zij beschikken over negentig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het document om te beslissen.
Als er binnen deze termijn geen goedkeuring volgt, wordt de modelovereenkomst of de wijziging ervan geacht te zijn goedgekeurd.
Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van de overeenkomst en van elke wijziging ervan, wordt bij het vertrouwelijke dossier gevoegd.
Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn.
§ 2. De ministers en de dienst Controle en Begeleiding kunnen op elk moment verzoeken om overlegging van elke met een oudere gesloten overeenkomst.
TITEL VI. - Bijzondere normen die van toepassing zijn op rusthuizen
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. 129.
§ 1. Onverminderd de algemene normen in Titel II, moeten rusthuizen, ongeacht het soort plaatsen die ze aanbieden, voldoen aan de bepalingen van de hoofdstukken II tot en met VII van deze titel.
§ 2. Voor de toepassing van de hoofdstukken I tot en met VII van deze titel moet onder "voorziening" worden verstaan een rusthuis in de zin van artikel 2, 4°, c), van de ordonnantie.
Art. 130.
Een beheerder mag niet meer dan 200 plaatsen per voorziening uitbaten.
Het in het vorige lid bedoelde aantal plaatsen heeft betrekking op plaatsen in rusthuizen, plaatsen voor kortverblijf en plaatsen in rust- en verzorgingstehuizen.
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijke dossier
Afdeling 1. - Overeenkomst
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 131.
§ 1. Onverminderd artikel 49 wordt vóór de opname tussen de voorziening en de bewoner een overeenkomst afgesloten die verplicht vermeldt:
1° de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoetkoming van de bewoner in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen;
2° het feit dat de verplichting tot betaling van de dagprijs van toepassing blijft zolang de kamer niet is vrijgegeven, na het verstrijken van de in artikel 134 bepaalde opzegtermijn;
3° het bedrag van de eventueel gestorte waarborg, die niet hoger mag zijn dan de maandelijkse huurprijs:
a) wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een individuele rekening geplaatst, geopend op naam van de bewoner bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming: "waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bewoner".
b) de interesten van de aldus geplaatste som worden gekapitaliseerd. Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bewoner of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen;
c) in ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het sluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing wordt overgelegd;
d) er mag geen waarborg geëist worden in geval van huisvesting in kortverblijf;
4° het nummer van de kamer waar de bewoner verblijft, met vermelding van het maximale aantal bewoners dat in die kamer is toegestaan.
§ 2. In geval van een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de bewoner gesloten.
Art. 132.
De plaatsbeschrijving van de kamer die de bewoner betrekt, wordt door hem en de directeur of, in voorkomend geval, de beheerder, ondertekend en bij de overeenkomst gevoegd.
Als er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgesteld, wordt de bewoner geacht de kamer in dezelfde staat te hebben ontvangen als die waarin ze zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder.
Onderafdeling 2. - Duur en ontbinding van de overeenkomst
Art. 133.
De overeenkomst wordt voor onbepaalde of bepaalde duur gesloten; de eerste maand dient als proefperiode.
In afwijking van het eerste lid wordt de overeenkomst voor bepaalde duur gesloten in geval van huisvesting in kortverblijf.
Art. 134.
§ 1. Vóór de opname mag de bewoner de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de directeur hiervan verwittigt, bij aangetekende brief of per e-mail tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van de overeenkomst.
§ 2. Gedurende de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden op voorwaarde dat een opzegtermijn van zeven dagen wordt nageleefd.
§ 3. Na de proefperiode kan de overeenkomst op elk moment ontbonden worden met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden in geval van ontbinding door de beheerder en één maand in geval van ontbinding door de bewoner.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de opzegtermijn zes maanden in geval van ontbinding door de beheerder in het kader van een vrijwillige sluiting van de voorziening.
In geval van ontbinding om medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzegtermijn voor de bewoner niet langer zijn dan veertien dagen.
In geval van overlijden van de bewoner begint een opzegtermijn van vijftien dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden.
In de gevallen in het tweede en derde lid kunnen de partijen evenwel overeenkomen de opzegtermijn in te korten en de verplichting om de dagprijs te betalen te beperken tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen.
§ 4. Als de behandelend arts vindt dat de fysieke en geestelijke toestand van de bewoner zodanig is dat er onherroepelijk bijzondere zorg vereist is in een andere, meer passende voorziening, dan verbindt de voorziening zich ertoe:
1° de opzegtermijn te verlengen op basis van de tijd die nodig is om die nieuwe voorziening te vinden, voor zover de voortzetting van de huisvesting van de betrokken bewoner, op grond van een door die arts opgemaakt attest, geen ernstig gevaar inhoudt voor hemzelf of voor derden;
2° de opzegtermijn te verkorten als de bewoner in deze nieuwe voorziening kan worden opgenomen op een vroegere datum dan de vervaldatum van de opzegtermijn, die krachtens paragraaf 3 van toepassing is.
§ 5. In geval van huisvesting in kortverblijf kan de overeenkomst worden ontbonden met inachtneming van een opzegtermijn van zeven dagen, ongeacht welke partij kennisgeeft van deze opzegging.
§ 6. De ontbinding gebeurt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzegtermijn.
De door de beheerder gegeven opzegtermijn is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd.
§ 7. Als de bewoner de voorziening verlaat tijdens de opzegperiode gegeven door de beheerder, is hij niet verplicht deze opzeg tot op het einde te presteren.
§ 8. De bewoner die de overeenkomst ontbindt zonder inachtneming van de opzegtermijn, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de huurprijs die de duur van de vastgestelde opzegperiode dekt, met uitsluiting van eventuele toeslagen.
Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement
Art. 135.
Naast de in artikel 14 bedoelde vermeldingen bevat het huishoudelijk reglement verplicht de volgende vermeldingen:
1° de nauwkeurige omschrijving, in de bijzondere opnamevoorwaarden, van onder meer de personen die minder dan zestig jaar oud zijn en de afhankelijkheidsgraden die worden gehanteerd voor de opname van ouderen in de voorziening;
2° de volledige bewegingsvrijheid in de voorziening en de volledige vrijheid om de voorziening te verlaten, tenzij een attest van de behandelend arts, dat bij het medisch dossier wordt gevoegd, het tegenovergestelde voorschrijft;
3° de door de voorziening ingevoerde schriftelijke procedures betreffende de in artikel 158 bedoelde maatregelen inzake afzondering, toezicht en immobilisatie;
4° het recht om elke dag bezoek te ontvangen, minstens tussen 11 en 20 uur, met inbegrip van zon- en feestdagen, met respect voor de anderen;
5° het recht om slechts de bezoekers van zijn keuze te ontvangen; elke bezoeker moet zich bekendmaken alvorens de kamer te betreden;
6° elk personeelslid van de voorziening moet ervoor zorgen dat het privéleven van de bewoner wordt geëerbiedigd, met name door zich bekend te maken alvorens de kamer te betreden;
7° het feit dat de naam van de bewoner aan de buitenkant van de kamer wordt aangebracht, tenzij laatstgenoemde zich daartegen verzet;
8° het verbod om een bewoner van kamer te veranderen zonder zijn schriftelijke toestemming, tenzij de behandelend arts dat voorschrijft;
9° de vrije keuze van de behandelend arts, de kinesitherapeut en het paramedisch personeel voor de bijkomende zorg naast die welke door de voorziening wordt aangeboden, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tariefzekerheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorg onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde OCMW;
10° de vrije toegang op elk moment tot een bewoner aan zijn levenseinde, die palliatieve zorg krijgt of die wegkwijnt, voor zijn naasten en de bedienaars van de erediensten of de lekenconsulenten die door deze bewoner worden gevraagd, of in voorkomend geval door zijn vertegenwoordiger;
11° de toelatingsvoorwaarden voor een gezelschapsdier.
Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier
Art. 136.
136. Een vertrouwelijk dossier wordt voor elke bewoner opgemaakt bij zijn opname. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, hun behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig, artikel 458 van het Strafwetboek.
Dit vertrouwelijke dossier bevat:
1° een afschrift van de individuele fiche of een document dat de daarin vervatte informatie bevat;
2° in voorkomend geval, het schriftelijke attest waarmee de vertegenwoordiger wordt aangesteld of een afschrift van de overeenkomstig Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek genomen rechterlijke beslissing;
3° in voorkomend geval, het formulier waarmee de vertrouwenspersoon wordt aangewezen, in de zin van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, ondertekend door de bewoner;
4° een exemplaar van de overeenkomst, ondertekend door de beheerder of de directeur en de bewoner;
5° de vermelding betreffende de voorwaarden inzake de zorg aan het levenseinde die overeenkomstig de wensen van de bewoner moeten worden nageleefd;
6° de plaatsbeschrijving en de inventaris van de goederen bij de opname, ondertekend door de beheerder of de directeur en de bewoner of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger. De inventaris van de goederen kan op vraag van de bewoner of de directeur worden bijgewerkt;
7° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, ondertekend door de beheerder of de directeur en de bewoner;
8° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de dagprijs verschuldigd is en de inlichtingen betreffende de betaling.
Onverminderd het door de dienst Controle en Begeleiding uitgeoefende toezicht mag het vertrouwelijke dossier, dat door de bewoner werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk moment door de bewoner worden geraadpleegd.
Het vertrouwelijke dossier van elke bewoner wordt door de voorziening gedurende minstens drie jaar na zijn overlijden of, in voorkomend geval, zijn vertrek bewaard.
De vertrouwelijke dossiers worden gecentraliseerd bij de voorziening om de vertrouwelijkheid ervan te waarborgen.
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne, de zorg en de activiteiten
Afdeling 1. - Voeding
Art. 137.
De voorziening bezorgt de bewoner ten minste drie maaltijden per dag, waarvan minstens één warme maaltijd per dag, 's middags of 's avonds, behoudens andersluidend medisch voorschrift.
Art. 138.
§ 1. De voorziening beschikt over het document van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen waaruit blijkt dat de eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne.
§ 2. Het voedsel moet gezond, gevarieerd en kwaliteitsvol zijn, en aangepast aan de voedingsbehoeften van de bewoners; de textuur moet aangepast zijn aan de gezondheidstoestand van de bewoner. Het wordt bereid op een wijze die het zelfstandig eten door de bewoner bevordert.
De voorziening is verplicht gevarieerde en evenwichtige maaltijden te verstrekken die bijdragen tot het eetplezier van de bewoner.
De voorziening ziet erop toe dat verse groenten en vers fruit gebruikt worden, of groenten en fruit met een vergelijkbare voedingswaarde.
Bij de samenstelling van de maaltijden houdt de voorziening zo veel mogelijk rekening met de suggesties en de voorkeuren van de bewoners. Daarom worden de samenstelling en de frequentie van de maaltijden op elke participatieraad besproken.
Art. 139.
§ 1. De voorziening beschikt over een schriftelijk voedingsbeleid dat de voedingsbehoeften verzoent met eetplezier, en dat met name gedocumenteerde procedures of protocollen bevat die toegepast worden voor:
1° de analyse en de opvolging, minstens één keer per maand, van de grafieken met ten minste het gewicht, de lengte en de body mass index van elke bewoner;
2° de vroegtijdige opsporing van ondervoeding en uitdroging en de opvolging van ondervoede en uitgedroogde bewoners;
3° het nemen van orale voedingssupplementen in geval van onvoldoende energie- of eiwitinname, met name door de menu's op natuurlijke wijze te verrijken. Die supplementen worden enkel verstrekt nadat alle conventionele voedingsmethoden zijn toegepast en op medisch advies.
Bij de voedingsopvolging van de bewoners moet rekening worden gehouden met hun smaak- en voedselvoorkeuren.
Het in het eerste lid bedoelde beleid wordt opgesteld door de professionals die betrokken zijn bij de voeding van de bewoners, waaronder ten minste de directeur, de verpleegkundig coördinator of de hoofdverpleegkundige en de chef-kok of de persoon die verantwoordelijk is voor de bestelling van de maaltijden en, in voorkomend geval, de logopedist of de diëtist van de voorziening. De referentiearts of, in voorkomend geval, de coördinerend en raadgevend arts wordt verzocht advies te geven.
De voorziening duidt een of meer op het gebied van voeding bekwame personeelsleden als coördinator(en) inzake voeding en eetplezier aan. Dit personeelslid/deze personeelsleden is/zijn verantwoordelijk voor de opstelling en opvolging van een voedingsbeleid dat de voedingsbehoeften verzoent met het eetplezier.
Het voedingsbeleid wordt ten minste eenmaal per jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast.
§ 2. Elke voorziening beschikt over het benodigde materiaal om het gewicht en de lengte te meten, ongeacht de afhankelijkheidstoestand van de bewoner.
§ 3. Diëten op medisch voorschrift worden nageleefd zonder bijkomende kosten.
In afwijking van het vorige lid worden de voedingsmiddelen, in geval van enterale voeding op medisch voorschrift, gefactureerd ten belope van het verschil met de prijs van de normale voeding.
Art. 140.
Voor de bereiding van de maaltijden voert de voorziening een beleid van redelijke aanpassingen in, dat rekening houdt met de individuele filosofische en religieuze overtuigingen van de bewoners.
Art. 141.
Het menu wordt aan de bewoners medegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een goed zichtbare en toegankelijke plaats aangebracht.
Het wordt gedurende ten minste twee maanden bewaard voor raadpleging door de dienst Controle en Begeleiding.
Art. 142.
Behoudens andersluidende voorkeur van de bewoner of medisch voorschrift, toegevoegd aan het individuele gezondheidsdossier:
1° mag het ontbijt niet voor 7.30 uur worden opgediend, het middagmaal niet voor 11.30 uur en het avondmaal niet voor 17.30 uur;
2° bedraagt de minimale duur van de maaltijd 30 minuten 's morgens, 1 uur 's middags en 45 minuten 's avonds.
Art. 143.
Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen minstens twee menu's zijn. Het alternatief voor het hoofdmenu moet minstens elke week veranderen.
Art. 144.
De organisatie is aangepast om de onafhankelijkheid van de bewoners bij het nuttigen van de maaltijden te waarborgen.
De voorziening faciliteert en begeleidt het nuttigen van de maaltijden door de benodigde menselijke en materiële hulp te bieden aan bewoners die moeilijkheden ondervinden om alleen te eten of te drinken.
Art. 145.
De maaltijden worden genuttigd in de kamer, in een aangepaste gemeenschappelijke ruimte van de leefeenheid, in het restaurant of in om het even welke andere ruimte die geschikt is voor het nuttigen van maaltijden. Voor de gezelligheid worden de bewoners uitgenodigd om hun maaltijden in het restaurant te nuttigen. De bewoners eten er in een rustige omgeving met servies, bestek en, zo nodig, aangepast toebehoren. Hun tempo wordt gerespecteerd.
De bewoner moet in zijn kamer kunnen eten als hij daarom vraagt.
Art. 146.
§ 1. De voorziening moet op vraag van de bewoner een tussendoortje kunnen aanbieden, zonder bijkomende kosten. Die mogelijkheid moet vermeld staan op het aangebrachte menu.
De nachtelijke periode zonder voeding voor de bewoners mag niet langer dan 12 uur duren. Daarom moet de avondsnack aangepast zijn aan de behoeften van de bewoners en gevarieerd zijn.
§ 2. De avondsnack moet na 20.00 uur beschikbaar zijn. De bewoner wordt daarvan op de hoogte gebracht.
Afdeling 2. - Hygiëne
Art. 147.
De keukens en waslokalen moeten zo zijn ingericht en ingeplant dat hun geuren, dampen en geluiden de bewoners niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een ventilatiesysteem.
Art. 148.
De voorziening moet aan Iriscare het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire heffing aan het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.
Art. 149.
Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, de lokalen waar het voedsel wordt bewaard, noch tot de verzorgingslokalen of de lokalen waar de verdeling van geneesmiddelen wordt voorbereid.
Art. 150.
Het beddengoed moet steeds schoon en in goede staat worden gehouden. Het moet in ieder geval om de acht dagen ververst worden, en vaker telkens als dat nodig is.
Art. 151.
Alle passende hygiënische voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen met betrekking tot de vuile was, die weg moet blijven uit de voor bewoners toegankelijke lokalen en de keukens, de eetzaal, de lokalen waar het voedsel wordt bewaard, de verzorgingslokalen of de lokalen waar de verdeling van de geneesmiddelen wordt voorbereid.
Art. 152.
Toiletstoelen mogen slechts gebruikt worden als dat strikt noodzakelijk is voor de bewoner. Ze mogen niet worden gebruikt om gewone stoelen te vervangen.
In ieder geval moeten ze steeds schoon en hygiënisch worden gehouden.
Anatomische inleggers mogen slechts worden gebruikt bij incontinente personen en mogen het gebruik van aangepast materiaal of de hulpverlening bij het gebruik van het toilet door continente personen met verminderde onafhankelijkheid niet vervangen.
Art. 153.
Voor de bewoners en het personeel moet voorzien worden in gescheiden toiletten, die schoon en voldoende in aantal zijn, en zijn uitgerust voor de handhygiëne.
Art. 154.
De badkuipen of douches moeten dagelijks gebruikt kunnen worden door elke bewoner die dat wenst.
In ieder geval moet de directeur van de voorziening erover waken dat geen enkele bewoner de andere bewoners hindert door een gebrek aan hygiëne.
Tenzij er een medische contra-indicatie is, wordt aan elke bewoner ten minste één bad of douche per week voorgesteld.
Art. 155.
Alle gemeenschappelijke lokalen moeten steeds schoon worden gehouden en in overeenstemming zijn met hun bestemming.
Art. 156.
De voorziening moet het materiaal en de producten ter beschikking stellen die nodig zijn om zorggerelateerde infecties te voorkomen.
Afdeling 3. - Hulpverlening en zorg
Art. 157.
§ 1. Wanneer de bewoner wordt opgenomen in de voorziening wordt een multidisciplinaire evaluatie van de persoon uitgevoerd. Die evaluatie vormt de basis voor de opstelling van het individuele gezondheidsdossier, zoals beschreven in artikel 159.
§ 2. Elke bewoner ontvangt de best mogelijke begeleiding en de best mogelijke zorg op basis van zijn behoeften. De zorg wordt verleend met respect voor de menselijke waardigheid, de culturele identiteit, de seksuele geaardheid, de genderidentiteit en de afhankelijkheidsgraad van de bewoner.
§ 3. De nodige hulp wordt geboden aan de bewoners die niet in staat zijn de activiteiten van het dagelijkse leven alleen te verrichten. De geboden hulp moet de zelfredzaamheid, de onafhankelijkheid en de sociale en gemeenschapsparticipatie van elke bewoner bevorderen en ondersteunen op basis van zijn behouden capaciteiten.
§ 4. Het persoonlijk ritme van de bewoner heeft de overhand op de organisatie en het dienstrooster van de tussenkomsten van het personeel.
§ 5. Tussen 22 en 7 uur ziet de voorziening erop toe enkel tussenkomsten bij de bewoners uit te voeren in geval van nood, bij een oproep van een bewoner, bij hygiënische noodzaak of als de tussenkomst door de arts is voorgeschreven.
§ 6. De voorziening moet ervoor zorgen dat het dagelijks toilet wordt uitgevoerd bij bewoners die wegens hun gezondheidstoestand hulp nodig hebben, met behoud van hun zelfstandigheid. Die hulp moet individueel worden geboden met respect voor de privacy van de bewoner.
Het dagelijks toilet mag niet voor 7 uur worden uitgevoerd, behoudens andersluidende voorkeur van de bewoner, toegevoegd aan het individuele gezondheidsdossier, en enkel als de bewoner wakker is.
De hulp en zorg die aan bewoners met cognitieve stoornissen of dementie worden verleend, worden hun vóór elke tussenkomst toegelicht door het personeel. Als er moeilijkheden zijn bij het begrijpen, wordt er tijd uitgetrokken voor uitleg met de vertrouwenspersoon.
Art. 158.
Onverminderd artikel 5 mogen maatregelen inzake immobilisatie, toezicht of afzondering slechts worden genomen op medisch voorschrift, na overleg met een multidisciplinair team en na dialoog met de bewoner.
In afwijking van het eerste lid kunnen die maatregelen bij gedrag dat een dreigend gevaar voor de bewoner of voor anderen veroorzaakt, worden genomen door een lid van het verpleegkundig personeel, voor zover de behandelend arts binnen 24 uur wordt ingelicht en overleg met een multidisciplinair team wordt gepland binnen 24 uur. Het dringende karakter van de maatregel moet gerechtvaardigd en schriftelijk vastgelegd worden in het individuele gezondheidsdossier. Het personeel dat de beslissing heeft genomen, is verantwoordelijk voor de uitvoering ervan.
Elke overschrijding van de in het vorige lid bedoelde termijn moet gerechtvaardigd en vastgelegd worden in het individuele gezondheidsdossier.
Alle informatie over het besluitvormingsproces dat tot de toepassing van deze maatregelen heeft geleid, de opvolging van deze maatregelen en het resultaat van de dialoog met de bewoner wordt in het individuele gezondheidsdossier opgenomen.
Art. 159.
§ 1. Voor elke bewoner wordt uiterlijk op de dag van zijn opname een, bij voorkeur gedigitaliseerd, individueel gezondheidsdossier samengesteld, in samenwerking met de bewoner.
In geval van een dringende opname moet het individuele gezondheidsdossier binnen vijftien dagen volgend op de opname van de bewoner volledig zijn.
§ 2. Het individuele gezondheidsdossier bevat de maatschappelijke, medische, paramedische en psychosociale informatie die nodig is voor een kwaliteitsvolle begeleiding van de bewoner en voor de zorgcontinuïteit.
Het individuele gezondheidsdossier moet worden bijgewerkt overeenkomstig de evolutie van de wensen en van de situatie van de bewoner.
§ 3. Het individuele gezondheidsdossier bevat:
1° een administratief gedeelte, dat een afschrift van de individuele fiche bevat of dat de daarin opgenomen gegevens bevat;
2° een medisch gedeelte, dat het volgende bevat:
a) een luik voorbehouden voor de behandelend arts met de bezoekdatum van de behandelend arts, de klinische evaluatie en de diagnose, zijn opmerkingen en richtlijnen, met inbegrip van de geneesmiddelenbehandeling;
b) de medische anamnese en de antecedenten;
c) de bij de opname uitgevoerde multidisciplinaire evaluatie;
d) eventuele allergieën, intoleranties en speciale diëten;
e) in voorkomend geval, de verslagen van arts-specialisten en andere zorgverleners en laboratoriumonderzoeken;
f) de bijgewerkte en met de bewoner overeengekomen gezondheidsdoelstellingen en wilsverklaring, met inbegrip van de wensen in verband met het levenseinde;
g) de eventuele maatregelen inzake immobilisatie, toezicht of afzondering, alle informatie over het besluitvormingsproces dat tot de toepassing van die maatregelen heeft geleid en de evaluatie van die maatregelen;
h) de behandelingsfiche, die bij elke verandering van de behandeling wordt bijgewerkt;
i) voor de bewoners met cognitieve stoornissen of dementie: de doelstellingen en wensen in termen van begeleiding door middel van revalidatietechnieken;
3° een gedeelte dat betrekking heeft op de begeleiding van de bewoner en de toediening van de zorg, dat het volgende bevat:
a) de persoonlijke kenmerken, de gewoonten en de levensloop van de bewoner;
b) de wensen en verwachtingen van de bewoner in verband met het leven in de voorziening;
c) de wensen en verwachtingen van de bewoner in verband met de vrijetijdsbesteding en sociale activiteiten;
d) de wensen, gewoonten en smaak van de bewoner met betrekking tot voeding;
e) de lijst van interne of externe dienstverleners die de bewoner begeleiden;
f) de behouden capaciteiten van de bewoner;
g) het verpleegkundig, paramedisch, kinesitherapeutisch en psychosociaal dossier, dat met name het volgende bevat:
- de verpleegkundige anamnese;
- het zorg- en begeleidingsplan, met inbegrip van: de voorgeschreven geneesmiddelen, de geplande toediening ervan en de bevestiging van die toediening; de vereiste zorg en de uitvoering ervan; de bijstand voor de handelingen van het dagelijkse leven; het toezicht op de eventuele immobilisatie- of afzonderingsmaatregelen.
Alle zorg, handelingen of vaststellingen worden gedateerd en geviseerd door het personeel dat bij de bewoner tussenkomt. Dat plan moet worden opgesteld met inachtneming van de behoeften en de voorkeuren van de bewoner. Het moet worden geëvalueerd en aangepast aan de evolutie van de toestand van de bewoner en ten minste eenmaal per maand worden herzien;
- de informatie over de bewoners die van het ene team moet worden doorgegeven aan het andere team. Die informatie omvat ten minste de opmerkingen, de acties, het toezicht, het resultaat en de ingevoerde opvolging. Die informatie wordt geviseerd door het team dat er kennis van neemt;
4° een verbindingsfiche, bij voorkeur gestandaardiseerd, en die tot doel heeft de begeleiding van de bewoner te vergemakkelijken en te verbeteren bij een noodgeval of een ziekenhuisopname. Die fiche moet het volgende bevatten:
a) een afschrift van de individuele fiche of de daarin opgenomen gegevens;
b) de bijgewerkte en met de bewoner overeengekomen gezondheidsdoelstellingen en wilsverklaring, met inbegrip van de wensen in verband met het levenseinde;
c) alle medische gegevens die noodzakelijk zijn bij een noodgeval of een ziekenhuisopname.
Bij een noodgeval of een ziekenhuisopname moet een afschrift van die bijgewerkte verbindingsfiche verplicht worden doorgegeven aan de professional die voor de bewoner zorgt.
§ 4. Het individuele gezondheidsdossier is onderworpen aan het beroepsgeheim en aan de bepalingen van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Het wordt bijgewerkt en bewaard op een veilige plaats in de voorziening.
De bewoner mag het hem betreffende dossier inkijken overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
Als het individuele gezondheidsdossier gedigitaliseerd is, worden die gegevens zo beveiligd dat ze in overeenstemming zijn met de in het eerste lid bedoelde wettelijke bepalingen, terwijl ze toegankelijk blijven voor de bewoner overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
De voorziening moet de individuele gezondheidsdossiers bewaren gedurende minimaal drie jaar na het vertrek of het overlijden van de bewoner. Na afloop deze termijn wordt het medisch gedeelte van het individuele gezondheidsdossier, zoals bedoeld in § 3, 2°, door de behandelende arts van de bewoner bewaard gedurende de toepasselijke wettelijke termijn.
In geval van vertrek van de bewoner naar een andere voorziening worden het medische gedeelte van het individuele gezondheidsdossier, bedoeld in § 3, 2°, en de voor de zorgcontinuïteit noodzakelijke gegevens aan de bewoner of aan zijn behandelend arts meegedeeld of, op verzoek van de bewoner of de behandelend arts, doorgegeven aan de directeur van die andere voorziening, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van de gegevens.
Art. 160.
De individuele gezondheidsdossiers kunnen worden geraadpleegd door alle personeelsleden en alle zorgprofessionals die de bewoner verzorgen.
De belangrijkste informatie over de begeleiding van de bewoner wordt dagelijks toegankelijk gemaakt voor alle personeelsleden die de bewoner zullen moeten verzorgen.
In afwijking van de leden 2 en 3 mogen vertrouwelijke gegevens over de gezondheid van de bewoner alleen worden geraadpleegd door gezondheidswerkers die een therapeutische relatie met de bewoner hebben.
De individuele gezondheidsdossiers kunnen ook worden geraadpleegd door de dienst Controle en Begeleiding, uitsluitend om na te gaan of ze bestaan en of ze in overeenstemming zijn met de ordonnantie en de uitvoeringsbesluiten ervan.
In het kader van het in het vorige lid bedoelde toezicht is de dienst Controle en Begeleiding tot geheimhouding verplicht. De dienst mag de persoonsgegevens in de individuele gezondheidsdossiers niet aan derden bekendmaken.
Art. 161.
De voorziening beschikt over een communicatieregister voor de personeelsleden, dat op de eerste pagina de volgende telefoonnummers bevat:
1° de directeur;
2° de behandelend artsen en de dienstdoende artsen;
3° het dichtstbijzijnde ziekenhuis en het ziekenhuis waarmee een overeenkomst werd aangegaan;
4° de ambulancedienst of de dienst waarmee een overeenkomst werd aangegaan;
5° de brandweer;
6° de politie;
7° de referentiearts of de coördinerend en raadgevend arts, en zijn vervanger.
Het in het eerste lid bedoelde register bevat ook de opmerkingen over de opname van nieuwe bewoners, de eventuele ziekenhuisopname van bewoners en het eventuele vertrek van bewoners.
Art. 162.
De aan de bewoners toe te dienen geneesmiddelen worden:
1° voorgeschreven door de behandelend arts van de bewoner;
2° onverminderd de federale regelgeving inzake de verstrekking van geneesmiddelen in rustoorden en in rust- en verzorgingstehuizen maximaal vier dagen op voorhand bereid;
3° bewaard door een verpleegkundige, of, in voorkomend geval, door een apotheker;
4° verdeeld en toegediend onder de verantwoordelijkheid van een gemachtigd personeelslid;
5° ex tempore bereid als ze in vloeibare vorm zijn;
6° identificeerbaar gehouden tijdens het volledige bewarings- en toedieningsproces.
Art. 163.
De geneesmiddelen worden bewaard in een meubel of een lokaal dat daartoe voorbehouden, schoon en aangepast is en uitsluitend toegankelijk is voor de bevoegde personeelsleden. De opslagvoorwaarden van de geneesmiddelen laten toe de bewaarvoorschriften na te leven.
Onverminderd de federale regelgeving inzake het beleid betreffende de geneesmiddelen en gezondheidsproducten, beschikt elke voorziening over een koelkast die uitsluitend bestemd is voor de bewaring van geneesmiddelen en gezondheidsproducten.
Art. 164.
De behandelend arts moet op elk moment de juiste toediening van de voorgeschreven geneesmiddelen kunnen controleren.
Afdeling 4. - Activiteiten
Art. 165.
§ 1. De voorziening stelt een programma van individuele en collectieve activiteiten op, dat tot doel heeft de levenskwaliteit van de bewoners in de voorziening te bevorderen.
§ 2. Het in § 1 bedoelde activiteitenprogramma omvat sociale activiteiten, gemeenschapsactiviteiten, activiteiten van het dagelijkse leven en vrijetijdsactiviteiten, die zowel binnen als buiten door de voorziening worden georganiseerd.
De in het vorige lid bedoelde activiteiten zijn zinvol voor de bewoners. Ze staan in het teken van hun welzijn en hun fysieke en psychologische gezondheid.
De activiteiten bevorderen niet alleen de deelname van de bewoners aan het sociale en gemeenschapsleven binnen en buiten de voorziening en in het lokale leven, maar ook het delen van ervaringen, met oog voor de persoonlijke hechting van de bewoners.
Bij de activiteiten wordt een beroep gedaan op de behouden capaciteiten van de bewoners. Ze bieden de bewoners de kans om hun kennis te delen en in te spelen op hun leerbehoeften of -wensen.
Het houden van de participatieraad maakt in ieder geval deel uit van het in het eerste lid bedoelde activiteitenprogramma.
Voor de organisatie van de in het eerste lid bedoelde activiteiten kan de voorziening een beroep doen op de medewerking van externe diensten of instellingen.
§ 3. Het in § 1 bedoelde activiteitenprogramma wordt uitgewerkt onder de verantwoordelijkheid van de directeur, in samenwerking met het personeel en de participatieraad. Bij de uitwerking ervan wordt rekening gehouden met de wensen en voorkeuren van de bewoners.
Dat programma wordt ten minste eenmaal per halfjaar geëvalueerd in de participatieraad en telkens als een bewoner dat wenst. Het wordt desgevallend aangepast.
§ 4. Het in paragraaf 1 bedoelde activiteitenprogramma wordt regelmatig aan elke bewoner meegedeeld.
Art. 166.
De voorziening neemt deel aan het lokale leven door met name samenwerkingen te ontwikkelen met nabije diensten of instellingen.
Art. 167.
De beheerder wijst een of meer personeelsleden in de voorziening aan die, als onderdeel van hun bevoegdheden, het sociale en gemeenschapsleven coördineren. Die personeelsleden staan in voor:
1° de organisatie en de coördinatie van de in artikel 165, § 2 bedoelde activiteiten;
2° de openheid van de voorziening voor het lokale leven en de invoering van samenwerkingen met externe organisaties, overeenkomstig artikel 166;
3° de leiding van de participatieraad.
De in het eerste lid bedoelde persoon of personen moeten duidelijk identificeerbaar zijn.
HOOFDSTUK IV. - Architectonische en veiligheidsnormen
Art. 168.
De voor de bewoners toegankelijke gangen worden in geen geval afgesloten met een sleutel of met om het even welke andere beveiligingsvoorziening die het vrije verkeer van de bewoners zou belemmeren.
Art. 169.
Elke kamer is genummerd en het nummer is in de overeenkomst vermeld.
De naam van de bewoner wordt aan de buitenkant van de kamer aangebracht, tenzij hij of zijn vertegenwoordiger zich daartegen verzet.
Art. 170.
In de voorzieningen die na 1 januari 2010 in gebruik werden genomen en de voorzieningen die voor 1 januari in gebruik werden genomen en die verbouwings- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, bedraagt de minimale netto-oppervlakte van de individuele kamers, exclusief de sanitaire installaties, 15 m2; ze bedraagt 11 m2 per bewoner voor tweepersoonskamers.
In de voorzieningen die voor 1 januari 2010 in gebruik werden genomen en de voorzieningen waarvoor de ministers de vergunning voor werken hebben afgegeven of waarvan het project door de ministers is goedgekeurd voor 1 januari 2010, mag de minimale netto-oppervlakte van de individuele kamers, exclusief de sanitaire installaties, niet minder dan 12 m2 bedragen; ze bedraagt 10 m2 per bewoner voor tweepersoonskamers.
Art. 171.
Gemeenschappelijke kamers mogen niet meer dan twee bedden tellen.
Art. 172.
Ten minste de helft van de opnamecapaciteit van de voorziening bestaat uit individuele kamers.
Art. 173.
In de voorzieningen met tweepersoonskamers moet een individuele kamer gemakkelijk beschikbaar zijn om een bewoner te kunnen isoleren; in dat geval gelden de regels voor individuele kamers.
Art. 174.
§ 1. Onder voorbehoud van artikel 175 verstrekt de voorziening het meubilair van de kamers.
Het in het eerste lid bedoelde meubilair is aangepast aan de bewoners, functioneel en in goede staat. Het moet het mogelijk maken het psychisch, fysiek en sociaal welzijn en de onafhankelijkheid van de bewoners te verzekeren.
De voorziening moet het meubilair aanpassen aan de evolutie van de graad van onafhankelijkheid van de bewoner, zonder toeslag.
§ 2. In de individuele kamer moet het meubilair ten minste bestaan uit een bed, een hang- en legkast, een tafel, een leunstoel, een stoel en een nachttafel met lade, een individuele lichtbron boven of naast het bed en een binnensysteem waarmee de bewoners zich kunnen beschermen tegen zonnestralen en hun privacy kunnen bewaren. Vanaf 1 januari 2026 beschikt elke kamer ook over een televisie en een koelkast.
Vanaf 1 januari 2029 moet het in het eerste lid bedoelde bed een in de hoogte verstelbaar bed zijn.
§ 3. In de gemeenschappelijke kamer moet het meubilair ten minste bestaan uit, voor elke bewoner, een bed, een hang- en legkast, een leunstoel, een nachttafel met lade en een individuele lichtbron boven of naast het bed en een binnensysteem waarmee de bewoners zich kunnen beschermen tegen zonnestralen. Bovendien moet ze beschikken over een of meer tafels met stoelen zodat alle bewoners van de kamer in voorkomend geval gelijktijdig kunnen eten.
Scheidingselementen tussen de bedden maken het mogelijk om voor iedereen een minimum aan privacy te garanderen.
Vanaf 1 januari 2026 beschikt elke kamer ook over een televisie en een koelkast per bewoner.
Vanaf 1 januari 2029 moet het in het eerste lid bedoelde bed een in de hoogte verstelbaar bed zijn.
Art. 175.
Op voorwaarde dat de uitrusting voldoet aan de brandveiligheidsnormen en dat dit meubilair een goed verloop van de begeleiding en de zorg mogelijk maakt, moet de bewoner de mogelijkheid hebben om in zijn kamer te beschikken over persoonlijke goederen en meubels, naast of in plaats van het door de voorziening ter beschikking gestelde meubilair.
Art. 176.
§ 1. De bediening van de verlichting en van het oproepsysteem in de kamer moet vanuit het bed en de leunstoel bereikbaar zijn zonder dat de bewegingsvrijheid van de bewoners wordt gehinderd door een loshangend snoer.
Voor de voorzieningen die na 1 januari 2010 in gebruik werden genomen en voor de voorzieningen die voor 1 januari 2010 in gebruik werden genomen en verbouwings- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, bestaat de verlichting minstens uit een algemene verlichting van de kamer en een aparte leesverlichting, die afzonderlijk moeten kunnen worden bediend.
§ 2. Het aantal stopcontacten per kamer bedraagt minimaal één per 5 m2.
§ 3. Het aantal schakelaars per kamer bedraagt minimaal drie, waarvan één bij de ingang, één bij de leunstoel en één aan het bed.
Art. 177.
§ 1. Alle lokalen die toegankelijk zijn voor de bewoners beschikken over een oproepsysteem.
In de kamer is een vast oproeppunt toegankelijk vanuit elk bed en elke leunstoel; in voorkomend geval moet dit systeem kunnen worden ingeschakeld zonder de andere bewoners van de kamer te storen.
Alle sanitaire installaties zijn uitgerust met een oproepsysteem.
§ 2. Alle kamers moeten uitgerust zijn met een vast toestel waarmee de reactie op de oproep wordt geregistreerd.
De voorziening moet elke oproep, de benodigde tijd om de oproep te beantwoorden en de reactie op de oproep registreren. Die informatie moet ten minste drie maanden worden bewaard.
Bovendien moet het oproepsysteem met een stroombron worden uitgerust die de werking van het oproepsysteem bij een stroomonderbreking waarborgt gedurende één uur.
Art. 178.
Elke kamer beschikt over een aansluiting op de telefoonlijn, de kabeltelevisie en het internet.
Vanaf 1 januari 2026 is de in het eerste lid bedoelde internetaansluiting draadloos. Ze is beschikbaar zonder bijkomende kosten.
Art. 179.
1. Voor de voorzieningen die na 1 januari 2010 in gebruik werden genomen en voor de voorzieningen die voor 1 januari 2010 in gebruik werden genomen en verbouwings- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, bevat elke kamer een sanitaire installatie die gescheiden is van de kamer en toegankelijk is voor personen met een beperkte mobiliteit, met een toilet, een wastafel, een spiegel en een douche of bad.
§ 2. Voor de voorzieningen die voor 1 januari 2010 in gebruik werden genomen:
1° beschikt elke kamer over een wastafel met warm en koud stromend drinkwater, een spiegel, alsmede over een scheidingswand tussen wastafel en bed.
2° de sanitaire installaties omvatten ten minste:
a) één wc per acht bewoners, waarvan er minimaal één per verdieping toegankelijk is voor personen met een beperkte mobiliteit;
b) een douche of een bad, plus een extra douche of bad wanneer de voorziening de helft van elke nieuwe schijf van 30 bewoners overschrijdt. Deze installaties zijn toegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit.
Art. 180.
Er zijn voldoende toiletten in de onmiddellijke nabijheid van de gemeenschappelijke leefruimten en de ruimten voor collectieve activiteiten.
Ten minste een van de in het eerste lid bedoelde toiletten is toegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit.
Art. 181.
De toiletten, de douches en de gemeenschappelijke badkamers zijn uitgerust met een systeem dat aangeeft of ze al dan niet bezet zijn.
Art. 182.
Elke voorziening moet over ten minste één sanitaire ruimte beschikken die gewijd is aan het welzijn en de ontspanning van de bewoners. Die ruimte moet minstens uitgerust zijn met een aangepast bad of gelijkwaardige uitrusting.
Art. 183.
Alle ruimten die toegankelijk zijn voor de bewoners moeten uitgerust zijn met een binnensysteem waarmee de bewoners zich kunnen beschermen tegen zonnestralen.
Vanaf 1 januari 2034 moeten alle ramen van de voorziening, behalve die van de noordoost-, noord- en noordwestgevel, uitgerust zijn met een buitenzonweringsysteem om oververhitting van het gebouw te voorkomen.
Art. 184.
De voorziening beschikt over een of meer leefruimten waar klimaatregeling mogelijk is in geval van een hittegolf. Die leefruimten zijn groot genoeg zodat alle bewoners in een of meer van die ruimten kunnen worden opgevangen.
Art. 185.
De voorziening beschikt over een vaste of mobiele CO2-meter om de CO2 te controleren in de lokalen waar collectieve activiteiten worden georganiseerd. De CO2-concentratie moet regelmatig worden gemeten.
Als de drempelwaarde van 1.200 ppm wordt overschreden, neemt de voorziening alle nodige maatregelen om haar ventilatiesysteem te verbeteren. Die maatregelen zijn opgenomen in een crisisbeheersingsplan.
Art. 186.
§ 1. Elke voorziening heeft een eetzaal en een leefruimte. De eetzaal en de leefruimte kunnen geïntegreerd zijn in een gemeenschappelijke ruimte. Afhankelijk van de grootte van de voorziening zijn er voldoende van deze ruimten om te verzekeren dat ze het karakter van een leefomgeving hebben.
In afwijking van het eerste lid moeten er, als de voorziening georganiseerd is op basis van afzonderlijke wooneenheden, voldoende van de in het eerste lid bedoelde ruimten zijn, zodat de integratie in de normale leefomgeving gewaarborgd blijft.
§ 2. De totale oppervlakte van de leefruimte en de eetzaal bedraagt minstens 1,5 m2 per bewoner, rekening houdend met de maximale huisvestingscapaciteit van de voorziening.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de totale oppervlakte van de leefruimte en de eetzaal minstens 1,5 m2 per bewoner van de wooneenheid, rekening houdend met de maximale huisvestingscapaciteit van de wooneenheid, als de voorziening georganiseerd is op basis van afzonderlijke wooneenheden.
Art. 187.
Onder voorbehoud van artikel 180 zijn alle ruimten die toegankelijk zijn voor de bewoners toegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit.
Art. 188.
Vanaf 1 januari 2026 moet een internetverbinding beschikbaar zijn in alle gemeenschappelijke ruimten die toegankelijk zijn voor de bewoners en in de werkruimten van de personeelsleden.
De in het eerste lid bedoelde internetverbinding is een draadloze verbinding in de gemeenschappelijke ruimten die toegankelijk zijn voor de bewoners. Ze is beschikbaar zonder bijkomende kosten.
Art. 189.
De voorziening mag over een rookruimte beschikken, binnen of buiten.
Als de voorziening binnen over een rookruimte beschikt, moet deze duidelijk afgebakend en volledig geïsoleerd zijn, ze mag niet als doorgang dienen en moet beschikken over een rookafzuigsysteem met een capaciteit van vijftien m3 per uur en per m2.
Als de voorziening buiten over een rookruimte beschikt, moet deze duidelijk afgebakend, overdekt en uitgerust zijn.
Art. 190.
De gangen en trappen zijn voldoende breed. De gangen zijn toegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit. De bewoners moeten bij hun verplaatsingen in het gebouw gebruik kunnen maken van leuningen en handgrepen aan beide zijden.
De gangen moeten zo worden ingericht dat de bewoners tijdens hun verplaatsing zo nodig een rustmoment kunnen inlassen.
Om het risico op vallen te voorkomen moeten de eerste en de laatste trede, net als elke afzonderlijke trede, een boord hebben waarvan de kleur duidelijk tegen de vloerbekleding afsteekt.
Art. 191.
In alle lokalen die toegankelijk zijn voor de bewoners moeten alle oneffenheden van de vloer, zoals treden, trappen en andere obstakels, worden vermeden.
Art. 192.
Elke voorziening beschikt over een werkplek met een voldoende aantal werkposten zodat de personeelsleden hun taken naar behoren kunnen vervullen. Dat lokaal mag niet hetzelfde zijn als het pauzelokaal voor het personeel.
Art. 193.
De voorziening heeft ten minste één identificeerbaar verpleeglokaal.
Art. 194.
De voorziening beschikt over:
1° het vereiste materiaal om doorligwonden te voorkomen;
2° de benodigde middelen om elk bed van een gemeenschappelijke kamer af te zonderen tijdens de verzorging.
Art. 195.
De voorziening beschikt over een passend en gemakkelijk toegankelijk lokaal dat als lijkkamer of mortuarium kan dienen.
Het in het eerste lid bedoelde lokaal is uitgerust met een koeltafel en is zo ingericht dat het de naasten van de overleden persoon mogelijk maakt zich te bezinnen met respect voor de door de overledene gekozen filosofische overtuigingen.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan de voorziening een overeenkomst sluiten met een externe dienstverlener die een lijkkamer of mortuarium ter beschikking stelt op kosten van de voorziening.
HOOFDSTUK V. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 196.
De directeur en het personeel van de voorziening dragen, in het kader van het leefproject van de voorziening, bij tot de onafhankelijkheid, de zelfredzaamheid, de ontplooiing en de levenskwaliteit van de bewoners door hun toegang tot een dynamisch sociaal en gemeenschapsleven te bevorderen, een beroep te doen op hun behouden capaciteiten en door de deelname en de communicatie te vergemakkelijken.
De directeur en het personeel waken erover dat ze een relatie van wederzijds vertrouwen opbouwen met de bewoners.
De bewoners moeten de voornamen en/of achternamen van de directeur, personeelsleden, referentiearts en coördinerend en raadgevend arts kunnen identificeren.
De directeur, personeelsleden, referentiearts en coördinerend en raadgevend arts stellen zich voor aan bewoners met cognitieve stoornissen of dementie wanneer ze met hen in contact komen.
Art. 197.
De voorziening houdt de lijst van de personeelsleden bij en ook een tabel waarin hun werkzaamheden, werkrooster en kwalificatie worden vermeld.
De in het eerste lid bedoelde tabel wordt aangebracht in een lokaal dat steeds toegankelijk is voor het personeel.
Art. 198.
Voor elk personeelslid, de directeur inbegrepen, wordt een register opgemaakt met alle administratieve stukken, afschriften van diploma's en bekwaamheidsattesten of attesten van nuttige ervaring, de arbeids- of ondernemingsovereenkomsten, het verzekeringscontract voor burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening, en alle wettelijk voorgeschreven verzekeringen.
Dit in het eerste lid bedoelde register en de staten van de driemaandelijkse aangiften die bestemd zijn voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid staan ter beschikking van de dienst Controle en Begeleiding, die op eenvoudige aanvraag een afschrift ervan kan bekomen.
Art. 199.
De voorziening organiseert het onthaal voor alle nieuwe personeelsleden, uiterlijk in de eerste week na hun indiensttreding, om hen vertrouwd te maken met hun nieuwe werkomgeving, de filosofie van de voorziening en het algemene profiel van de bewoners.
Dit onthaal omvat ten minste een mondelinge infosessie en een rondleiding in de voorziening. Het bestaat uit twee delen: een algemeen onthaal met een presentatie van de voorziening, en een specifiek onthaal dat zal gaan over de functie zelf. Het wordt georganiseerd in het Frans of het Nederlands, afhankelijk van de taalkeuze van het personeelslid.
De directeur stelt, in samenwerking met de beheerder en de personeelsleden of hun vertegenwoordigers, een onthaal- en integratiebeleid vast dat is afgestemd op het profiel van het aangeworven personeel. Het beleid moet ter beschikking worden gehouden van de dienst Controle en Begeleiding.
Art. 200.
§ 1. Onverminderd de specifieke opleidingsverplichtingen voor bepaalde personeelsleden moeten alle personeelsleden over een periode van twee jaar ten minste zestien uur voortgezette opleiding volgen, met een minimum van vier uur per jaar.
In afwijking van het eerste lid moet het verzorgend personeel en het personeel voor reactivering een voortgezette opleiding volgen van ten minste veertig uur per periode van twee jaar, met een minimum van acht uur per jaar.
§ 2. Behalve in door de voorziening met redenen omklede uitzonderingsgevallen, maakt de in paragraaf 1 bedoelde opleiding deel uit van het in artikel 201 bedoelde plan voor voortgezette opleiding.
§ 3. Voor personeelsleden die drie vierden van een voltijds equivalent of minder presteren, wordt de in paragraaf 1 bedoelde opleidingsverplichting evenredig aangepast aan de werkelijke arbeidstijd.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde opleidingen moeten door de leidend ambtenaar van Iriscare of zijn afgevaardigde zijn erkend.
De in het eerste lid bedoelde erkenning kan aan een instelling worden verleend voor alle opleidingen die ze verstrekt.
De volgende opleidingen wordt geacht erkend te zijn in de zin van het eerste lid :
1° opleidingen die worden georganiseerd door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een door de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie of de Vlaamse Gemeenschap erkend opleidingscentrum;
2° opleidingen die worden georganiseerd door de fondsen voor bestaanszekerheid, door de Brusselse Vereniging voor Welzijn op het Werk, door de representatieve federaties van de sector voor ouderenvoorzieningen, en door het Platform voor continue Verbetering van Zorgkwaliteit en Patiëntveiligheid;
3° opleidingen die worden georganiseerd door de ziekenhuisdiensten, de platformen voor palliatieve zorg en het federaal platform voor ziekenhuishygiëne;
4° opleidingen die worden georganiseerd door een personeelslid dat in het thema is gespecialiseerd.
§ 5. Multidisciplinaire vergaderingen worden niet beschouwd als opleidingsuren in de zin van paragraaf 1.
§ 6. Behalve in door de voorziening met redenen omklede uitzonderingsgevallen, mag maximaal de helft van de verplichte opleidingsuren online worden georganiseerd.
§ 7. Maximaal een derde van de verplichte opleidingsuren mag door een personeelslid van de voorziening worden gegeven.
Art. 201.
§ 1. Onverminderd artikel 204, § 2 stelt de voorziening voor de uitvoering van de in artikel 200, § 1 bedoelde opleidingsverplichtingen, in samenwerking met de personeelsleden en hun vertegenwoordigers, voor elke personeelscategorie een plan voor voortgezette opleiding op.
Het in het eerste lid bedoelde plan voor voortgezette opleiding is gespreid over twee jaar. Het bevat ten minste het thema en de beschrijving van de geplande opleidingen, de categorieën van personeelsleden die de opleidingen krijgen, de nagestreefde doelstellingen en de redenen voor de invoering van die opleidingen.
Het plan voor voortgezette opleiding is aangepast aan de functie en de behoeften van het personeel. Bij de opstelling ervan wordt rekening gehouden met het leefproject van de voorziening of de problemen die zijn vastgesteld in de voorziening.
§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde plan voor voortgezette opleiding omvat in ieder geval regelmatige opleidingen over:
1° de goede behandeling van ouderen en de betrekkingen met de ouderen;
2° de geriatrie;
3° de diversiteit, met name multiculturaliteit, genderidentiteit en seksuele geaardheid;
4° de zorgkwaliteit en het proces van voortdurende verbetering;
5° de begeleiding en participatie van ouderen;
6° de interne betrekkingen binnen de teams;
7° het levenseinde;
8° de begeleiding van de bewoners met ernstige cognitieve stoornissen of dementie.
Het in paragraaf 1 bedoelde plan voor voortgezette opleiding kan talenopleidingen omvatten.
De ministers kunnen de in het eerste lid bedoelde lijst van opleidingsthema's nader omschrijven en aanvullen. Ze kunnen ook een lijst van verplichte opleidingsthema's per personeelscategorie vaststellen.
§ 3. Het plan voor voortgezette opleiding wordt om de twee jaar, op een door Iriscare te bepalen datum, en voor het eerst vanaf 1 juni 2024 bij Iriscare ingediend.
§ 4. De voorziening houdt een overzicht bij van het aantal uren en de opleidingen die elk personeelslid heeft gevolgd.
Afdeling 2. - Directeur
Art. 202.
§ 1. De directeur die na 1 januari 2010 voor de eerste keer in functie treedt, moet vóór zijn indiensttreding ten minste houder zijn van een diploma hoger niet-universitair onderwijs en een bijkomende opleiding van minstens 500 uur volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie.
De in het eerste lid bedoelde bijkomende opleiding wordt beperkt tot 100 uur voor houders van een diploma van een universitaire opleiding in management in de gezondheidszorg/Diplôme universitaire en gestion des institutions de soins .
Houders van een diploma van een universitaire opleiding in management in de gezondheidszorg gericht op de geriatrie zijn vrijgesteld van de in het eerste lid bedoelde bijkomende opleiding.
§ 2. De volgende personen zijn vrijgesteld van de in paragraaf 1 bedoelde vereisten:
a) de directeurs in functie op 1 januari 2010 die hebben voldaan aan de toegangsvoorwaarden tot het beroep gesteld bij het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten moeten voldoen, op 1 januari 2010;
b) de directeurs die de opleiding volgen die is opgelegd door de op 1 januari 2010 betekende ministeriële beslissing;
c) de directeurs die vóór 1 januari 2010 een aanvraag tot afwijking hebben ingediend bij de ministers, overeenkomstig artikel 68 van het bovengenoemde besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en voor een maximumduur van twee jaar mag de beheerder een persoon in dienst nemen die de in paragraaf 1 bedoelde opleiding tot directeur volgt.
§ 4. Er wordt aan de voorwaarden van paragraaf 1 voldaan als uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en de vereiste opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet.
Voor de toepassing van het eerste lid moet onder relevante ervaring worden verstaan de ervaring opgedaan in de sectoren van de huisvesting van ouderen, van de rust- en verzorgingstehuizen, van de ziekenhuizen of van de huisvesting van personen met een handicap, voor zover het een verantwoordelijke functie betreft.
Art. 203.
De succesvolle afronding van de in artikel 200 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de leidend ambtenaar van Iriscare of zijn afgevaardigde is erkend, wordt door een attest bekrachtigd na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid.
Art. 204.
§ 1. De directeur moet deelnemen aan een voortgezette opleiding van minstens 24 uur per jaar.
De in de eerste alinea bedoelde opleiding omvat regelmatige opleidingen over :
1° de goede behandeling van ouderen en de betrekkingen met de ouderen;
2° de geriatrie;
3° de diversiteit, met name multiculturaliteit, genderidentiteit en seksuele geaardheid;
4° de zorgkwaliteit en het proces van voortdurende verbetering;
5° de begeleiding en participatie van ouderen;
6° de begeleiding van de bewoners met ernstige cognitieve stoornissen of dementie;
7° het levenseinde;
8° het management.
§ 2. De ministers kunnen de in paragraaf 1 bedoelde thema's nader omschrijven en de lijst ervan aanvullen.
Art. 205.
§ 1. De directeur wordt aangeworven met een voltijds contract.
In afwijking van het eerste lid, en onverminderd artikel 271, mag de directeur deze functie cumuleren met die van directeur van een andere voorziening voor ouderen, zoals bedoeld in artikel 2, 4°, van de ordonnantie, voor zover de voorzieningen zich op dezelfde vestigingsplaats bevinden en door dezelfde beheerder worden beheerd.
De directeur moet minstens twintig uur per week in de voorziening aanwezig zijn.
De directeur moet in geval van afwezigheid of verhindering binnen of buiten de voorziening een persoon aanwijzen die de dagelijkse leiding van deze voorziening kan waarnemen en deze voor Iriscare kan vertegenwoordigen. De naam van de vervanger wordt op een voor iedereen toegankelijke en zichtbare plaats aangebracht en de ouderen en personeelsleden worden ervan op de hoogte gesteld.
In geval van overmacht moet de directeur of zijn vervanger bereikbaar zijn.
§ 2. De directeur kan niet worden opgenomen in de in artikel 208 bedoelde personeelsnorm.
Art. 206.
Op verzoek van Iriscare legt de beheerder, voor hemzelf en voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een uittreksel uit het strafregister voor aan Iriscare.
Art. 207.
Bij de aanwerving van een nieuw personeelslid eist de directeur de overlegging van een uittreksel uit het strafregister dat minder dan een maand oud is.
Afdeling 3. - Personeel
Art. 208.
De voorziening beschikt over voldoende verpleegkundig, verzorgend, paramedisch en psychosociaal personeel om voortdurend, zowel overdag als `s nachts, voor de begeleiding en de zorg van de ouderen in te staan.
Hiertoe beschikt zij over het personeel opgelegd door het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rustoorden en in de rust- en verzorgingstehuizen voor bejaarden.
Art. 209.
Een of meer personeelsleden van de voorziening hebben onder meer de opdracht een beleid uit te stippelen om, op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, een hoge kwaliteit van begeleiding en zorg voor de bewoners te waarborgen.
In de rusthuizen die geen bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis hebben, wordt de in het eerste lid bedoelde opdracht uitgevoerd in samenwerking met de referentiearts. In de rust- en verzorgingstehuizen wordt de in het eerste lid bedoelde opdracht uitgevoerd door de hoofdverpleegkundige in samenwerking met de coördinerend en raadgevend arts.
Art. 210.
§ 1. De voorziening beschikt over voldoende personeel, zowel kwantitatief als kwalitatief, om te zorgen voor de taken betreffende de keuken, het restaurant, het beddengoed, de wasserij en het technisch onderhoud, de netheid en de hygiëne van de lokalen en te voldoen aan de normen van dit besluit.
De taken die worden toevertrouwd aan de in het eerste lid bedoelde personeelsleden worden duidelijk in hun arbeidsovereenkomst vermeld.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, is per aangesneden schijf van vijftien bewoners minstens één voltijdsequivalent nodig.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 mag de voorziening de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde taken volledig of gedeeltelijk laten uitvoeren door externe diensten die door een schriftelijke overeenkomst verplicht met haar verbonden zijn.
De gelijkstelling van de in het eerste lid bedoelde prestaties met de arbeidstijd van het personeel wordt door de directeur van de voorziening voorgesteld op grond van de in bijlage II vervatte bepalingen en door Iriscare gecontroleerd. In geval van onenigheid wordt de gelijkstelling door de ministers vastgesteld.
Art. 211.
§ 1. In de rusthuizen die geen bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis hebben, duidt de beheerder overeenkomstig artikel 212 een referentiearts aan, die een geaccrediteerd huisarts is.
De referentiearts heeft de volgende taken:
1° tijdens lokale, gewestelijke of nationale gezondheidscrisissen:
a) de medische beslissingen nemen in verband met de collectieve gezondheid van de bewoners;
b) deelnemen aan de cel voor crisisbeheer;
c) met de autoriteiten samenwerken om specifieke medische beslissingen te nemen;
2° op verzoek van de directeur adviezen uitbrengen over:
a) het leefproject van de voorziening;
b) het in artikel 217 bedoelde actieplan ter verbetering van de praktijken;
c) de initiatieven op het gebied van het gezondheidsbeleid, waaronder met name hygiëne, voeding, geestelijke gezondheid, het therapeutisch project, de zorg aan het levenseinde, valpreventie, noodkit, het immobilisatiebeleid, de preventie van doorligwonden;
3° initiatiefvoorstellen uitbrengen om het welzijn, de levenskwaliteit en het sociale leven van de bewoners te bevorderen;
4° op verzoek deelnemen aan multidisciplinaire vergaderingen;
5° vragen van personeelsleden over medische aspecten van hun beroepspraktijk beantwoorden;
6° de bewoners informeren over de uitdagingen en, in voorkomend geval, de maatregelen die genomen worden met betrekking tot de gezondheid van de gemeenschap.
§ 2. Als de referentiearts afwezig is, moet hij in samenspraak met de directeur voor vervanging zorgen om de continuïteit van zijn functie te verzekeren.
Art. 212.
§ 1. De aanduiding van de referentiearts gebeurt als volgt:
1° wanneer een functie van referentiearts vacant is, brengt de directeur zonder verwijl de Federatie van de Brusselse Huisartsenverenigingen, de Brusselse Huisartsenkring, en de behandelend artsen van de bewoners op de hoogte;
2° de kandidaten beschikken over een termijn van minstens dertig dagen om hun kandidatuur in te dienen;
3° binnen dertig dagen na de aanduiding door de beheerder brengt de directeur de betrokken huisartsenvereniging, de dienst Controle en Begeleiding, de bewoners, de personeelsleden en de hoofdarts van het ziekenhuis of de ziekenhuizen waarmee het rusthuis een functionele band heeft op de hoogte.
Om zijn kwalificatie te behouden, moet de referentiearts tijdens elke periode van twee jaar een voortgezette opleiding volgen van minstens 12 uur. Daarin moeten onderwerpen aan bod komen in verband met geriatrie, palliatieve zorg, het levenseinde, crisisbeheer of veranderingen in de regelgeving met betrekking tot deze onderwerpen.
Art. 213.
In een voorziening die maximaal zestig plaatsen telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste een zorgkundige of, als de voorziening ten minste vijftig bewoners telt die beantwoorden aan de afhankelijkheidscriteria zoals bepaald in artikel 148, 3°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, door een verpleegkundige;
In een voorziening die tussen eenenzestig en negenennegentig plaatsen telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste twee zorgkundigen of, als de voorziening ten minste vijftig bewoners telt die beantwoorden aan de afhankelijkheidscriteria zoals bepaald in artikel 148, 3°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, door een verpleegkundige en een zorgkundige.
In een voorziening die tussen honderd en honderddertig plaatsen telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste een verpleegkundige en een zorgkundige.
In een voorziening die tussen honderdeenendertig en honderdnegenennegentig plaatsen telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste een verpleegkundige en twee zorgkundigen.
In een voorziening die meer dan honderdnegenennegentig plaatsen telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste een verpleegkundige en drie zorgkundigen.
In een voorziening met meer dan zestig plaatsen moet ten minste één personeelslid dat de dienst waarneemt, minstens twee keer per nacht rondes doen.
Art. 214.
Het verzorgend personeelslid dat de nachtdienst uitvoert, beschikt ten minste over een opleiding als EHBO'er, waarvan de geldigheidsdatum niet overschreden is.
HOOFDSTUK VI. - Organisatorische normen
Art. 215.
De vrije keuze van de bewoner om een behandelend arts en, wanneer nodig, een ziekenhuis te kiezen, moet worden gerespecteerd en mag op geen enkele wijze worden beïnvloed.
Als een bewoner geen behandelend arts heeft op het moment van zijn opname of als zijn behandelend arts weigert de zorg voor zijn patiënt voort te zetten, moet aan de bewoner een bijgewerkte lijst van beschikbare huisartsen worden bezorgd.
Art. 216.
De voorziening beschikt over een algemeen reglement van de medische activiteit waarin de rechten en plichten van de behandelend artsen die er actief zijn, worden beschreven. Dit reglement wordt bezorgd aan elke behandelend arts, die zich door het te ondertekenen ertoe verbindt zo efficiënt mogelijk samen te werken aan de medische organisatie en de medische zorg van de voorziening.
Het algemeen reglement van de medische activiteit beschrijft minstens de volgende punten:
1° de verbintenis van de behandelend artsen om aan te sluiten bij een coherent medisch beleid binnen de voorziening, met name inzake het voorschrijven van geneesmiddelen, het verlenen van kwaliteitsvolle zorg, het multidisciplinair overleg en het overleg met de referentiearts of de coördinerend en raadgevend arts;
2° het bestaan van een lijst van artsen die beschikbaar zijn als de bewoner geen behandelend arts heeft en waaruit hij een vrije keuze kan maken;
3° de normale openings- en bezoektijden, behalve in noodgevallen;
4° de contacten met de omgeving;
5° de overlegvergaderingen in de voorziening;
6° het bijhouden van het medische luik van het individuele gezondheidsdossier van de bewoner;
7° het gebruik van het medisch-farmaceutisch formulier en met name het voorschrijven van de minst dure geneesmiddelen en het gebruik van elektronische voorschriften;
8° de nadere regels voor de facturatie van de honoraria;
9° de informatiedoorstroming in geval van overdraagbare ziekten.
HOOFDSTUK VII. - Kwaliteitsnormen
Art. 217.
§ 1. Om de levenskwaliteit en de gezondheid van de bewoners te waarborgen, ontwikkelt de voorziening een actieplan ter verbetering van de praktijken dat doelstellingen vastlegt voor het verbeteren van de praktijken, in samenwerking met het personeel, de bewoners en de beheerder. Dit plan vermeldt operationele doelstellingen, die zijn vastgesteld op basis van het leefproject van de voorziening.
Dit actieplan ter verbetering van de praktijken omvat:
1° een beschrijving van de startsituatie ten opzichte van de nagestreefde doelstellingen;
2° de indicatoren op basis waarvan de voortgang van de doelstellingen wordt geëvalueerd;
3° een uitsplitsing van de doelstellingen in verbeteringsacties en de termijnen waarbinnen de doelstellingen moeten worden bereikt;
4° de regelmatige evaluatie van de verbeteringsacties.
Ten minste eenmaal per jaar evalueert de directeur de voortgang van de doelstellingen in het actieplan ter verbetering van de praktijken, in overleg met de beheerder, de personeelsleden en de participatieraad. In voorkomend geval wordt het leefproject aangepast.
De ministers kunnen de doelstellingen in de zin van het tweede lid, 1°, die prioritair moeten worden opgenomen in het actieplan ter verbetering van de praktijken, en de indicatoren in de zin van het tweede lid, 2°, die met elk van deze doelstellingen overeenstemmen, vastleggen.
§ 3. Het actieplan ter verbetering van de praktijken en de documenten en procedures betreffende de ontwikkeling en evaluatie ervan, met inbegrip van eventuele wijzigingen, worden ter beschikking gesteld van de dienst Controle en Begeleiding.
Art. 218.
De voorziening registreert de volgende indicatoren en volgt hun evolutie op:
1° het aantal gevallen van doorligwonden;
2° het aantal ziekenhuisinfecties;
3° het aantal valincidenten;
4° het aantal incontinente personen;
5° het aantal toegepaste maatregelen inzake immobilisatie en/of afzondering;
6° het aantal bewoners dat risico loopt op ondervoeding of van wie bekend is dat ze ondervoed zijn.
De details van deze informatie worden opgenomen in het individuele gezondheidsdossier van de betrokken bewoners.
Als de waarde van een van de in het eerste lid bedoelde indicatoren problematisch is, wordt de doelstelling om deze te analyseren in het actieplan ter verbetering van de praktijken opgenomen als een doelstelling in de zin van artikel 217, tweede lid, 1°.
Art. 219.
§ 1. De voorziening beschikt over een kwaliteitshandboek voor de personeelsleden, dat ten minste de volgende procedures en beleidslijnen bevat:
1° een procedure voor de handhygiëne;
2° een procedure voor de afzonderingsmaatregelen voor bewoners die lijden aan een infectie met besmettingsgevaar;
3° een procedure voor de toepassing van maatregelen inzake immobilisatie, toezicht of afzondering;
4° een procedure voor de vroegtijdige opsporing van ondervoeding en uitdroging en de opvolging van ondervoede en uitgedroogde bewoners;
5° een procedure die beschrijft hoe de in artikel 217 bedoelde indicatoren moeten worden geregistreerd en opgevolgd;
6° een procedure voor de overplaatsing van een bewoner naar een ziekenhuis;
7° een beleid rond hygiëne en preventie van ziekenhuisinfecties;
8° een beleid rond de beheersing van zorginfecties;
9° een beleid rond de preventie van doorligwonden en chronische wonden;
10° een mond- en tandzorgbeleid;
11° een beleid rond incontinentie;
12° een beleid rond zorg aan het levenseinde;
13° een voedingsbeleid dat de voedingsbehoeften verzoent met het eetplezier;
14° een beleid rond de levering, bewaring en verdeling van geneesmiddelen, met name het beheer van risicovolle geneesmiddelen, in voorkomend geval in overleg met de apothekers;
15° voor voorzieningen die mensen met dementie opvangen, een beleid rond de begeleiding van bewoners met ernstige cognitieve stoornissen of dementie, met name wat betreft de niet-medicamenteuze aanpak en de revalidatietechnieken;
16° een crisisbeheersplan;
17° een onthaalbeleid voor nieuwe personeelsleden;
18° een beleid voor het welzijn van de personeelsleden;
19° een beleid gericht op de ontwikkeling van de tweetaligheid (Frans en Nederlands) binnen de voorziening, wat betreft de externe en interne communicatie;
20° een diversiteits- en inclusieplan.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde procedures en beleidslijnen zijn:
1° aangepast aan de realiteit van de voorziening;
2° gedagtekend en bijgewerkt;
3° beschikbaar in het Frans en het Nederlands;
4° gemakkelijk toegankelijk voor elk personeelslid.
Art. 220.
De voorziening heeft een functionele band met een erkende dienst geriatrie (dienst G) of een erkende dienst voor de behandeling en revalidatie van patiënten met psychogeriatrische aandoeningen (dienst Sp-psychogeriatrie).
De in het eerste lid bedoelde functionele band wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, die met name bepaalt dat de dienst G- of Sp-psychogeriatrie en de voorziening minstens een vergadering per jaar houden. De geplande vergaderingen zijn gericht op het overleg en de permanente opleiding van het personeel van beide partners.
Art. 221.
De voorziening werkt samen met een arts-ziekenhuishygiënist of met het regionale platform voor ziekenhuishygiëne. Deze samenwerking omvat ten minste één periodiek overleg, dat in de overeenkomst is vastgelegd.
Art. 222.
De voorziening heeft een functionele band met een erkende ziekenhuisdienst Sp voor palliatieve zorg.
De in het eerste lid bedoelde functionele band wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, die met name bepaalt dat de dienst Sp voor palliatieve zorg en de voorziening minstens een vergadering per jaar houden. De geplande vergaderingen zijn gericht op het overleg en de permanente opleiding van het personeel van beide partners.
Art. 223.
De voorziening sluit een overeenkomst met het samenwerkingsverband voor palliatieve zorg van het desbetreffende geografische gebied. De overeenkomst voorziet in ten minste een overlegvergadering per jaar.
Art. 224.
§ 1. Ter ondersteuning van de zorg aan het levenseinde en onder voorbehoud van artikel 237 wijst de voorziening in haar rangen een verantwoordelijke aan voor de organisatie van de palliatieve zorg, voor de begeleiding van het levenseinde en voor de opleiding van het personeel in de palliatieve zorgcultuur en de begeleiding van het levenseinde. In de rusthuizen die niet als rust- en verzorgingstehuis erkend zijn, is deze verantwoordelijke een verpleegkundige of een gekwalificeerd personeelslid met een zekere ervaring op dit gebied.
§ 2. De verantwoordelijke, zoals bedoeld in paragraaf 1, moet:
1° een palliatieve zorgcultuur ontwikkelen en het personeel bewust maken van de noodzaak ervan;
2° adviezen inzake palliatieve zorg formuleren voor het verpleegkundig, zorgkundig en paramedisch personeel, het personeel voor reactivering en de kinesitherapeuten;
3° de kennis van de in punt 2 bedoelde personeelsleden over palliatieve zorg bijwerken;
4° zorgen voor de naleving van de wetgeving inzake euthanasie en palliatieve zorg, en de naleving van de wilsbeschikking van de bewoner met betrekking tot zijn levenseinde en/of zijn wilsverklaring inzake euthanasie.
TITEL X. - SLOTBEPALINGEN
Art. 308.
Dit besluit treedt in werking op 1 septembre 2024.
In afwijking van het eerste lid:
1° treedt artikel 168 in werking op een door het Verenigd College bepaalde datum;
2° treedt artikel 219 in werking op 1 januari 2025.