21 MAART 2018.- Besluit houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad
Slotbepalingen + Inwerkingtreding
BOEK I. - ALGEMEEN
TITEL I. - Toepassingsgebied
Artikel 1.
Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad en, in de voorwaarden die het bepaalt, op de stagiairs.
TITEL II. - Definities
Art. 2.
§ 1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
1° "Minister" : het Lid of de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Openbaar Ambt;
2° "Dienst" : de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag, opgericht bij de ordonnantie van 23 maart 2017;
3° "Ordonnantie" : De ordonnantie van 23 maart houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag;
4° "Directie" : Een van de directies vastgesteld door het Algemeen Beheerscomité in toepassing van artikel 6 geleid door een mandaathouder of een ambtenaar A3;
5° "Dienst van de Staat" : elke niet over afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikkende dienst die ressorteert onder de wetgevende en uitvoerende machten van de Staat, van de Gemeenschappen en Gewesten, van de Gemeenschapscommissies of van de rechterlijke macht;
6° "Andere openbare diensten dan de diensten van de Staat" :
a) elke dienst met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht van de Staat, van de Gemeenschappen, van de Gewesten, van de Gemeenschapscommissies;
b) elke dienst die ressorteert onder een provincie, een gemeente, een OCMW, een vereniging van gemeenten of een vereniging van OCMW's, een agglomeratie of die ressorteert onder een federatie van gemeenten, alsook elke dienst die ressorteert onder een aan een provincie of gemeente ondergeschikte instelling;
c) elke andere instelling onder Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van algemeen of lokaal belang, en waarbij de openbare overheid bij de oprichting of de bijzondere leiding klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft;
[d) elke overheidsdienst die deel uitmaakt van een andere staat van de EU of een Europese instelling;]33
7° "Vakorganisaties" : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
[8° "Werkdagen": het geheel van kalenderdagen, met uitsluiting van de zaterdagen, de zondagen, de wettelijke feestdagen, 8 mei, 2 november, 15 november en 26 december;]33
[9° “De functionele chef”: de ambtenaar die, onder de verantwoordelijkheid van de hiërarchische meerdere van een ambtenaar of stagiair, een rechtstreekse gezagsrelatie heeft ten aanzien van deze laatste bij de dagelijkse uitoefening van zijn ambt;]33
10° "De hiërarchische meerdere" : [De ambtenaar aan wie de directeur-generaal]33of zijn afgevaardigde de verantwoordelijkheid heeft toegekend voor een dienst of een directie en die door dit feit een directe autoriteit uitoefent over de personeelsleden.
11° "HRM" : de directie binnen de Dienst belast met het personeelsbeheer;
12° het "Algemeen Beheerscomité" : het algemeen beheerscomité bepaald in artikel 9 van de Ordonnantie;
[13° "De kennisgeving": het gebruik van één van de volgende middelen voor de overdracht van bijzondere informatie:
a) ofwel door de afgifte tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs;
b) ofwel door een aangetekende zending naar het laatste meegedeelde adres. Het versturen van de aangetekende zending mag – onverminderd enige andere bepaling – elektronisch.
Het versturen via elektronische aangetekende zending, met of zonder ontvangstbewijs, wordt als equivalent beschouwd indien dit gebeurt op een aantoonbare wijze en indien de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie worden gewaarborgd;
c) ofwel door het versturen van een document via elektronische weg naar het aan het HRM opgegeven e-mailadres of de opgegeven e-mailadressen;]33
14° "in kennis stellen van" : Overgaan tot een kennisgeving.
[15° "wettelijk tweetalig": in het bezit zijn van een certificaat van taalkennis op basis van artikel 12 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966, na geslaagd te zijn voor het in dit artikel vermelde examen of ervoor vrijgesteld te zijn omdat het diploma dat toegang geeft tot functies van niveau A of B bewijst dat de tweede taal de voertaal was van het genoten onderwijs.
Dit geldt eveneens voor de houder van een certificaat van taalkennis niveau 1/A of niveau 2+/B op basis van artikel 7 van bovengenoemd koninklijk besluit van 8 maart 2001.
Dit geldt eveneens voor de houder van een certificaat van taalkennis op basis van artikel 9, § 2, eerste lid, van bovengenoemd koninklijk besluit van 8 maart 2001.
16° "sluitingsdag": een wettelijke feestdag en 8 mei, 2 november, 15 november en 26 december;
De sluitingsdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden ambtshalve gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december;
17° "directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal": respectievelijk de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar, zoals bedoeld in de Ordonnantie;
18° "persoonlijk dossier": het fysieke of gedigitaliseerde dossier met alle documenten die nodig zijn om het profiel van de ambtenaar of stagiair op te stellen en zijn rechten, met name financiële rechten, vast te stellen. Daartoe bevat dit dossier onder meer administratieve en financiële informatie, documenten met betrekking tot de evaluatie van de prestaties van de ambtenaar of stagiair en informatie over zijn loopbaan.]33
§ 2. Het begrip "ontwikkelingslanden" slaat terug op de lijst van landen geklasseerd door de OESO als "minst ontwikkelde landen", "landen met een laag inkomen" en "landen met een lager intermediar inkomen", ook DAC-lijst genoemd.
§ 3. Wanneer dit besluit een termijn voorziet die begint te lopen na een [kennisgeving]34, wordt deze termijn berekend vanaf de [eerste]34 dag volgend op de afgifte van het document of vanaf de derde dag volgend op de aangetekende zending ervan, postdatum ter staving, behoudens tegenbewijs van de verzender.
[Wanneer dit besluit een termijn bepaalt die ingaat op de datum van de kennisgeving en deze wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 2, § 1, 13°, c), van dit besluit, wordt deze termijn berekend vanaf de derde dag na de verzending van het (de) document(en) langs elektronische weg naar het (de) aan het HRM doorgegeven e-mailadres(sen).]34
De vervaldag is in de termijn inbegrepen.
Wanneer deze dag evenwel valt op een zaterdag, een zondag of een [sluitingsdag]34, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Als deze dag valt tussen Kerst en Nieuwjaar, wordt hij verplaatst naar de volgende werkdag na Nieuwjaar.
§ 4. Wanneer dit besluit voorziet in een termijn dan wordt deze, behoudens andersluidende bepalingen, gerekend in kalenderdagen.
§ 5. Het gebruik van de mannelijke benamingen in dit besluit is gemeenslachtig.
Art. 3.
Ambtenaar van de Dienst is elkeen die, in vast dienstverband, benoemd is bij de Dienst. Hij verkeert in een statutaire situatie waaraan in de bij dit besluit bepaalde gevallen een einde kan worden gesteld.
Art. 4.
Stagiair is elkeen die werd toegelaten tot een stage met het oog op een benoeming in vast dienstverband.
BOEK II. - ADMINISTRATIEF STATUUT
TITEL I. - Organisatie van de Dienst
HOOFDSTUK I. - Het personeelsplan, generieke functiebeschrijvingen en het organogram
Art. 5.
§ 1. Het personeelsplan is een plan waarin [...]35, per niveau, per rang en per graad het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijds equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan de Dienst uit te oefenen.
§ 2. De [Directieraad]32 bedoeld in artikel 13 bereidt een voorstel van personeelsplan voor.
De [Directieraad]32 bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor [aan het Algemeen Beheerscomité]35 ten laatste op 1 februari van het lopend jaar.
Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar. [Voor de nieuwe posten wordt budgettair de jaarkost voorzien.]35
§ 3. Het Algemeen Beheerscomité bepaalt het personeelsplan en legt het ter goedkeuring voor aan het Verenigd College, na overleg in het basisoverlegcomité.
§ 4. Bij gebrek aan goedkeuring van een personeelsplan door het Verenigd College, blijft het laatste bepaalde plan van toepassing.
§ 5. De goedkeuring van het personeelsplan houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien.
§ 6. Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 6.
Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen de Dienst weer.
De [Directieraad]32 werkt een voorstel van organogram uit.
Na advies van de Directieraad, stelt het Algemeen Beheerscomité het organogram van iedere Directie vast.
Het organogram, evenals elke wijziging ervan, worden bij dienstnota of bij ieder ander intern communicatiemiddel aan de personeelsleden meegedeeld.
Art. 7.
[...]36
Het Verenigd College legt de functiebeschrijvingen van de mandaten vast.
De vereiste kwalificaties worden aan iedere functiebeschrijving toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan, het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen.
HOOFDSTUK II. - Ambtenaren
Afdeling 1. - Graden
Art. 8.
De ambtenaren worden benoemd in graden, hiërarchisch verdeeld in vier niveaus en in [dertien]37 rangen, overeenkomstig artikel 9 van dit besluit.
Art. 9.
§ 1. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend.
§ 2. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau.
Elke rang wordt met een letter gevolgd door een cijfer aangeduid : de letter verwijst naar het niveau, het cijfer plaatst de rang binnen het niveau; het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang.
[De rangen worden verdeeld onder de niveaus als volgt:
1° in niveau A, zeven rangen, namelijk A1, A2, A2-deskundige, A3, A4, A4+ en A5;
2° in niveau B, twee rangen, namelijk B1 en B2;
3° in niveau C, twee rangen, namelijk C1 en C2;
4° in niveau D, twee rangen, namelijk D1 en D2.]38
Het niveau A is het hoogste niveau.
§ 3. De graad is de titel die de ambtenaar in een rang situeert en hem machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
[Volgende graden worden opgericht:
1° in rang A5: directeur-generaal;
2° in rang A4+: adjunct directeur-generaal ;
3° in rang A4: directeur-diensthoofd;
4° in rang A3: directeur;
5° in rang A2-deskundige: eerste attaché-deskundige, eerste ingenieur-deskundige, eerste geneesheer-deskundige;
6° in rang A2: eerste attaché,
7° in rang A1: geneesheer, ingenieur, attaché;
8° in rang B2: eerste assistent;
9° in rang B1: assistent;
10° in rang C2: eerste adjunct;
11° in rang C1: adjunct;
12° in rang D2: eerste klerk
13 ° in rang D1: klerk.]38
[Afdeling 2. - Opdrachten en taken van de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.]39
Art. 10.
De [directeur-generaal]40, onverminderd de opdrachten en taken die hem bij dit besluit worden toevertrouwd, en overeenkomstig de Ordonnantie :
[1° leidt de Dienst en zorgt voor zijn goede werking en de coördinatie van het geheel van de directies en diensten en van hun activiteiten, binnen het kader van de doelstellingen gedefinieerd in de beheersovereenkomst en onder het gezag van het Algemeen Beheerscomité;]40
2° oefent het hoog gezag uit over al het personeel en is in het bijzonder belast met de handhaving van de tucht en de orde;
3° oefent de dagelijkse beheersbevoegdheden uit die zijn omschreven in het huishoudelijk reglement;
4° coördineert de opstelling van de begrotingen en ziet toe op de uitvoering ervan;
5° coördineert de activiteiten van de directies en diensten;
6° voert de opdrachten en taken uit die hem door het Algemeen Beheerscomité worden gedelegeerd.
Art. 11.
[De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal werken een billijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheden uit; deze verdeling wordt ter goedkeuring aan het Verenigd College voorgelegd.
De adjunct-directeur-generaal oefent bovendien de in artikel 10 bepaalde opdrachten en taken van de directeur-generaal uit, wanneer deze afwezig of verhinderd is.]41
Art. 12.
[De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal kunnen, binnen de beperkingen van hun bevoegdheden bedoeld in dit besluit, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen.]42
De delegaties worden ter kennis van de personeelsleden gebracht.
HOOFDSTUK III. - Directieraad
Art. 13.
Binnen de Dienst is er een [Directieraad]32. Deze bestaat uit de [directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal]43 en de ambtenaren van rang A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door het Algemeen Beheerscomité.
Art. 14.
Behalve de bevoegdheid die dit statuut hem met name toekent, neemt de [Directieraad]32kennis van alle vraagstukken met algemene strekking die verband houden met de toepassing van de statutaire regels. Hij oefent onder meer het hoog gezag uit over het verloop van de loopbaan van de ambtenaren.
Bovendien beraadslaagt de [Directieraad]32 over de algemene werking en de organisatie van de Dienst; hij kan ook beraadslagen over bevoegdheidsgeschillen binnen de Dienst.
Elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de Dienst kan bij de [Directieraad]32 door één van zijn leden worden aanhangig gemaakt.
De [Directieraad]32 wordt geraadpleegd voor de specifieke uitvoeringsmaatregelen van het statuut.
Elk voorstel of elke individuele beslissing, door de [Directieraad]32 genomen ten opzichte van een personeelslid, gebeurt bij geheime stemming. [...]44
[Er is minstens een lid van de Directieraad van dezelfde taalrol als de ambtenaar of stagiair aanwezig. Er is ook steeds:
- ofwel een wettelijk tweetalig lid van de Directieraad aanwezig;
- ofwel een wettelijk tweetalig persoon ter ondersteuning van de Directieraad aanwezig.]44
Art. 15.
[De Directieraad wordt voorgezeten door de directeur-generaal.]45
[Indien de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal verhinderd zijn, wordt de Directieraad voorgezeten door het personeelslid van de Dienst dat overeenkomstig artikel 17 van de Ordonnantie door het Algemeen Beheerscomité is aangewezen.]45
Een secretaris wordt aangeduid onder zijn leden.
De [Directieraad]32 stelt zijn reglement van inwendige orde op dat ten minste de frequentie van de vergaderingen, het vereiste aanwezigheidsquorum en de, voor de geldigheid van zijn beslissingen, vereiste meerderheid vastlegt. Dit wordt door het Algemeen Beheerscomité goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
HOOFDSTUK IV. - Raad van beroep
Art. 16.
[§ 1 De gezamenlijke raad van beroep van de Diensten van het Verenigd College en van de instellingen van openbaar nut van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, opgericht en georganiseerd bij de artikelen 18 tot 22/4 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, die bevoegd is voor de beroepen inzake stage, evaluatie, proefperiode, verlof, afwezigheden, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst, schorsing in het belang van de dienst en tuchtregeling, is ten opzichte van het personeel van de Dienst in deze zaken bevoegd.]46
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk begrijpt men onder de woorden "het besluit van het Verenigd College", het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad.
§ 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk begrijp men onder de woorden "huidige tekst", dit besluit.
§ 4. [De regels bedoeld in de artikelen 18 tot en met 22/4 van het besluit van het Verenigd College worden voor de toepassing op de personeelsleden van de Dienst aangepast zoals aangegeven in de artikelen 17 tot en met 21/3 van onderhavige tekst.]46
Art. 17.
[In artikel 19, § 5, van het besluit van het Verenigd College:
1° moeten de woorden "zoals voorzien in artikel 18, § 3, 2°" gelezen worden als volgt:
"zoals voorzien in artikel 18, § 3, 2°, van het besluit van het Verenigd College";
2° moeten de woorden "zoals voorzien in artikel 18, § 3, 3°" gelezen worden als volgt:
"zoals voorzien in artikel 18, § 3, 3°, van het besluit van het Verenigd College".]47
Art. 18.
[In artikel 20 van het besluit van het Verenigd College:
1° moeten, in het eerste lid, de woorden "In de in artikel 66/9, § 3 bedoelde gevallen" gelezen worden als volgt:
"In de in artikel 85, § 2, van onderhavige tekst bedoelde gevallen";
2° moeten, in het tweede lid, 1°, de woorden "met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikel 66/3." gelezen worden als volgt:
"met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikel 79 van onderhavige tekst bedoelde gevallen".".
3° moeten, in het tweede lid, 1° de woorden "Artikel 66/9 is van toepassing" gelezen worden als volgt:
"Artikel 85 van onderhavige tekst is van toepassing"".
3° in het derde lid moeten de woorden "binnen de termijn voorzien in artikel 19, § 7" gelezen worden als volgt:
"binnen de termijn voorzien in artikel 19, § 7, van het besluit van het Verenigd College".]1 48
Art. 19.
[In artikel 21 van het besluit van het Verenigd College:
1° moeten, in het eerste lid, de woorden "in artikel 80 bedoelde" gelezen worden als volgt:
"in artikel 101 van onderhavige tekst bedoelde";
2° moeten, in het eerste lid, de woorden "voorzien in artikel 19, § 7" gelezen worden als volgt:
"voorzien in artikel 19, § 7, van het besluit van het Verenigd College";
3° moeten, in het eerste lid, de woorden "in artikel 78, § 2, eerste lid, voorziene" gelezen worden als volgt:
"in artikel 100, § 2, eerste lid, van onderhavige tekst voorziene";
4° in het tweede lid moeten de woorden "Onverminderd artikel 19, § 4" gelezen worden als volgt:
"Onverminderd artikel 19, § 4, van het besluit van het Verenigd College".]49
Art. 20.
[In artikel 21/1 van het besluit van het Verenigd College:
1° moeten, in het eerste lid, de woorden "in artikel 96/1, zevende lid" gelezen worden als volgt:
"in artikel 122, zevende lid, van onderhavige tekst".
2°moeten, in het tweede lid, de woorden "in artikel 19, § 7" gelezen worden als volgt:
"in artikel 19, § 7, van het besluit van het Verenigd College".]2 50
Art. 21.
[In artikel 22 van het besluit van het Verenigd College:
1° moeten, in het eerste lid, de woorden "in de artikelen 164, eerste en tweede lid, en 213, eerste lid, bedoelde" gelezen worden als volgt:
"in de artikelen 191, eerste en tweede lid, en 249, eerste lid, van onderhavige tekst bedoelde".
2° moeten, in het tweede lid, de woorden "in artikel 19 § 7 voorziene" gelezen worden als volgt:
"in artikel 19, § 7, van het besluit van het Verenigd College voorziene".]51
[Art. 21/1.
In artikel 22/1 van het besluit van het Verenigd College:
1° moeten, in § 1, de woorden "bedoeld in artikel 133" telkens gelezen worden als volgt:
"bedoeld in artikel 169 van onderhavige tekst";
2° moeten, in §§ 1 en 2, de woorden "in artikel 22/3 bedoelde" telkens gelezen worden als volgt:
"in artikel 22/3 van het besluit van het Verenigd College bedoelde";
3° moeten, in § 2, de woorden "bedoeld in artikel 152, § 1" telkens gelezen worden als volgt:
"bedoeld in artikel 179, § 1, van onderhavige tekst".]52
[Art. 21/2.
In artikel 22/3, laatste lid, van het besluit van het Verenigd College moeten de woorden "artikel 18, § 3, 1°" gelezen worden als volgt:
"artikel 18, § 3, 1°, van het besluit van het Verenigd College".]53
[Art. 21/3.
In artikel 22/4 van het besluit van het Verenigd College moeten de woorden "voorzien in artikel 19, § 7" gelezen worden als volgt:
"voorzien in artikel 19, § 7, van het besluit van het Verenigd College."]54
HOOFDSTUK V. - Werktijdregeling
Art. 22.
De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur wordt op achtendertig uur maximum vastgesteld, gespreid over vijf werkdagen, wat een dagelijkse uurregeling van gemiddeld zeven uur en zesendertig minuten betekent.
In afwijking van het vorige lid, kan het arbeidsreglement voor specifieke werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling bepalen.
De dagelijkse uurregeling wordt in glij- en stamtijden verdeeld.
De toepassingsmodaliteiten van dit artikel worden door het arbeidsreglement van de Dienst vastgesteld.
Deze bepalingen zijn van toepassing op de stagiairs.
Art. 22/1.
[§ 1. Onverminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen die voorzien in een recht op aanpassing van de bestaande arbeidsregeling of in het kader van andere wettelijke of reglementaire bepalingen die voorzien in een dergelijke aanpassing, heeft de ambtenaar het recht om voor een onafgebroken periode van maximum twaalf maanden een flexibele werkregeling aan te vragen voor zorgdoeleinden, [op voorwaarde dat de ambtenaar op de dag dat hij zijn verzoek indient gedurende ten minste twaalf maanden in dienst is bij de Dienst en gedurende ten minste zes maanden in dienstactiviteit is geweest van de twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek]55, volgens de modaliteiten hierna.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° flexibele werkregeling: een aanpassing van het bestaande werkpatroon van de ambtenaar, die kan worden verwezenlijkt door middel van een [aanpassing, hetzij van de werktijdregeling, hetzij van het uurrooster, hetzij van de werktijdregeling en het uurrooster]55. Voor de deeltijdse prestaties gebeurt de berekening van de bezoldiging naar rato van de verrichte prestaties, als onderdeel van een flexibele werkregeling;
2° zorgdoeleinden :
a) de zorg voor zijn kind vanaf de geboorte of, in het kader van de adoptie van een kind, vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft, en dit tot het kind twaalf jaar wordt;
b) het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een welbepaald gezinslid of familielid dat om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun;
[3° gezinslid: elke persoon die samenwoont met de ambtenaar krachtens een attest van gezinssamenstelling ten vroegste opgesteld op de 10e werkdag voorafgaand aan de indiening van het verzoek om een flexibele werkregeling;]55
4° familielid: de echtgenoot van de ambtenaar of de persoon met wie de ambtenaar wettelijk samenwoont, in de zin van de artikelen 1475 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek, alsook de bloedverwanten in de eerste graad van de ambtenaar;
5° een ernstige medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun : elke gezondheidstoestand, al dan niet het gevolg van een ziekte of medische ingreep, die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat er een behoefte is aan aanzienlijke zorg of steun. Dit betreft elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of zorg.
[6° de verantwoordelijke:
a) de directeur-diensthoofd van de directie waarvan de ambtenaar afhangt die de aanvraag indient, indien deze geen mandaathouder is;
Indien deze directie geen ambtenaar met een graad van deze rang telt of indien de betrokken dienst geen deel uitmaakt van een directie, moet de ambtenaar met de hoogste rang binnen deze laatste als verantwoordelijke worden beschouwd.
Indien, in het kader van de toepassing van het voorgaande lid, meerdere ambtenaren een gelijkwaardige rang hebben, wordt de ambtenaar die onder hen als de hiërarchische meerdere wordt beschouwd, als verantwoordelijke beschouwd.
b) de directeur-generaal van de Dienst, indien de aanvrager een mandaathouder met een graad van rang A4 of A4+ is;
In geval van afwezigheid of van verhindering van de directeur-generaal van de Dienst moet de Minister worden beschouwd als de verantwoordelijke van de mandaathouder die de aanvraag indient voor de behandeling van de ingediende aanvraag.
c) de Minister, indien de aanvrager de directeur-generaal van de Dienst is.]55
[...]55
[...]55
De leeftijdsgrens bepaald in het tweede lid, 2°, a) wordt vastgesteld op 21 jaar wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van deze regelgeving.
Aan de voorwaarde betreffende de leeftijd van het kind moet zijn voldaan uiterlijk gedurende de aangevraagde periode, overeenkomstig deze paragraaf.
§ 2. De ambtenaar maakt gebruik van het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen voor het doel waarvoor het is ingesteld. Hij onthoudt zich van elk misbruik ervan.
§ 3. De ambtenaar die een flexibele werkregeling wenst te bekomen, bezorgt [het HRM]55 hiertoe minstens twee maanden vooraf een schriftelijke aanvraag. Deze termijn kan door de HRM worden ingekort op verzoek van de ambtenaar en als zijn functionele chef en de verantwoordelijke hiermee akkoord gaan.
De aanvraag gebeurt hetzij door de overhandiging van een geschrift aan [het HRM]55 waarbij deze laatste een duplicaat tekent als bericht van ontvangst, hetzij door middel van een aangetekend schrijven, hetzij op elektronische wijze mits ontvangstbevestiging van het bericht van [het HRM]55.
Uit de aanvraag moet blijken dat de ambtenaar zich beroept op het recht om flexibele werkregelingen aan te vragen.
De aanvraag bevat minstens de volgende elementen:
1° de gewenste flexibele werkregeling;
2° de begin- en einddatum van de onafgebroken periode waarvoor de flexibele werkregeling wordt gevraagd en die niet meer dan twaalf maanden kan omvatten;
3° het zorgdoeleinde waarvoor de flexibele werkregeling wordt gevraagd, met inbegrip van de identiteit van de persoon ten behoeve van wie de flexibele werkregeling wordt aangevraagd. De identiteit van betrokkene betreft zijn naam, voornaam en eventuele andere gegevens waarmee kan worden vastgesteld dat de ambtenaar ten aanzien van deze persoon voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een flexibele werkregeling;
4° een medische attest, in de gevallen bepaald in paragraaf 6.
[5° een attest van gezinssamenstelling ten vroegste opgesteld op de 10e werkdag voorafgaand aan de indiening van het verzoek om een flexibele werkregeling, indien dit gevraagd wordt voor zorgdoeleinden voor een gezinslid van de ambtenaar.]55
[het HRM]55 controleert of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Indien dit het geval is, stuurt hij het verzoek door naar de verantwoordelijke, eventueel voorzien van opmerkingen en relevante informatie voor de verantwoordelijke.
§ 4. De verantwoordelijke overlegt met de functionele chef van de verzoekende ambtenaar over het ingediende verzoek. Deze meldt dit binnen vijf werkdagen schriftelijk aan de verantwoordelijke. Bij ontstentenis van een advies binnen deze termijn wordt dit advies geacht positief te staan tegenover het door de ambtenaar ingediende verzoek.
De verantwoordelijke beoordeelt deze aanvraag en geeft er een gevolg aan, rekening houdend met het advies van de functionele chef, de noden van de dienst, van de instelling en van de ambtenaar. Hij stelt de ambtenaar in kennis binnen de maand volgend op de aanvraag.
Indien de functionele chef van de ambtenaar voldoet aan de voorwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 6°, van dit artikel om in het kader van deze procedure als verantwoordelijke te worden beschouwd, is geen overleg of adviesverlening vereist.
Indien de verzoekende ambtenaar voldoet aan de voorwaarden vermeld in § 1, [tweede lid, 6°,a)]55 van dit artikel om in het kader van deze procedure als verantwoordelijke te worden beschouwd, voert de [directeur-generaal]55 van de Dienst dit laatste uit als verantwoordelijke. Naar analogie geeft de adjunct-leidend ambtenaar vervolgens een advies over het ingediende verzoek, volgens de in het eerste lid uiteengezette modaliteiten met betrekking tot de functionele chef van de verzoekende ambtenaar.
[In afwijking hiervan voert de directeur-generaal van de Dienst, indien de aanvrager een ambtenaar met een graad van rang A4 is, als verantwoordelijke de procedure uit. De adjunct-directeur-generaal van de Dienst geeft vervolgens een advies over het ingediende verzoek, volgens de in het eerste lid uiteengezette modaliteiten met betrekking tot de functionele chef van de verzoekende ambtenaar.
In afwijking hiervan voert de directeur-generaal van de Dienst, indien de ambtenaar die het verzoek indient de adjunct-directeur-generaal is, als verantwoordelijke de procedure uit, zonder dat overleg of het uitbrengen van een advies vereist is.
In afwijking hiervan voert de Minister, indien de ambtenaar die het verzoek indient de directeur-generaal van de Dienst is, als verantwoordelijke de procedure uit, zonder dat overleg of het uitbrengen van een advies vereist is.]55
§ 5. De verantwoordelijke kan de aanvraag inwilligen, weigeren of een met redenen omkleed tegenvoorstel doen bestaande uit een andere flexibele werkregeling of periode die beter aansluit bij de noden van de dienst en/of de instelling. Het uitblijven van een antwoord binnen de termijn voorzien in paragraaf 4, tweede lid wordt gelijkgesteld met een akkoord.
Indien de verantwoordelijke het verzoek afwijst, bevat zijn schriftelijke reactie een omstandige motivering van deze beslissing. In dit verband geeft hij met name aan hoe hij bij de behandeling van het verzoek rekening heeft gehouden met de behoeften van de dienst, de instelling en die van de ambtenaar.
Het tegenvoorstel, waaruit een akkoord tussen partijen voortvloeit, die een aanpassing inhoudt van de bestaande arbeidsregeling van de ambtenaar, vormt een flexibele werkregeling in de zin van dit artikel, ongeacht wanneer dit schriftelijk akkoord wordt gesloten.
Indien het verzoek wordt afgewezen, of indien het tegenvoorstel door de ambtenaar wordt afgewezen, kan hij de zaak voorleggen aan de [Directieraad]32, zodat deze over zijn verzoek kan beslissen. De ambtenaar brengt de voorzitter van de [Directieraad]32 per aangetekende brief, met ontvangstbewijs, op de hoogte binnen een termijn van 14 dagen na de kennisgeving van de weigering van het verzoek of van de mededeling door de ambtenaar van zijn beslissing om het tegenvoorstel bij aangetekende brief, met ontvangstbevestiging, van de verantwoordelijke te weigeren.
De ambtenaar die een tegenvoorstel van zijn leidinggevende ontvangt, stuurt zijn antwoord per aangetekende brief ter attentie van zijn verantwoordelijke, met ontvangstbevestiging, binnen de 15 werkdagen na de kennisgeving van het tegenvoorstel. De Directieraad beslist binnen veertien dagen vanaf de derde dag die volgt op de verzending van het verzoek per aangetekende brief.
[In afwijking van het vierde en vijfde lid is, indien de betrokken ambtenaar een mandaathouder is met een graad van rang A4 of A4+, de Minister als enige bevoegd om beroepen te behandelen, onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn bepaald in het vierde en vijfde lid betreffende de Directieraad.
In afwijking van het vierde en vijfde lid is, indien de betrokken ambtenaar de directeur-generaal van de Dienst is, het Verenigd College als enige bevoegd om beroepen te behandelen, onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn bepaald in het vierde en vijfde lid betreffende de Directieraad.]55
§ 6. De ambtenaar verstrekt, als bijlage bij het verzoek aan de HRM, de documenten die de zorgdoeleinden staven.
Ingeval de aanvraag is ingediend met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een welbepaald gezinslid of familielid dat om een medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun wordt het bewijs hiervan geleverd aan de hand van een attest dat ten vroegste 12 maanden voor de aanvraag is afgeleverd door de behandelend arts van het betrokken gezinslid of familielid en waaruit blijkt dat dit gezinslid of familielid om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun.
Dit attest mag de medische reden zelf niet vermelden.
§ 7. [De ambtenaar heeft het recht om de flexibele werkregeling vroegtijdig te beëindigen om terug te keren naar zijn oorspronkelijke werkregeling, mits de verantwoordelijke hiermee instemt.]55
Deze termijn kan worden ingekort door de verantwoordelijke op verzoek van de ambtenaar en als zijn functionele chef hiermee akkoord gaat.
§ 8. De ambtenaar heeft het recht om aan het einde van de flexibele werkregeling zonder te respecteren termijn terug te keren naar zijn of haar oorspronkelijke werkregeling. Er kan hem geen reden worden gegeven om zijn terugkeer naar de oorspronkelijk overeengekomen werkregeling te weigeren of uit te stellen, nadat de periode waarop de flexibele werkregeling betrekking heeft, is verstreken.
§ 9. De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op de stagiairs.]3
HOOFDSTUK VI. - De selectiecommissies en de evaluatiecommissie
Art. 23.
Met het oog op de toekenning van de mandaatbetrekkingen worden er hiertoe selectiecommissies opgericht. De selectiecommissies worden samengesteld in functie van de te begeven mandaatbetrekkingen en bestaan elk uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden.
Het Verenigd College wijst op de voordracht van de Minister, de leden van een selectiecommissie aan telkens als een mandaatbetrekking vacant wordt verklaard en duidt één onder hen aan als voorzitter. De leden van de selectiecommissies beschikken over expertise met betrekking tot de materies die ressorteren onder de te begeven mandaatbetrekking en/of met betrekking tot overheidsmanagement. De aanstelling van de leden van een selectiecommissie is beperkt tot de selectieprocedure waarvoor zij zijn aangesteld.
Ten hoogste twee derden van de leden van een selectiecommissie behoort tot hetzelfde geslacht.
[Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van beide taalrollen, dient de selectiecommissie te bestaan uit vertegenwoordigers van de beide taalrollen. Daarnaast dient een lid van de selectiecommissie wettelijk tweetalig te zijn.]56
De Minister, voor het geheel van de selectiecommissies, duidt twee effectieve en twee plaatsvervangende secretarissen aan die tot een verschillende taalrol behoren.
Het Verenigd College, op de voordracht van de Minister, stelt het huishoudelijk reglement van de selectiecommissies op en bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitter en de leden van de selectiecommissies.
Het Verenigd College kan, op de voordracht van de Minister, een extern selectie- en assessmentbureau aanstellen dat de selectiecommissie ondersteunt in zijn werkzaamheden.
Art. 24.
Niemand kan worden aangeduid tot lid van een selectiecommissie die in welke hoedanigheid dan ook belang heeft bij de desbetreffende selectieprocedure.
De leden van de selectiecommissies[, de secretarissen, de eventueel aanwezige vakbondswaarnemers en iedereen die aanwezig is gedurende de werkzaamheden van de selectiecommissie]57 zijn gebonden tot geheimhouding omtrent de beraadslagingen en besluiten alsmede aangaande elke inlichting waarvan zij kennis zouden hebben gekregen bij het uitvoeren van hun opdracht.
Art. 25.
Met het oog op de evaluatie van de mandaathouders bedoeld in artikel 105 wordt er een evaluatiecommissie opgericht. De evaluatiecommissie bestaat uit zeven leden die beschikken over expertise met betrekking tot overheidsmanagement en die niet behoren tot Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of tot de Dienst.
Het Verenigd College, wijst op voordracht van de Minister, de leden van de evaluatiecommissie aan alsook de voorzitter onder hen. Het Verenigd College wijst eveneens op de voordracht van de Minister, vier plaatsvervangende leden aan die beantwoorden aan dezelfde criteria als de effectieve leden. Wanneer één van de leden afwezig of verhinderd is, wijst de voorzitter het plaatsvervangend lid aan dat hem zal vervangen. Wanneer de voorzitter afwezig is, komt het voorzitterschap toe aan het oudste effectieve lid.
De leden worden aangesteld voor een periode van vijf jaar. Hun aanstelling is hernieuwbaar.
Ten hoogste twee derden van de leden van de evaluatiecommissie behoort tot hetzelfde geslacht.
De Minister duidt twee effectieve en twee plaatsvervangende secretarissen aan van verschillende taalrol om de evaluatiecommissie bij te staan.
[De evaluatiecommissie dient te bestaan uit vertegenwoordigers van de beide taalrollen. Daarnaast dient een lid van de evaluatiecommissie wettelijk tweetalig te zijn.]58
Het Verenigd College, op de voordracht van de Minister, stelt het huishoudelijk reglement van de evaluatiecommissie op.
De evaluatiecommissie vervult de opdrachten die haar worden toegewezen door dit besluit. Het Verenigd College kan haar bijkomende bevoegdheden toewijzen.
De leden van de evaluatiecommissie die in welke hoedanigheid dan ook bij een door de commissie onderzocht dossier betrokken zijn, onthouden zich van zitting.
[Art. 25/1.
De leden van de evaluatiecommissie, de secretarissen en iedereen die aanwezig is gedurende de werkzaamheden van de evaluatiecommissie zijn gebonden tot geheimhouding omtrent de beraadslagingen en besluiten alsmede aangaande alle informatie waarvan zij kennis houden hebben gekregen bij de uitvoering van hun opdracht.]59
TITEL II. - Rechten en plichten
Art. 26.
De ambtenaren oefenen hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van hun hiërarchische meerderen.
Zij dienen daartoe :
1° de van kracht zijnde wetten, ordonnanties en reglementeringen alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe zij behoren na te leven;
2° nauwgezet en correct hun adviezen te formuleren en hun verslagen op te stellen;
3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren.
Art. 27.
De ambtenaren hebben het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door hun hiërarchische meerderen als door hun collega's en hun ondergeschikten.
Zij dienen hun collega's, hiërarchische meerderen en ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Zij vermijden elk woord, houding en voorkomen die deze waardigheid en hoffelijkheid in het gedrang zouden kunnen brengen of de goede werking van de dienst zouden kunnen schaden.
Art. 28.
Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, stellen de ambtenaren hun hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan zij kennis hebben.
Art. 29.
De ambtenaren behandelen de gebruikers van hun dienst welwillend en zonder enige discriminatie. In de wijze waarop zij de vragen van de gebruikers beantwoorden of waarop zij de dossiers behandelen, eerbiedigen zij op een strikte wijze de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, ordonnanties, reglementeringen en richtlijnen.
Art. 30.
Buiten de uitoefening van hun ambt vermijden de ambtenaren elke handelwijze die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten. Zij vermijden evenzeer elke toestand waarbij zij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zouden kunnen worden gebracht met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van hun ambt.
Zelfs buiten hun ambt doch ter oorzake ervan, mogen de ambtenaren rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt.
Art. 31.
De ambtenaren plaatsen zich niet en laten zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin zij door henzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel hebben dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van hun ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed.
Wanneer ambtenaren van oordeel zijn dat zij een belangenconflict hebben of vrezen te hebben, brengen zij hun hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hen hiervan schriftelijk akte.
In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen.
De ambtenaren kunnen schriftelijk om het advies van de voorzitter van de [Directieraad]32 vragen over een toestand waarin zij zich bevinden, dit om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict.
Art. 32.
De ambtenaren hebben het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt.
Het is hun enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privé-leven. Dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen.
De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd.
Art. 33.
De ambtenaren hebben recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling.
Art. 34.
De ambtenaren houden zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en opzoekingen in de materies waarmee ze beroepshalve belast zijn.
De ambtenaar heeft recht op opleiding die nuttig is voor zijn functioneren binnen de Dienst. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan.
Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit.
Art. 35.
Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen.
Art. 36.
Elke overtreding van de artikelen 26 tot 32 wordt, naargelang [de ernst van het geval]60, bestraft met een van de tuchtstraffen voorzien in artikel 157, onverminderd de toepassing van de strafwetten.
Art. 37.
De bepalingen van deze Titel zijn van toepassing op de stagiairs.
TITEL III. - Onverenigbaarheden
Art. 38.
Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke bezigheid die, hetzij door de ambtenaar zelf, hetzij door een tussenpersoon verricht wordt, en die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt in strijd is.
Art. 39.
§ 1. De cumulatie van beroepsactiviteiten is verboden tenzij er toestemming voor werd gegeven.
Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid die een belastbaar beroepsinkomen verschaft en die niet inherent is aan de uitoefening van het ambt.
Inherent aan het ambt is elke opdracht die, overeenkomstig een wettelijke of reglementaire bepaling, verbonden is aan het ambt of waarvoor de ambtenaar door de overheid waaronder hij ressorteert, wordt aangewezen.
§ 2. Een politiek mandaat wordt niet als een beroepsactiviteit beschouwd.
De verkozen ambtenaar verwittigt hiervan de [directeur-generaal]61.
De uitoefening van een mandaat bedoeld in artikel 133 is onverenigbaar met een politiek mandaat.
Art. 40.
[§ 1. Van deze titel kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende en op verslag van de Directieraad, worden afgeweken door het Algemeen Beheerscomité.]62
[§ 2. Indien de belanghebbende een mandaathouder is, kan de Minister, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, afwijkingen op deze titel verlenen.]62
De door een mandaathouder gevraagde afwijking om een politiek mandaat uit te oefenen, kan maar betrekking hebben op een [...]62 politiek mandaat bedoeld in artikel 215.
[De mandaathouder kan geen toelating verkrijgen om een functie van bestuurder uit te oefenen in een beheersorgaan van een publiek- of privaatrechtelijke vennootschap of van een vereniging zonder winstoogmerk waarvan het maatschappelijk doel onder de bevoegdheid valt van de uitgeoefende mandaatfunctie.]62
Art. 41.
[§ 1. Het in artikel 40 bedoelde schriftelijk verzoek wordt bij de functionele chef ingediend, door middel van een modelformulier dat door het HRM wordt verstrekt. De functionele chef geeft een gemotiveerd advies.
De verzoeker wordt in kennis gesteld van de beslissing van het Algemeen Beheerscomité.
§ 2. Indien de belanghebbende een mandaathouder is, moet het schriftelijk verzoek zoals bedoeld in artikel 40 ingediend worden bij de Minister.
De verzoeker wordt in kennis gesteld van de beslissing van de Minister.]63
[Art. 41/1.
§ 1. De in artikel 39 bedoelde toestemming kan worden ingetrokken.
§ 2. De toestemming tot cumulatie wordt ambtshalve opgeschort wanneer de ambtenaar afwezig is wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, wanneer hij in disponibiliteit is wegens uitputting van zijn ziektekapitaal of werkt volgens het stelsel van de verminderde prestaties wegens medische redenen.
Indien de arbeidsgeneesheer oordeelt dat de beroepsactiviteit waarvoor cumulatie werd verleend kan bijdragen tot het genezingsproces, vindt geen opschorting van de toestemming tot cumulatie plaats.]64
Art. 42.
De bepalingen van deze Titel gelden eveneens voor de stagiairs.
TITEL IV. - Werving, de stage en de benoeming
HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie
Afdeling I. - Algemene bepaling
Art. 43.
[Voor rekrutering sluiten de directeur-generaal en de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning en/of de directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Openbaar Ambt een samenwerkingsprotocol af met de Dienst.
De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning en/of de directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Openbaar Ambt organiseren de selecties en spelen een beslissende rol in de manier waarop ze worden uitgevoerd.]65
Afdeling 2. - De benoemings-, toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden
Art. 44.
Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden :
1° voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;
2° slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;
3° met goed gevolg de stage volbrengen.
Art. 45.
Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvoorwaarden :
1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;
2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
[4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, houder zijn van een getuigschrift van vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit, of houder zijn van een instapkaart bekomen ten gevolge van proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaan of de kandidaat beschikt over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachtens zijn diploma('s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken.]66
Art. 46.
Voor bepaalde selecties kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden :
1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot het ambt waarvoor de selectie georganiseerd wordt;
2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;
3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden; in welk geval zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen, ook tot dat wervingsexamen worden toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen;
4° behalve de in artikel 45, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen ambten dit toelaten :
a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;
b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;
5° voor de selectie van bepaalde functies van niveau D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;
6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C, de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 45, 4°.
7° medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt, indien de aard van het ambt dit vereist;
8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt.
Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies
Art. 47.
Op voorstel van [het HRM]67 kiest de [directeur-generaal]67 één of meerdere van de volgende mogelijkheden, en de rangschikking waarbinnen ze worden georganiseerd :
1° overplaatsing zoals bepaald in artikel 150;
2° externe mutatie zoals bepaald in artikel 151;
3° mobiliteit zoals bepaald in artikel 130;
4° [bevordering door] overgang 67 tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 118 en volgende;
5° aanwerving.
Art. 48.
De vergelijkende selectieproeven worden georganiseerd voor de werving [in de graden van de rangen A1, A2, A2-deskundige, B1]68, C1 en D1.
Worden als wervingsgraden beschouwd :
1° in niveau A,
a) [rang A2-deskundige]68 : eerste attaché-deskundige, eerste ingenieur deskundige, eerste geneesheer deskundige;
[b) rang A2: eerste attaché;]68
[c) rang A1: geneesheer, ingenieur, attaché;]68
2° in niveau B, rang B1 : assistent;
3° in niveau C, rang C1 : adjunct;
4° in niveau D, rang D1 : klerk.
[Art. 48/1.
§ 1. Onverminderd enige andere toelatingsvoorwaarde dient de kandidaat, om toegelaten te worden tot een selectie van eerste attaché, te beschikken over drie jaar nuttige ervaring in voltijdsequivalenten in één of meerdere functie(s) overeenkomend met een functie van niveau A.
§ 2. Onverminderd enige andere toelatingsvoorwaarde dient de kandidaat, om toegelaten te worden tot een selectie van eerste attaché-deskundige, te beschikken over:
- zes jaar nuttige ervaring in voltijdsequivalenten in één of meerdere functie(s) overeenkomend met een functie van niveau A;
- en indien hij tevens een team dient te leiden, drie jaar nuttige leidinggevende ervaring in voltijdsequivalenten in één of verschillende functie(s).]69
[Art. 48/2.
De vergelijkende selectie wordt georganiseerd volgens een systeem dat, naar vorm en inhoud, de nodige waarborgen biedt inzake gelijke behandeling, verbod van willekeur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid.]70
[Art. 48/3.
Voorafgaand aan de vergelijkende selectie wordt een functiebeschrijving opgesteld. De Directieraad legt de functiebeschrijvingen vast, op voorstel van de directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal en het HRM.
De vereiste kwalificaties worden aan iedere functiebeschrijving toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan, het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen.]71
Art. 49.
[§ 1. Elke vacature wordt minstens gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en op de website van de Dienst en preciseert de uiterste termijn voor indiening van de kandidaatstellingen.
§ 2. Er wordt een selectiereglement opgesteld door de verantwoordelijke van het HRM, waarin de modaliteiten betreffende de selectieprocedure worden vastgesteld.
Bij zijn afwezigheid wordt het opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaar van het HRM van niveau A in dienstactiviteit met de hoogste rang. meerdere ambtenaren een gelijkwaardige rang hebben, ligt deze verantwoordelijkheid bij degene met de hoogste graadanciënniteit.
Het selectiereglement wordt als bijlage bij de gepubliceerde vacature gevoegd. Het selectiereglement bepaalt minstens:
- voor zover de aard van de betrekking het vereist, de bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden, zoals omschreven in artikel 46;
- elk voor de toegang tot de selectieprocedure vereist diploma, studiegetuigschrift, ervaringsbewijs of toegangsbewijs;
- de datum waarop aan de voorwaarden voldaan moet zijn;
- de soort, het aantal en de modaliteiten van de proeven;
- het aantal punten dat aan de volledige selectie, aan iedere proef en desgevallend aan de onderdelen ervan wordt toegekend;
- het maximale aantal laureaten.
Het selectiereglement regelt desgevallend ook:
- een mogelijke voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
- de regels voor de rangschikking;
- de geldigheidsduur van de wervingsreserve;
- het verlies en het behoud van een plaats in de reserve;
- de mogelijkheid om een bijkomende proef te organiseren voor de invulling van een bijkomende vacature voor een vergelijkbare betrekking.]72
Art. 50.
[§ 1. De selectiecommissie bestaat uit:
1° de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of desgevallend de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Openbaar Ambt of zijn afgevaardigde, voorzitter;
2° op voorstel van de directeur-generaal, ten minste twee bijzitters gekozen onder de personeelsleden van de Dienst, die ten minste dezelfde rang hebben als de te vervullen functie en die beschikken over de kwalificaties of de beroepservaring die relevant is voor de functiebeschrijving van de te vervullen functie, of onder externe personen die op grond van hun ervaring bijzonder gekwalificeerd zijn.
In afwijking van de bepaling onder 2° mag, indien de selectie betrekking heeft op een te vervullen betrekking in niveau A, ten minste één van de bijzitters niet in dienst zijn bij de Dienst.
3° ten minste één plaatsvervanger voor elk lid van de selectiecommissie. De plaatsvervangers wonen alle hoorzittingen met de kandidaten en de beraadslagingen van de selectiecommissie bij;
4° desgevallend, de ambtenaar die de hiërarchische meerdere zal zijn van de persoon die de vacante betrekking zal bekleden.
§ 2. Een toelage wordt toegekend aan de leden van de selectiecommissie als ze geen personeelsleden van de Dienst of de Diensten van het Verenigd College zijn.
Deze toelage bedraagt 25 EUR per vergadering van de selectiecommissie, zonder dat de 30 vergaderingen die aanleiding geven tot deze toelage per jaar mogen overschreden worden.
Deze toelage is onderworpen aan de gezondheidsindex van september 2017 en volgt de evolutie van die gezondheidsindex, in overeenstemming met de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
§ 3. De voorzitter van de selectiecommissie zorgt ervoor dat het aantal vergaderingen beperkt blijft tot wat strikt noodzakelijk is voor het goede verloop van de betreffende selecties.
§ 4. De leden van de selectiecommissie, de eventuele waarnemers van de vakbonden en eenieder die aanwezig is gedurende de werkzaamheden van de selectiecommissie zijn gehouden tot een geheimhoudingsplicht omtrent de beraadslagingen en beslissingen alsmede aangaande elke inlichting waarvan zij kennis zouden hebben gekregen bij de uitvoering van hun opdracht.]73
[Afdeling 3bis. — De rangschikking van de laureaten]74
[Art. 50/1.
De laureaten van de selectieprocedure worden door de selectiecommissie gerangschikt.
De benoemde overheid is gehouden door de rangschikking van de laureaten.]74
Afdeling 4. [...]75
Art. 51.
[...]75
Art. 52.
[...]75
Afdeling 5. [...]75
Onderafdeling 1. [...]75
Art. 53.
[...]75
Onderafdeling 2. [...]75
Art. 54.
[...]75
Onderafdeling 3. [...]75
Art. 55.
[...]75
Art. 56.
[...]75
Onderafdeling 4. [...]75
Art. 57.
[...]75
Art. 58.
[...]75
Art. 59.
[...]75
Art. 60.
[...]75
[Afdeling 4. — Over de samenstelling en de raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserves van de andere overheden]76
Art. 61.
§ 1. De laureaten van de [selectieprocedure]77 worden opgenomen in een wervingsreserve.
[...]77
§ 2. De geldigheidsduur van een wervingsreserve bedraagt [één]77 jaar.
[De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]77 , op vraag van de [directeur-generaal]77, kan de geldigheidsduur van de wervingsreserve verlengen die op zijn initiatief werd samengesteld, telkens voor een periode van maximaal één jaar.
§ 3. [...]77
Art. 62.
[De directeur-generaal kan voor een aanwerving, een beroep doen op de wervingsreserves samengesteld overeenkomstig artikel 61 of die het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning en/of de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Openbaar Ambt voor zichzelf of een andere overheid heeft samengesteld en onder een andere overheid vallen, op voorwaarde dat deze overheid daarvoor toestemming verleend. Er kan toepassing gemaakt worden van aanvullende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 46.
Naargelang het geval kan de directeur-generaal, in overleg met de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of de directeur-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Openbaar Ambt, beslissen een aanvullende selectieproef te organiseren.]78
Art. 63.
[De directeur-generaal en de directeur-generaal van de Diensten van het Verenigd College kunnen]79 een andere instelling toestaan de wervingsreserve te consulteren.
[Afdeling 5. — Modaliteiten voor de toelating van de laureaten]80
Art. 64.
§ 1. Elke [laureaat]81 krijgt bericht van zijn resultaat en van zijn rangschikking.
§ 2. De [laureaten]81 die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de rangschikking geschrapt.
Als de [laureaat]81 de betrekking aanvaard heeft, vergewist [het HRM]82 zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet.
Art. 65.
Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte [laureaten]81 die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen.
Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen.
[Afdeling 6. — Oproep tot indiensttreding van de laureaten]83
Art. 66.
[Het HRM roept de geselecteerde laureaat op tot indiensttreding. Het HRM stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding.
Indien de laureaat de betrekking niet binnen de vastgestelde termijn invult, roept het HRM de volgende in de rangschikking op.]84
Wanneer de [laureaat]84 nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt [het HRM]84 rekening met een eventuele opzegtermijn.
HOOFDSTUK II. - Werving van personen met een handicap
Art. 67.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder "erkenningsinstellingen" de [zeven volgende instellingen]85 :
1° het Waals Agentschap voor een Kwaliteitsvol Leven, in het kort AViQ;
2° de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);
3° het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap, in het kort VAPH;
4° [de Franse Gemeenschapscommissie]85;
5° [de Dienst]85;
6° de Algemene directie voor gehandicapte personen van de FOD Sociale Zekerheid.
[7° Actiris.]85
Art. 68.
De Dienst moet personen met een handicap tewerkstellen a rato van twee percent van het personeelsplan.
De betrekkingen die voor personen met een handicap bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen :
1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 67 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale of gemeenschapsoverheid is genomen;
2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest voorleggen van het Federaal Agentschap voor beroepsrisico's of van het Bestuur medische expertise waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;
3° door een beroepsziekte zijn getroffen en een attest voorleggen van het Federaal Agentschap voor beroepsrisico's of van het Bestuur medische expertise waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;
4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeleverd afschrift van het vonnis voorleggen waarbij een handicap of een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;
5° het slachtoffer zijn geweest van een thuis-ongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling voorleggen waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66% wordt bevestigd;
6° een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming genieten krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
Art. 69.
De [directeur-generaal]86 zendt de lijst van de vacante betrekkingen die door een persoon met een handicap bekleed kunnen worden naar de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 67, alsook naar [...]86 het FOREM en de VDAB.
Hij voegt er een fiche bij met de functiebeschrijving, de vereiste kwalificaties en bekwaamheden voor elke betrekking.
Art. 70.
§ 1. Het Algemeen Beheerscomité richt zich tot [de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]87 om een persoon met een handicap aan te werven.
De persoon met een handicap moet voldoen aan de wervingsvoorwaarden voor elke betrekking en slagen voor een wervingsexamen dat aangepast is aan de beperkingen opgelegd door zijn handicap en bestemd is om zijn bekwaamheid tot het bekleden van de betrekking na te gaan.
Het Algemeen Beheerscomité duidt de kandidaten aan die naar zijn mening het beste profiel voor het bekleden van de betrekking bezitten.
§ 2. De [directeur-generaal]87 duidt een ambtenaar aan, belast met de begeleiding van de bij de Dienst tewerkgestelde personen met een handicap die dit wensen.
HOOFDSTUK III. - De stage
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 71.
De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.
De bepalingen van dit besluit gelden voor hem slechts in zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard.
Art. 72.
Art. 73.
[De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de directeur-generaal of adjunct-directeur-generaal, die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen.]89
[De geslaagde die in dienst wordt geroepen kan tijdelijk worden tewerkgesteld in een betrekking die verschilt van die waarvoor hij in dienst is geroepen, indien het belang van de dienst dat vereist.]89
Art. 74.
[De directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal kan de dienstaanwijzing wijzigen van de stagiair in het belang van de dienst.]90
[Art. 74/1.
De laureaat die in dienst wordt geroepen, wordt vrijgesteld van de stage en onmiddellijk benoemd in zijn wervingsgraad indien hij de drie volgende voorwaarden vervult:
- op het ogenblik van de publicatie van de vacante betrekking, op basis van een arbeidsovereenkomst, op ononderbroken wijze sinds minstens twee jaar in voltijdsequivalenten bij dezelfde directie of de dienst tewerkgesteld zijn;
- sinds minstens twee jaar in voltijdsequivalenten zijn toegewezen aan de dezelfde functie als die waarvoor hij aangesteld werd in het kader van zijn bovengenoemde arbeidsovereenkomst;
- minstens een evaluatievermelding "gunstig" verkregen hebben.]91
Afdeling 2. - De inhoud van de stage
Art. 75.
[§ 1. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn directie, in de Dienst en in het openbaar ambt in het algemeen. Daartoe duidt de directeur-generaal, in overleg met de hiërarchische meerdere van de stagiair, het personeelslid aan dat bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de "stagebegeleider" genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair.
Indien de stagebegeleider niet van dezelfde taalrol is als de stagiair dient hij houder te zijn van een certificaat van slagen voor het taalexamen over de functionele kennis voor de evaluatie, bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 of voor een ander taalexamen dat hem vrijstelt van bovengenoemd examen.
De directeur-generaal duidt eveneens een vervangend stagebegeleider aan volgens de modaliteiten bepaald in het eerste en tweede lid. In geval van afwezigheid van de stagebegeleider voor een periode van twintig of meer opeenvolgende werkdagen buiten de verloven voorzien in artikel 190, 1°, worden de directeur-generaal, de stagiair en de vervangende stagebegeleider op de hoogte gebracht door het HRM zodat de vervangende stagebegeleider de stagebegeleider zal vervangen gedurende deze afwezigheid. Gedurende deze periode beschikt de vervangende stagebegeleider over dezelfde bevoegdheden als de stagebegeleider. Deze periode verloopt overeenkomstig artikel 82, § 2, tweede tot en met vierde lid.
§ 2. het HRM waakt over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan het deelnemen aan alle stagegesprekken.]92
Afdeling 3. - Het verloop van de stage
Art. 76.
Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden :
1° de verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair;
2° de opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen;
3° de andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt.
Art. 77.
[De stagebegeleider pleegt voorafgaand aan het eerste stagegesprek overleg met het HRM.
Indien de stagebegeleider niet de functionele chef is van de stagiair, pleegt de stagebegeleider eveneens voorafgaand aan het eerste stagegesprek overleg met de functionele chef van de stagiair.]93
Art. 78.
[De stagebegeleider maakt de verslagen zoals bedoeld in de artikelen 82, § 2 en 83.
De stagebegeleider kan beslissen dat bijkomende opleidingsactiviteiten vereist zijn, in overleg met:
- het HRM en;
- de functionele chef indien hij niet de stagebegeleider is en;
- desgevallend met de vervangende stagebegeleider.
Het HRM legt het model van het stageverslag vast.]94
Art. 79.
[De duur van de stage voor de stagiairs van de niveaus A en B komt overeen met een jaar in voltijdse dienst.
De duur van de stage voor de stagiairs van de niveaus C en D komt overeen met zes maanden in voltijdse dienst.]95
Art. 80.
[De perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg in evenredige mate zodra de stagiair, buiten de verloven zoals bedoeld in artikel 190, 1°, het equivalent van meer dan tien gewettigde werkdagen, in één of meerdere malen, afwezig is, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is.
Tijdens de perioden van afwezigheid behoudt de belanghebbende zijn hoedanigheid van stagiair.
Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen.]96
Art. 81.
Na het eerste stagegesprek organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. [Er vinden gedurende elke stageperiode minstens twee stagegesprekken plaats.]97
[De stagebegeleider pleegt voorafgaand aan elk stagegesprek overleg met het HRM.
Indien de stagebegeleider niet de functionele chef is van de stagiair, pleegt de stagebegeleider voorafgaand aan elk stagegesprek eveneens overleg met de functionele chef van de stagiair.]97
[...]97
Art. 82.
§ 1. Het stagegesprek gaat over :
1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;
2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;
3° de uitvoering van zijn werkopdrachten.
Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen.
Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair.
§ 2. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. De stagiair wordt in kennis gesteld van het verslag en kan er desgevallend [binnen de vijftien dagen]98 zijn opmerkingen aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan [het HRM]98.
[In geval van afwezigheid, moet de stagebegeleider bij terugkeer een verslag opstellen over de periode waarin hij effectief toezicht heeft gehouden op de stage. Indien laatstgenoemdeniet terug is vóór het stagegesprek voorzien in artikel 83, maakt de vervangende stagebegeleider het eindverslag op basis van de verslagen waarover hij beschikt en door bij de hiërarchie van de stagiair informatie in te winnen over de prestaties van laatstgenoemde tijdens de periode waarin de stagebegeleider afwezig is. Bij gebrek aan voldoende informatie moet deze periode worden beschouwd als aanleiding gevend tot een gunstige beoordeling van de stagiair.]98
Wat betreft de eerste [twintig]98 werkdagen bedoeld in artikel 75, [§ 1, derde lid,]98 vraagt de vervangende stagebegeleider aan de officiële stagebegeleider of aan de hiërarchie de informatie die hij nodig heeft voor het opstellen van zijn stageverslag. Als er geen informatie beschikbaar is, dan geeft de in artikel 75, [§ 1, derde lid]98 bedoelde periode aanleiding tot een gunstige beoordeling van de stagiair.
[Indien de stagebegeleider de dienst hervat voordat het stagegesprek voorzien in artikel 83 plaatsvindt]98, stelt de vervangende stagebegeleider een verslag op over de periode waarin hij de stage opgevolgd heeft. Dit verslag beantwoordt aan de [vereisten voorzien in onderhavige paragraaf]98. De stagiair wordt in kennis gesteld van het verslag en kan er desgevallend zijn opmerkingen aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan [het HRM]98 en aan de stagebegeleider. Laatstgenoemde houdt er rekening mee tijdens het volgende stagegesprek.
Afdeling 4. - Het einde van de stage
Art. 83.
De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met [het HRM]99 en de functionele chef [indien de stagebegeleider niet de functionele chef is]99. Hij voegt er één van de voorstellen bedoeld in artikel 85 aan toe.
Hij stelt de stagiair in kennis van het eindverslag, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen.
Art. 84.
De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties.
Art. 85.
[§ 1. De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal.
Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal de benoeming van de stagiair voor aan het Algemeen Beheerscomité.
Indien het eindverslag ongunstig is stelt de directeur-generaal:
- ofwel aan het Algemeen Beheerscomité een eenmalige verlenging, voor een maximumtermijn zoals bedoeld in artikel 79, voor. Deze verlenging is niet hernieuwbaar. De directeur-generaal stelt de stagiair in kennis van dit voorstel, met inbegrip van de mogelijkheid om in beroep te gaan;
- ofwel aan het Algemeen Beheerscomité het ontslag wegens ongeschiktheid tot het uitoefenen van de functie voor. De directeur-generaal stelt de stagiair in kennis van dit voorstel, met inbegrip van de mogelijkheid om in beroep te gaan.
In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd volgens de regels van de initiële stage.
§ 2. De stagiair beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen tegen de beslissing genomen krachtens de eerste paragraaf bij de in artikel 16 bedoelde raad van beroep. Het beroep werkt opschorsend.
Indien geen beroep werd ingediend binnen de hierboven gestelde termijnen of indien de beslissing om de stagiair te ontslaan wegens ongeschiktheid tot het uitoefenen van de functie wordt genomen in navolging van een beroep bij de raad van beroep, wordt het ontslag definitief.]100
[Art. 85/1.
Als de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat waardoor elke professionele samenwerking tussen de overheid en de stagiair onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt, roept de directeur-generaal, of bij zijn afwezigheid de adjunct directeur-generaal, binnen de vijf werkdagen nadat hij kennis genomen heeft van de handeling die een ernstige fout uitmaakt, de stagiair op om hem in zijn verweer te horen.
De oproepingsbrief vermeldt de feiten die de stagiair ten laste worden gelegd, de normen waarop deze feiten een inbreuk vormen, het feit dat er voorzien wordt zijn stage vroegtijdig te beëindigen, het recht om zich door een verdediger naar keuze te laten bijstaan, met uitzondering van de personen die zich moeten uitspreken over de feiten die hem ten laste worden gelegd.
Een proces-verbaal wordt opgesteld en in aanwezigheid der partijen ondertekend.
Na de hoorzitting stelt de stagebegeleider een verslag op. Dat verslag kan de vroegtijdige beëindiging van de stage voorstellen.
De definitieve beslissing wordt genomen door de benoemende overheid. Deze laatste doet uitspraak binnen de vijf werkdagen na de hoorzitting. De stagiair wordt in kennis gesteld van deze beslissing binnen vijf werkdagen.]101
[Art. 85/2.
De stagiair wordt in kennis gesteld van de beslissing tot ontslag wegens ongeschiktheid tot het uitoefenen van een functie door de benoemende overheid.
De ontslagen stagiair geniet een vergoeding wegens ontslag, die overeenkomt met een bezoldiging van drie maanden. Deze vergoeding omvat ook de toelagen en premies die de stagiair verkreeg voorafgaand aan zijn ontslag.
Het tweede lid is niet van toepassing in de volgende gevallen:
a) in het geval van een vroegtijdige beëindiging van de stage, zoals voorzien in artikel 85/1;
b) indien de stagiair in verlof is voor het voltooien van een stage;
c) indien de stagiair een geschorste arbeidsovereenkomst bij een andere werkgever lopen heeft.]102
HOOFDSTUK IV. - Benoeming als ambtenaar
Art. 86.
Onverminderd artikel 133 worden de ambtenaren benoemd door het Algemeen Beheerscomité.
Art. 87.
De stagiairs leggen de eed af wanneer zij tot ambtenaar worden benoemd.
Zij worden geacht als ambtenaar in dienst te zijn getreden vanaf de aanvangsdatum van de stage.
De ambtenaren leggen de eed af in handen van de [directeur-generaal]103.
Art. 88.
De in het vorig artikel bedoelde eed wordt afgelegd in de termen, bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
Art. 89.
Indien zij [weigeren]104 de in artikel 88 bedoelde eed af te leggen, wordt hun benoeming met terugwerkende kracht vernietigd.
[TITEL V. - Het onthaal en de opleiding]105
[Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen]106
Art. 90.
Onder onthaal dient elke maatregel te worden verstaan tot bevordering van de integratie van de nieuwe personeelsleden binnen de Dienst.
Art. 91.
Onder [opleiding]107 dient elke activiteit te worden verstaan die tot doel heeft :
1° zich te vormen en te vervolmaken in het beroep;
2° te voldoen aan de bevorderingscriteria;
3° te voldoen aan de evaluatiecriteria.
[...]107
Art. 92.
[Het onthaal, de opleiding en de beroepsinschakeling van personen met een handicap kunnen in samenwerking met de erkenningsinstellingen zoals bedoeld in artikel 67 worden georganiseerd.]108
Art. 93.
Het Algemeen Beheerscomité neemt, op voordracht van de Directieraad de algemene beginselen inzake onthaal en [opleiding]109 aan.
[...]109
[Art. 93/1.
Het HRM is gehouden:
1° het onthaal van de nieuwe personeelsleden te organiseren;
2° het opleidingstraject op te stellen voor elke ambtenaar, met uitsluiting van de mandaathouders, in samenwerking met zijn hiërarchie;
3° een voorstel tot opleidingsplan op te stellen, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Directieraad overeenkomstig artikel 93/2, § 2;
4° de opleidingen te organiseren.]110
[Art. 93/2.
§ 1. Een opleidingsplan wordt om de twee jaar opgesteld. Dit plan omvat:
1° de te bereiken algemene doelstellingen van de opleiding, in lijn met de beheersovereenkomst van de Dienst;
2° de prioriteiten voor het komende jaar;
3° de te voorziene opleidingen naar inhoud, vorm en duur;
4° het al dan niet verplichte karakter van de verschillende opleidingen;
5° de te voorziene middelen voor ieder van de opleidingsdoelstellingen, eventueel met inbegrip van een maximaal opleidingsbudget per ambtenaar, dienst of directie;
6° een evaluatie van het vorige opleidingsplan.
§ 2. Het opleidingsplan wordt goedgekeurd door de Directieraad op voorstel van de directeur-generaal.
Het wordt ter overleg aan de vakorganisaties voorgelegd voor zijn inwerkingtreding.]111
[Art. 93/3.
Het HRM vertrouwt de opleidingsprogramma's toe aan interne of externe opleiders.]112
[Art. 93/4.
De inschrijving van de ambtenaar voor een opleiding impliceert zijn formele verbintenis om de opleiding te volgen, ongeacht of het gaat om een vrijwillige dan wel om een opgelegde opleiding.
Als de ambtenaar in de onmogelijkheid verkeert om de opleiding bij te wonen, moet hij onmiddellijk zijn afwezigheid verantwoorden bij het HRM.]113
[Art. 93/5.
De bepalingen van onderhavige titel zijn eveneens van toepassing op de stagiairs.]114
[HOOFDSTUK II - Het verloop van de opleiding]115
[Afdeling 1. De doorlopende beroepsopleiding]116
Art. 94.
[§ 1. De doorlopende beroepsopleiding is de opleiding die:
1° tot doel heeft de aanpassing van de ambtenaar aan de evolutie van de organisatie, de technieken en de werkomstandigheden te vergemakkelijken en de beroepsbekwaamheid te behouden of te verbeteren;
2° in verband staat met de huidige functie van de ambtenaar;
3° wordt voorgesteld door het HRM of door de hiërarchie van de ambtenaar, of aangevraagd wordt door de ambtenaar.
De kosten verbonden aan de doorlopende beroepsopleiding worden gedragen door de Dienst voor zover de ambtenaar de in artikel 93/4 bepaalde voorwaarden in acht neemt.
Het HRM of de hiërarchie van de ambtenaar kan hem opleggen bepaalde van deze opleidingen te volgen, op voorwaarde dat deze overeenkomen met de doelstellingen die in het kader van de evaluatiecyclus zijn gedefinieerd.
Na advies van het HRM wordt de opleiding toegekend of geweigerd door de directeur-generaal. Deze opleiding kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd.
§ 2. Er wordt een dienstvrijstelling verleend in het geval dat de doorlopende beroepsopleiding plaatsvindt tijdens de diensturen.
Als bovengenoemde opleiding buiten de diensturen plaatsvindt, wordt hiervoor een compensatie per uur voorzien met een maximum van vijftien dagen per kalenderjaar voor een ambtenaar die voltijds werkt. De compensatie per uur wordt verminderd naar rato van de werktijdregeling van de ambtenaar op de eerste dag van de opleiding.]117
[Afdeling 2. De vrijwillige diplomagerichte of certificerende beroepsopleiding]118
Art. 95.
[§ 1. De vrijwillige diplomagerichte of certificerende beroepsopleiding is de opleiding die door de ambtenaar wordt aangevraagd die:
1° hem toelaat zijn loopbaan te ontwikkelen in verband met de functie die de ambtenaar momenteel uitoefent of in de toekomst bij de Dienst of bij de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zou kunnen uitoefenen;
2° tot een certificaat of diploma betreffende professionele competenties leidt, die desgevallend ook buiten de Dienst of de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gevaloriseerd kunnen worden.
De vrijwillige diplomagerichte of certificerende beroepsopleiding is geen recht.
§ 2. De kosten van de vrijwillige diplomagerichte of certificerende beroepsopleiding worden gedragen door de ambtenaar. De directeur-generaal kan beslissen geheel of gedeeltelijk tussen te komen in de kosten van de opleiding op gemotiveerde vraag van de ambtenaar. Bij de beoordeling van de aanvraag kan worden gebruikgemaakt van dezelfde criteria die zijn voorzien in artikel 96/1, § 2, alsook het criterium van de kosten van de opleiding.
Bij tussenkomst van het HRM in de kosten van de opleiding wordt een gedeelte teruggevorderd indien de ambtenaar de dienst verlaat en wanneer de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld worden:
1° de ambtenaar is van niveau A;
2° de opleiding bereikt minstens 80 uren of de opleiding bereikt een waarde hoger dan het bruto geïndexeerd maandinkomen binnen de weddeschaal A101 zonder geldelijke anciënniteit;
3° de opleiding vloeit niet voort uit een wettelijke of reglementaire verplichting voor de betrekking die de ambtenaar bekleedt.
Het bedrag van de terugvordering bedraagt:
- 80 % van de opleidingskosten in geval van vertrek van de ambtenaar in het eerste jaar na tussenkomst in de kosten van de opleiding;
- 50 % van de opleidingskosten in geval van vertrek van de ambtenaar in het tweede jaar na tussenkomst in de kosten van de opleiding;
- 20 % van de opleidingskosten in geval van vertrek van de ambtenaar in het derde jaar na tussenkomst in de kosten van de opleiding.]119
Art. 96.
[n het kader van de vrijwillige diplomagerichte of certificerende beroepsopleiding, kan de ambtenaar die zijn prestaties voltijds verricht een opleidingsverlof verkrijgen van maximaal vijftien dagen, verdeeld in halve of volle dagen, per kalenderjaar. Het opleidingsverlof wordt verminderd naar rato van de werktijdregeling van de ambtenaar op de eerste dag van de opleiding.
Dit verlof kan de tijd die hij besteedt aan het bijwonen van hoorcolleges, lessen, eventuele werkcolleges, examens of studietijd, dekken.
Dit opleidingsverlof wordt verstrekt op basis van een document van de instelling die de opleiding organiseert en wordt onderworpen aan een validatie door de directeur-generaal.
Als de ambtenaar voortijdig stopt met de opleiding, komt er op dat ogenblik een einde aan het recht op opleidingsverlof verleend voor de betreffende opleiding.]120
[Art. 96/1.
§ 1. De ambtenaar richt een verzoek tot opleiding tot het HRM, met het advies van zijn hiërarchie.
§ 2. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met:
1° het verband tussen de opleiding en de beheersovereenkomst van de Dienst;
2° het verband tussen de opleiding en de operationele doelstellingen van de dienst of de directie waar de ambtenaar werkzaam is;
3° het verband tussen de opleiding en de doelstellingen verbonden aan de functie van de ambtenaar;
4° de continuïteit van de dienst;
5° het belang van de dienst.
Daarnaast kunnen volgende omstandigheden een impact hebben op de beoordeling van de aanvraag:
1° het verloop van vorige opleidingen afgelegd door de ambtenaar;
2° de termijn waarbinnen de opleiding zou plaatsvinden;
3° de waarde die de opleiding zou teweegbrengen voor de Dienst;
4° de kwaliteit van de opleiding en de bekendheid van de instelling die opleiding organiseert;
5° of de ambtenaar reeds een vrijwillige diplomagerichte of certificerende beroepsopleiding heeft gevolgd;
6° de anciënniteit van de ambtenaar.
§ 3. Na advies van het HRM wordt de opleiding toegekend of geweigerd door de directeur-generaal. De opleiding kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd.]121
[Art. 96/2.
De cumulatie van het opleidingsverlof voorzien in artikel 96 en de compensatie per uur voorzien in artikel 94, § 2, mag de twintig werkdagen per kalenderjaar niet overschrijden voor een ambtenaar die zijn prestaties voltijds verricht.]122
TITEL VI. - Evaluatie
HOOFDSTUK I. - Evaluatie van de ambtenaren zonder mandaat
[Afdeling 1. Algemene bepalingen, actoren en definities]123
Art. 97.
[De evaluatie heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult doorlopend te beoordelen aan de hand van de functiebeschrijving en de doelstellingen die bepaald werden tijdens het functiegesprek en het of het (de) functioneringsgesprek(ken).
Zij is verplicht voor alle ambtenaren.]124
[Art. 97/1.
Voor de toepassing van onderhavig hoofdstuk moet worden verstaan onder:
1° Functiebeschrijving: de tekst die gedetailleerd omschrijft wat van de ambtenaar verwacht wordt bij de uitoefening van zijn functie en die wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 48/3;
2° Evaluatiedossier: het dossier op basis waarvan de evaluatie wordt uitgevoerd. Het maakt deel uit van het persoonlijk dossier van de ambtenaar;
3° Functiegesprek: het gesprek tussen de evaluator en de ambtenaar dat een evaluatiecyclus inluidt;
4° Functioneringsgesprek: elk tussentijds gesprek tussen de evaluator en de ambtenaar tijdens de evaluatiecyclus;
5° Evaluatiegesprek: het gesprek tussen de evaluator en de ambtenaar dat een evaluatiecyclus afrondt en leidt tot de toekenning van een gemotiveerde vermelding;
6° Evaluator: de persoon die tot de evaluatie overgaat;
7° Doelstellingen: elke prestatie-, ontwikkelings- of gedragsdoelstelling die door de evaluator aan de ambtenaar wordt toegewezen tijdens een functie- of functioneringsgesprek;
8° Bezoldiging: elke wedde, elk loon of elke vergoeding die een wedde of loon vervangt, rekening houdend met verhogingen of verminderingen door schommelingen van de spilindex van de consumptieprijzen. De bezoldiging die in aanmerking moet worden genomen is de bezoldiging die verschuldigd is voor volledige prestaties, desgevallend de haard- of standplaatstoelage inbegrepen, rekening houdend met verhogingen of verminderingen door schommelingen van de spilindex van de consumptieprijzen.]125
Art. 98.
[§ 1. De directeur-generaal beslist wie, van de hiërarchisch meerdere of de functionele chef van de te evalueren ambtenaar, in principe als evaluator aangewezen moet worden.
§ 2. De evaluator wijst binnen de eerste vijftien dagen van de evaluatiecyclus een plaatsvervanger aan die hem kan vervangen als hij meer dan drie opeenvolgende maanden afwezig is.
§ 3. Indien er een wijziging van evaluator plaatsvindt gedurende de evaluatiecyclus, raadpleegt de evaluator die tijdens de gehele evaluatieperiode niet als evaluator van de geëvalueerde ambtenaar werd aangewezen de (de) vorige evaluator(en) van de ambtenaar voor het evaluatiegesprek. Van deze raadpleging wordt een vermelding toegevoegd aan het evaluatiedossier.
Indien de evaluator de ambtenaar niet of niet gedurende de hele evaluatieperiode onder zijn gezag had, raadpleegt hij de hiërarchisch meerdere en de functionele chef van de ambtenaar voor het evaluatiegesprek. Van deze raadpleging wordt een vermelding toegevoegd aan het evaluatiedossier.
§ 4. De evaluator raadpleegt desgevallend de functionele chef van de ambtenaar voordat de functie-, functionerings- en evaluatiegesprekken plaatsvinden. Van deze raadpleging wordt een vermelding toegevoegd aan het evaluatiedossier.
§ 5. De evaluator kan geen evaluatie uitvoeren zonder eerst een gepaste opleiding te hebben gevolgd.
Een stagiair kan geen evaluatie uitvoeren.
Een ambtenaar die de vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" krijgt bij zijn evaluatie, kan niet worden aangesteld als evaluator. Dit geldt eveneens voor de evaluator die aan het einde van zijn vorige evaluatieperiode de doelstelling verbonden aan zijn hoedanigheid van evaluator niet heeft behaald.
De evaluator moet benoemd zijn in een hoger niveau als de te evalueren ambtenaar. Indien deze ambtenaar van niveau A is, moet de evaluator benoemd zijn in een graad die overeenkomt met een hogere rang dan deze van de te evalueren ambtenaar.
De evaluator is:
- van dezelfde taalrol als de te evalueren ambtenaar of;
- houder van een taalcertificaat op basis van artikel 10bis van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 of;
- houder van een taalcertificaat dat hem vrijstelt van de proeven van bovengenoemde taalcertificaat.
§ 6. Indien de hiërarchisch meerdere of de functionele chef aangewezen als evaluator krachtens § 1 niet aan de voorwaarden van § 5 voldoet, wijst de directeur-generaal een personeelslid aan als evaluator die voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° benoemd zijn in een hoger niveau dan de te evalueren ambtenaar. Indien deze ambtenaar van niveau A is, dient de ambtenaar aangeduid als evaluator benoemd te zijn in een graad die overeenkomt met een hogere rang dan deze van de te evalueren ambtenaar;
2° bij voorkeur werkzaam zijn op dezelfde dienst als de te evalueren ambtenaar;
3° voldoen aan de voorwaarden van § 5.]126
[Art. 98/1.
De evaluatie gebeurt op basis van een evaluatiedossier.
Dit dossier bevat:
1° de functiebeschrijving;
2° het verslag van het functiegesprek;
3° het verslag van alle functioneringsgesprekken;
4° de meldingen van de raadplegingen voorzien in artikel 98, §§ 3 en 4;
5° het evaluatieverslag en de vorige evaluatieverslagen;
6° de documenten over gunstige of ongunstige vaststellingen en beoordelingen die tijdens een functioneringsgesprek zijn bezorgd en besproken;
7° de eventuele beslissing van de raad van beroep;
8° elk document dat de ambtenaar aan zijn dossier toegevoegd wil zien.
Het HRM bepaalt het model van het evaluatiedossier, zoals bedoeld in het tweede lid.
Het evaluatiedossier is toegankelijk voor de ambtenaar, zijn hiërarchische meerdere, zijn functionele chef en het HRM, die allemaal gehouden zijn tot geheimhouding.
Het evaluatiedossier maakt deel uit van het persoonlijk dossier van de ambtenaar. Alle elementen van het evaluatiedossier worden opgesteld in de taal van de ambtenaar. Geen enkel element mag in een andere taal worden toegevoegd, behalve op verzoek van de ambtenaar of met zijn akkoord.
De volgende elementen van het evaluatiedossier van de ambtenaar worden bewaard tot 5 jaar na de datum waarop de ambtenaar de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt:
- de functiebeschrijving van de ambtenaar, zoals bedoeld in het tweede lid, 1°;
- het evaluatieverslag van de ambtenaar, evenals zijn eerdere evaluatieverslagen, zoals bedoeld in het tweede lid, 5°;
- de eventuele beslissing van de raad van beroep, zoals bedoeld in het tweede lid, 7°.
De documenten van het evaluatiedossier, vermeld in het tweede lid, 2° tot 4° en 6°, worden bewaard gedurende 5 jaar vanaf het moment dat de evaluatievermelding waarop zij betrekking hebben niet langer vatbaar is voor beroep. Na het verstrijken van deze termijn worden deze documenten uit het evaluatiedossier verwijderd.
De documenten die op verzoek van de betrokken ambtenaar overeenkomstig het tweede lid, 8°, in het evaluatiedossier zijn opgenomen, worden bewaard gedurende een periode die wordt beoordeeld op basis van de vereisten van het geval.
In alle gevallen moeten de documenten in het in het tweede lid genoemde evaluatiedossier worden verwijderd of geanonimiseerd zodra ze niet langer nodig zijn voor de doeleinden van het personeelsbeheer waarvoor ze zijn opgesteld, zelfs als de hierboven genoemde bewaartermijnen nog niet zijn verstreken.]127
[Art. 98/2.
De ambtenaar kan bij de gesprekken die georganiseerd worden in het kader van de evaluatieprocedure voorzien in onderhavig hoofdstuk om de aanwezigheid verzoeken van een waarnemer naar keuze.]128
[Afdeling 2. Het verloop van de evaluatiecyclus]129
Art. 99.
[§ 1. De evaluatieperiode vangt aan op 1 januari van een even jaar, het aanvangsjaar genoemd.
De evaluatieperiode loopt echter:
1° vanaf de benoeming van de ambtenaar;
2° vanaf de bevordering van de ambtenaar;
3° vanaf de mobiliteit, de overplaatsing, de externe overplaatsing, de wedertewerkstelling, de wedertewerkstelling na afschaffing van de betrekking of na wijziging van de dienstaanwijzing;
4° de eerste dag volgend op een afwezigheid waardoor het functiegesprek niet heeft kunnen plaatsvinden binnen de termijn voorzien in artikel 99/1, § 1, tweede lid;
5° de dag volgend op het einde van een evaluatiecyclus zoals zoals voorzien in artikel 100/2.
§ 2. Behoudens in de gevallen voorzien in artikel 100/2 bedraagt de evaluatieperiode twee kalenderjaren en eindigt deze op 31 december van het eerste oneven jaar dat volgt op het aanvangsjaar, het evaluatiejaar genoemd.
Echter, voor wat betreft de evaluatiecyclus voorzien in § 1, tweede lid, 1°, 2°, 3° en 4°:
- indien de evaluatiecyclus aanvangt gedurende een even jaar, eindigt deze op 31 december van het eerstvolgende oneven jaar. De hierop volgende evaluatieperiode verloopt conform § 1, eerste lid, behoudens in de gevallen voorzien in artikel 100/2;
- indien de evaluatiecyclus aanvangt gedurende een oneven jaar, bedraagt de eerste evaluatieperiode 365 dagen. De hierop volgende evaluatieperiode vangt aan op de dag na het einde van deze evaluatieperiode en eindigt op 31 december van het eerste oneven jaar dat daarop volgt, behalve in de gevallen voorzien in artikel 100/2.
§ 3. Er liggen minstens zes maanden tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek. De uitoefening van een functie gedurende minder dan zes maanden geeft geen aanleiding tot een evaluatievermelding.]130
[Art. 99/1.
§ 1. Bij het begin van elke evaluatieperiode heeft de evaluator een functiegesprek met de ambtenaar waarin de te behalen doelstellingen bepaald worden op basis waarvan de evaluatie zal plaatsvinden, en dit aan de hand van de functiebeschrijving.
Het functiegesprek vindt plaats binnen de dertig dagen na aanvang van de evaluatiecyclus.
De in het voorgaande lid bedoelde termijn wordt met maximaal 30 dagen verlengd in geval van afwezigheid van de ambtenaar.
§ 2. Er zijn vier types te behalen doelstellingen:
1° prestatiedoelstellingen (kwalitatieve en kwantitatieve);
2° ontwikkelingsdoelstellingen;
3° gedragsdoelstellingen (aan te nemen houding);
4° desgevallend, de kwaliteit van de evaluaties die de ambtenaar heeft uitgevoerd, als hij daarmee belast is.
Binnen dertig dagen na het functiegesprek schrijft de evaluator een verslag van het functiegesprek. Dat verslag wordt ondertekend door de ambtenaar en de evaluator, bezorgd aan het HRM en de ambtenaar en toegevoegd aan het evaluatiedossier. Als de ambtenaar het verslag van het functiegesprek niet tekent voor ontvangst, stuurt het HRM het hem aangetekend op.
Binnen de vijftien dagen die volgen op de ontvangst van het verslag van het functiegesprek kan de ambtenaar er zijn opmerkingen aan toevoegen en deze overmaken.]131
[Art. 99/2.
§ 1. Behoudens de gevallen voorzien in artikel 100/2, vindt tijdens de evaluatiecyclus minstens één functioneringsgesprek plaats.
Er kunnen andere functioneringsgesprekken plaatsvinden tijdens de beoordelingscyclus binnen de vijftien dagen na het verzoek van de evaluator of de ambtenaar.
§ 2. Het functioneringsgesprek bevat minstens een overzicht van de prestaties van de ambtenaar in verband met de te bereiken doelstellingen en kan ook een aanpassing van zijn individuele doelstellingen inhouden en/of de uitvoering van ontwikkelingsacties.
§ 3. Binnen de dertig dagen na het functioneringsgesprek schrijft de evaluator een verslag van het functioneringsgesprek. In de gevallen voorzien in artikel 100/2 wordt de termijn vastgelegd op vijftien dagen.
Dat verslag wordt ondertekend door de ambtenaar en de evaluator, bezorgd aan het HRM en de ambtenaar en toegevoegd aan het evaluatiedossier.
Als de ambtenaar het verslag van het functioneringsgesprek niet tekent voor ontvangst, stuurt het HRM het hem aangetekend op.
Binnen de vijftien dagen na ontvangst van het verslag van het functioneringsgesprek kan de ambtenaar er zijn opmerkingen aan toevoegen en overmaken.]132
[Afdeling 3. De afsluiting van de evaluatiecyclus]133
Art. 100.
[§ 1. Aan het einde van elke evaluatieperiode heeft de evaluator een evaluatiegesprek met de ambtenaar.
Het evaluatiegesprek vindt plaats binnen de laatste vijfenveertig dagen van de evaluatiecyclus.
In het geval voorzien in artikel 100/2, § 1, vindt het evaluatiegesprek plaats binnen de laatste vijftien dagen van de evaluatieperiode.
In het geval voorzien in artikel 100/2, § 2, vindt het evaluatiegesprek plaats binnen de laatste dertig dagen van de evaluatieperiode.
§ 2. Binnen de dertig dagen na het evaluatiegesprek schrijft de evaluator een evaluatieverslag en geeft hij de vermelding "gunstig", "onder voorbehoud" of "onvoldoende", met een grondige motivering op basis van objectieve feiten en elementen.
De evaluator houdt rekening met de onvoorziene of onafhankelijke omstandigheden die de gehele of gedeeltelijke realisatie van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 99/1 onmogelijk hebben gemaakt voor de verlening van een vermelding.
De ambtenaar wordt van die evaluatie in kennis gesteld met ontvangstbewijs.
De ambtenaar ondertekent het evaluatieverslag en kan binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van het verslag zijn opmerkingen neerschrijven en ze aan de evaluator bezorgen. Deze termijn wordt opgeschort als de ambtenaar het slachtoffer is van een arbeidsongeval, een ongeval op weg naar het werk of een beroepsziekte.
Het evaluatieverslag, ondertekend door de evaluator, wordt onmiddellijk verzonden naar het HRM en de ambtenaar en toegevoegd aan het evaluatiedossier. Als de ambtenaar het verslag van het evaluatiegesprek niet voor ontvangst tekent, stuurt het HRM het hem aangetekend op.
§ 3. Wanneer de vermelding "gunstig" wordt toegekend kan de evaluator de Directieraad voorstellen hieraan de vermelding "uitstekend" toe te voegen.
De Directieraad neemt hieromtrent een beslissing binnen de zestig dagen.]134
[Art. 100/1.
De ambtenaar die zijn functie niet effectief heeft uitgeoefend gedurende minstens een jaar, behoudt zijn laatste evaluatie. Indien de ambtenaar nooit eerder werd geëvalueerd, ontvangt hij de evaluatievermelding "gunstig".
Behalve in de gevallen voorzien in het eerste lid, krijgt de ambtenaar die om welke reden dan ook niet werd geëvalueerd een gunstige evaluatie.
Indien hij bewust weigert om te worden geëvalueerd, ontvangt hij de evaluatievermelding "ongunstig".
Na afloop van zijn stage krijgt de benoemde stagiair ambtshalve een gunstige evaluatie.
Dit artikel is niet van toepassing op de gevallen voorzin in artikel 100/2.]135
[Art. 100/2.
§ 1. Wanneer de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend, wordt de daaropvolgende evaluatiecyclus teruggebracht tot zes maanden effectieve prestaties, ongeacht de arbeidsregeling. Elke twee maanden vindt een functioneringsgesprek plaats.
§ 2. Wanneer de vermelding "onder voorbehoud" wordt toegekend, wordt de daaropvolgende evaluatiecyclus teruggebracht tot een jaar effectieve prestaties, ongeacht de arbeidsregeling. Elke drie maanden vindt een functioneringsgesprek plaats.]136
[Afdeling 4. De beroepsprocedure]137
Art. 101.
[De dag nadat de termijn zoals bedoeld in artikel 100, § 2, vierde lid, is verstreken, beschikt de ambtenaar die het niet eens is met de vermelding die hem werd toegekend over een termijn van vijftien dagen om per aangetekende brief een opschorsend beroep in te dienen bij de raad van beroep zoals bedoeld in artikel 16.
De nieuwe evaluatieperiode gaat in op de dag nadat de raad van beroep zijn beslissing aan de ambtenaar heeft meegedeeld en eindigt overeenkomstig artikel 99 § 2, tweede lid.]138
[Art. 101/1.
De raad van beroep heeft beslissingsbevoegdheid. Hij neemt zijn beslissing overeenkomstig artikel 16, 17 en 19.]139
[Afdeling 5. De gevolgen van de vermelding "onvoldoende" en "onder voorbehoud" voor de loopbaan van de ambtenaren]140
Art. 102.
[De periode waarvoor de ambtenaar de vermelding "onder voorbehoud" of "onvoldoende" krijgt, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de graadanciënniteit vereist voor het bekomen van een hogere weddeschaal met toepassing van de functionele loopbaan.]141
[Art. 102/1.
§ 1. De ambtenaar die voor twee opeenvolgende evaluatiecycli vermeldingen "onvoldoende" krijgt, wordt door het Algemeen Beheerscomité, op voorstel van de Directieraad, beroepsongeschikt verklaard.
§ 2. De ambtenaar die in de loop van drie opeenvolgende evaluatieperiodes twee vermeldingen "onvoldoende" behaalt, wordt door het Algemeen Beheerscomité, op voorstel van de Directieraad, beroepsongeschikt verklaard.
§ 3. De verklaring van beroepsongeschiktheid wordt opgeschort in geval van een beroep tegen een vermelding zoals bedoeld in artikel 101.
§ 4. De verklaring van beroepsongeschiktheid leidt tot het ambtshalve ontslag van de ambtenaar wegens beroepsongeschiktheid door de benoemende overheid.]142
[Art. 102/2.
De ambtenaar die wegens beroepsongeschiktheid wordt ontslagen geniet een vergoeding wegens ontslag.
Deze vergoeding is gelijk aan twaalf maal de laatste maandbezoldiging van de ambtenaar, indien hij minstens twintig jaar dienstanciënniteit heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang de ambtenaar tien jaar dienstanciënniteit of minder dan tien jaar dienstanciënniteit heeft.".
Voor de toepassing van onderhavig artikel wordt onder de anciënniteit van een ambtenaar de periode verstaan gedurende welke hij in dienstactiviteit is geweest sinds zijn indiensttreding bij de Dienst.
In afwijking van het vorige lid wordt de anciënniteit van een ambtenaar die in dienst is getreden bij de Dienst via externe mutatie, mobiliteit of overdracht vanuit een andere federale of gefedereerde entiteit eveneens de periode verstaan bij de werkgever voorafgaand aan de externe mutatie, mobiliteit of overdracht naar de Dienst en waarin hij zich in de administratieve stand van dienstactiviteit bevond. Onder vorige werkgever wordt verstaan alle werkgevers die elkaar zonder onderbreking hebben opgevolgd via mutatie, mobiliteit of overdracht.]143
Art. 103.
[...]144
Art. 104.
[...]144
HOOFDSTUK II. - Evaluatie van de mandaathouders
Art. 105.
De evaluatie heeft tot doel na te gaan in welke mate de bij de toekenning van het mandaat overeengekomen [doelstellingen zoals deze werden opgenomen in de beheersovereenkomst van de Dienst]145 werden bereikt of op weg zijn om te worden bereikt.
De mandaathouder stelt hiertoe op het einde van iedere evaluatieperiode een verslag op over zijn werkzaamheden als hoofd van de administratieve eenheid die hij leidt.
Art. 106.
De evaluatiecommissie, bedoeld in artikel 25, evalueert de mandaathouder over de wijze waarop hij het mandaat heeft uitgeoefend.
Ze neemt kennis van het verslag opgesteld door de mandaathouder en nodigt deze uit voor een evaluatiegesprek. [Voor het evaluatiegesprek van de mandaathouder van rang A4 en A4+, wint de commissie het advies in van de mandaathouder van rang A5.]146
De vermelding "gunstig" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer deze de doelstellingen die hem bij het begin van zijn mandaat [zoals vervat in de beheersovereenkomst van de Dienst]146 werden opgedragen heeft bereikt.
De vermelding "voldoende" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer hij de doelstellingen [zoals vervat in de beheersovereenkomst van de Dienst]146 gedeeltelijk heeft bereikt.
De vermelding "ongunstig" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer de doelstellingen [zoals vervat in de beheersovereenkomst van de Dienst]146 niet of in zeer geringe mate zijn gerealiseerd.
In zijn evaluatie moet de evaluatiecommissie rekening houden met onvoorziene omstandigheden of omstandigheden, die het geheel of gedeeltelijk realiseren van de vastgestelde [doelstellingen]146 onmogelijk hebben gemaakt.
De evaluatie wordt aan de geëvalueerde meegedeeld [...]146 .
Art. 107.
[§ 1. Een eerste evaluatie vindt plaats twee jaar na het begin van het mandaat.
Indien bij deze evaluatie de vermelding "ongunstig" wordt gekozen vindt een bijkomende evaluatie plaats zes maanden na deze eerste evaluatie. Als de bijkomende evaluatie van de mandaathouder ongunstig is, wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan een nieuwe toekenningsprocedure voor de mandaatbetrekking die hij bekleedt of voor een mandaatbetrekking van een hogere rang.
§ 2. Een tweede evaluatie vindt plaats zes maanden voor het einde van het mandaat.
Indien aan het einde van deze tweede evaluatie de mandaathouder de vermelding "gunstig" bekomt, dan kan het Verenigd College zijn mandaat alleen een keer verlengen zonder dat er wordt overgegaan tot een nieuwe toekenningsprocedure voor de mandaatbetrekking die hij bekleedt. De mandaathouder stelt, bij de hernieuwing van zijn mandaat, een beheersplan op zoals bedoeld in artikel 142, tweede lid, dat rekening houdt met de te bereiken doelstellingen vastgeslteld door de overheid en opgenomen in de beheersovereenkomst van de Dienst.
Indien de mandaathouder de vermelding "voldoende" bekomt, dan wordt zijn mandaat niet verlengd maar kan hij deelnemen aan een nieuwe toekenningsprocedure voor de mandaatbetrekking die hij bekleedt of voor een mandaatbetrekking van een hogere rang.
Indien de mandaathouder de vermelding "ongunstig" bekomt, dan wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan de nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt of voor een mandaat van een hogere rang.
§ 3. Het einde van het mandaat vindt plaats op de eerste dag van de maand die volgt op de toekenning van de vermelding "ongunstig".
In geval van beroep bij het Verenigd College eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand die volgt op de beslissing in beroep.]147
Art. 108.
De mandaathouder beschikt over vijftien dagen vanaf de kennisgeving van zijn evaluatie om schriftelijk beroep in te dienen bij het Verenigd College. [Het beroep werkt schorsend.]148
Het Verenigd College spreekt zich, met uitsluiting van de in artikel 16 bedoelde raad van beroep, uit over het beroep van een mandaathouder.
Het Verenigd College moet zich uitspreken binnen de maand na ontvangst van het verzoekschrift, indien de mandaathouder niet vraagt om gehoord te worden, ofwel in de maand die volgt op [de hoorzitting]148.
De mandaathouder wordt op zijn verzoek gehoord door het Verenigd College of door zijn door hem aangeduide Leden. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze en moet, vóór zijn [hoorzitting]148, toegang tot alle stukken van het dossier hebben gekregen. Zijn hoorzitting vindt plaats ten vroegste tien dagen na de vraag van de mandaathouder.
Indien geen beslissing wordt genomen binnen de vereiste termijn, wordt ze gunstig geacht voor de mandaathouder.
TITEL VII. - Anciënniteit
Art. 109.
§ 1. Voor het berekenen van de graad- en niveauanciënniteit, komen enkel in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als ambtenaar zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als lid van het personeel van een ministerie of van een overheidsinstelling die afhangt van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschapscommissies, een provincie of een plaatselijk bestuur of, op voorwaarde dat de Minister beslist over de toelaatbaarheid ervan, in een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke hiervoor zijn opgesomd, van een Staat van de Europese Unie als onderdaan van een van de lidstaten, en als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties.
Wat de vrijwillige onderbreking betreft, dient de onderbreking in de tijd ten minste één dag te omvatten.
Voor de deeltijdse prestaties gebeurt de berekening van de anciënniteit a rato van de verrichte prestaties.
§ 2. Voor de graadanciënniteit, worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar benoemd is in de graden die door de toe te passen bepalingen in aanmerking worden genomen, of vanaf de datum waarop de ambtenaar voor latere bevordering is gerangschikt ingevolge de terugwerking van zijn benoeming in zulke graden.
§ 3. Voor de niveauanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de graden die door de toe te passen bepalingen in aanmerking worden genomen of vanaf de datum waarop de ambtenaar voor latere bevordering is gerangschikt ingevolge de terugwerking van zijn benoeming in zulke graad.
Art. 110.
Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten welke de ambtenaar in enigerlei hoedanigheid zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als lid van het personeel van een ministerie of van een overheidsinstelling die afhangt van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschapscommissies, een provincie of een plaatselijk bestuur of, op voorwaarde dat de Minister beslist over de toelaatbaarheid ervan, in een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke hiervoor zijn opgesomd, van een Staat van de Europese Unie als onderdaan van een van de lidstaten, en als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties.
Voor de deeltijdse prestaties gebeurt de berekening van de anciënniteit a rato van de verrichte prestaties.
Art. 111.
De werkelijke diensten zijn de diensten die zijn geleverd in een administratieve stand, die bij de geldende bepalingen, een activiteitswedde garanderen of bij ontstentenis daarvan, het behoud van de aanspraak op bevordering tot een hogere wedde.
Vrijwillig is de onderbreking van ten minste één dag die door de daad of de schuld van de ambtenaar is veroorzaakt.
Volledig zijn de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt.
Art. 112.
§ 1. De in aanmerking komende diensten die in volle kalendermaanden berekend zijn, worden rechtstreeks gevaloriseerd in de graad-, niveau- en dienstanciënniteit.
§ 2. De deeltijdse prestaties van 1.976 uren worden voor twaalf volle kalendermaanden geteld.
De deeltijdse prestaties van een twaalfde van 1.976 uren worden voor één volle kalendermaand geteld, waarbij elk uurgedeelte wordt verwaarloosd.
TITEL VIII. - Loopbaan van de ambtenaren
HOOFDSTUK I. - Algemene regels inzake de loopbaan en de bevordering
Art. 113.
Onverminderd de bepalingen betreffende de mobiliteit, kunnen de bevorderingen worden toegekend door verhoging in graad of door overgang naar het hogere niveau.
Art. 114.
[Iedere betrekking van rang D2, C2, B2, A2, A2-deskundige of A3, die openstaat of binnen de eerstvolgende zes maanden vrijkomt, kan door het Algemeen Beheerscomité vacant worden verklaard, alvorens zij kan worden toegekend bij wege van bevordering door verhoging in graad.]149
[Er wordt een functiebeschrijving vastgesteld overeenkomstig artikel 48/3.]149
De vacantverklaring bepaalt de plaats van de betrekking in het personeelsplan, de plaats van tewerkstelling die de betrokkene wordt opgelegd en de vereiste geschiktheid.
Art. 115.
[De vacante betrekking wordt in kennis gegevens van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren en wordt eveneens per e-mail verstuurd. Het bericht vermeldt in ieder geval de vacante functie, de instantie waarbij en de termijn waarbinnen de kandidaatstelling moet worden ingediend, alsmede de gestelde algemene voorwaarden. Het omvat ook een functiebeschrijving die de te begeven betrekking betreft en verzoekt de kandidaten hun kwaliteiten te vermelden. Ambtenaren geven aan [het HRM]150 door via welk e-mailadres zij op de hoogte willen worden gehouden van vacante functies.]5
[In aanmerking komen alleen de aanspraken van de ambtenaren die binnen de twintig dagen vanaf de eerste werkdag die volgt op die van de kennisgeving van de vacature hun sollicitatie ter kennis van de directeur-generaal brengen.]150
[...]150
[...]5
Art. 116.
Voor iedere bevordering brengt de [Directieraad]32 een met redenen omkleed advies uit.
De [Directieraad]32 spreekt zich in zijn advies uit over iedere kandidaat die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij weegt hierbij de beschrijving van de functie en de algemene en bijzondere voorwaarden af tegenover de aanspraken en ervaringen die de kandidaat kan laten gelden voor een benoeming in de vacante betrekking. Hij neemt bovendien het evaluatiedossier van de kandidaten in overweging.
De [Directieraad]32 formuleert een gemotiveerd voorstel van benoeming dat ten hoogste zes kandidaten per vacante betrekking bevat. Zij worden gerangschikt in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen.
Van het voorstel wordt kennis gegeven aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking.
De ambtenaar die zich benadeeld acht kan, binnen vijftien dagen na de in het vorige lid bedoelde kennisgeving, bezwaar indienen bij de [Directieraad]32.
[...]151
De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de [Directieraad]32 gehoord.
Art. 117.
Het Algemeen Beheerscomité volgt de definitieve rangschikking die eenparig wordt uitgebracht.
Indien het voorstel van de [Directieraad]32 niet eenparig wordt uitgebracht[, kan het Algemeen Beheerscomité afwijken van het voorstel.]152
Art. 118.
De bevordering door overgang naar het hoger niveau wordt verleend bij wege van een [vergelijkende selectie georganiseerd in samenwerking met het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]153.
[De [laureaat]153 van een vergelijkende selectie voor overgang naar een hoger niveau, krijgt voorrang op de toelating tot de stage van een [laureaat]153 voor een wervingsreserve.]6
Art. 119.
§ 1. De vergelijkende selecties voor overgang naar het hogere niveau worden georganiseerd voor de bevordering naar de graden die in rang A1 als attaché, in rang B1 als assistent of in rang C1 als adjunct zijn gerangschikt.
De bevordering door overgang naar een hoger niveau is alleen mogelijk als er een betrekking in de in het eerste lid bedoelde wervingsgraad van dat niveau vacant is.
§ 2. Om deel te nemen aan een vergelijkende selectie voor overgang naar het hogere niveau dient de ambtenaar zich in een administratieve stand te bevinden waarbij hij op de bevordering aanspraak kan maken en moet hij, als laatste evaluatie, [minstens de vermelding]154 "gunstig" hebben gekregen.
§ 3. De vergelijkende selectie voor overgang naar het hogere niveau staat open :
1° voor bevordering tot de graad van rang A1, voor alle ambtenaren van de niveaus B en C die ten minste drie jaar anciënniteit hebben in één van beide of in beide niveaus;
2° voor bevordering tot de graad van rang B1, voor alle ambtenaren van niveau C die tenminste drie jaar anciënniteit tellen in dit niveau;
3° voor bevordering tot de graad van rang C1, voor alle ambtenaren van niveau D die tenminste drie jaar anciënniteit tellen in dit niveau.
§ 4. De deelnemingsvoorwaarden bepaald krachtens §§ 2 en 3 moeten vervuld zijn op de door de [beheerder van de procedure bepaalde datum en ten laatste de dag voor de eerste proef.]154
[Met de beheerder van de procedure wordt het personeelslid van het HRM bedoeld dat de bevoegdheid heeft om de datum vast te stellen waarop aan de voorwaarden voor deelname moet zijn voldaan.]154
Als na afsluiting van de vergelijkende selectie blijkt dat een kandidaat die voor bedoelde selectie geslaagd is, op welk ogenblik ook tijdens de vergelijkende selectie niet langer voldeed aan een van de deelnemingsvoorwaarden die vervuld moeten zijn om eraan te kunnen deelnemen, dan verliest hij het voordeel van zijn slagen voor deze selectie.
Art. 120.
[§ 1. De proeven voor overgang naar niveau A worden verdeeld in drie schiftingsreeksen.
Elke proef van elke reeks waarvoor de kandidaat minstens 60% van de punten heeft behaald, is geslaagd.
Voor elke geslaagde proef van elke reeks is het resultaat geldig zonder beperking in de tijd.
§ 2. De eerste proevenreeks wordt georganiseerd door het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning. De proeven van die reeks zijn bedoeld om de bekwaamheid van een ambtenaar om te functioneren op niveau A te beoordelen.
Alleen de laureaten van de eerste proevenreeks kunnen aan de tweede proevenreeks deelnemen.
§ 3. De tweede reeks bestaat uit drie proeven die bedoeld zijn om de kennisverwerving te beoordelen. Elk van de drie proeven bestaat erin een opleiding te volgen en te slagen voor een examen in verband met die opleiding.
De Directieraden van de Dienst en de Diensten van het Verenigd College zijn verantwoordelijk voor de gezamenlijke opstelling van het programma van elke proef van deze reeks en voor de organisatie ervan.
Elk examen voor elke cursus waarmee het slagen kan worden vastgesteld, is de verantwoordelijkheid van een jury van buiten de Dienst of de Diensten van het Verenigd College.
Alleen de laureaten van de eerste proef van deze reeks mogen deelnemen aan de tweede proef van deze reeks.
Alleen de laureaten van de tweede proef van deze reeks mogen deelnemen aan de derde proef van deze reeks.
§ 4. De derde reeks is een vergelijkende selectie voor een bepaalde functie. Ze wordt georganiseerd in samenwerking met het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, dat de selectie geheel of gedeeltelijk kan toevertrouwen aan de Dienst.
Ze is alleen toegankelijk voor de laureaten van de tweede proevenreeks.
De vergelijkende selectie kan verschillende proeven omvatten, waarvan de eerste een schiftingsproef kan zijn.
§ 5. De vergelijkende selectie eindigt met een rangschikking van de kandidaten die geschikt zijn bevonden om de functie uit te oefenen. De laureaten worden gerangschikt volgens de in het geheel van de proeven van de derde proevenreeks behaalde punten en volgens de door deze rangschikking bepaalde volgorde benoemd.]155
Art. 121.
[§ 1. De vergelijkende selecties voor overgang naar niveau B of C omvatten een algemene proef en een specifieke proef.
De specifieke proef kan bestaan uit verschillende subproeven, waarvan de eerste een schiftingsproef kan zijn.
§ 2. Alleen de kandidaat die slaagt voor de algemene proef kan aan de specifieke proef deelnemen.
§ 3. Om te slagen moeten de kandidaten minstens 60% van de punten behalen voor elke proef.]156
Art. 122.
In geval van selectie van een [laureaat]157 voor een vergelijkende selectie voor overgang naar een hoger niveau, wordt laatstgenoemde onderworpen, vanaf zijn indiensttreding, aan een proefperiode van zes maanden voltijdse prestaties.
[De directeur-generaal wijst de ambtenaar aan die, naargelang van de taalrol van de laureaat, het toezicht op de proefperiode uitoefent. Artikel 98, § 5, tweede tot en met vijfde lid, en § 6, is van toepassing.]157
[De ambtenaar belast met het toezicht op de proefperiode organiseert minimaal een gesprek gedurende de eerste maand van de proefperiode, gedurende de derde en gedurende de zesde maand van de proefperiode. Hij kan besluiten tot bijkomende gesprekken. Hij stelt de verslagen van deze gesprekken op en maakt ze over aan het HRM en de laureaat.]157
Tijdens de proefperiode is de [laureaat]157 voor een vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A of B gehouden een activiteitenverslag op te stellen.
Zowel de [laureaat]157 als de ambtenaar belast met de supervisie van de proefperiode kunnen de proefperiode voortijdig beëindigen. Laatstgenoemde kan dat enkel indien op grond van een gemotiveerd verslag is aangetoond dat de kandidaat niet voldoet aan de vereisten van het ambt alsook bij tuchtstraffen. De ambtenaar wordt van deze beslissing in kennis gesteld. Tijdens de proefperiode wordt de evaluatie van de [laureaat]157 opgeschort.
Bij het verstrijken van de proefperiode wordt de kandidatuur van de [laureaat]157 definitief aanvaard of verworpen door de ambtenaar belast met de supervisie van de proefperiode. Hij stelt de [laureaat]157 in kennis van zijn beslissing.
De [laureaat]157 kan beroep indienen tegen deze beslissingen bedoeld in het het vijfde en zesde lid bij de in artikel 16 bedoelde raad, binnen acht dagen na haarkennisgeving. Dit beroep is opschortend.
[...]157
Er kan in zijn evaluatiedossier geen melding worden gemaakt van de motivering die een einde maakt aan de proefperiode in zijn evaluatiedossier.
De [laureaat]157 die niet slaagde voor zijn proefperiode of die de betrekking opgeeft, herneemt zijn oorspronkelijke graad en behoudt zijn eerste rangschikking. Hij herneemt zijn voormalige betrekking of een gelijkgestelde betrekking.
Art. 123.
De bevorderingen door verhoging in graad en door overgang naar het hoger niveau worden verleend door het Algemeen Beheerscomité.
HOOFDSTUK II. - Functionele loopbaan
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 124.
De functionele loopbaan wordt toegepast op alle graden behalve deze die worden toegekend bij mandaat.
Zij bestaat erin dat de ambtenaar, zonder in graad te verhogen, één, twee of drie hogere weddenschalen geniet, volgens de graad, dan die welke zijn verbonden aan zijn graad, zolang hij voldoet aan de eisen die dit statuut stelt inzake anciënniteit en evaluatie.
Art. 125.
De [directeur-generaal]158 beheert het stelsel van de functionele loopbanen. Hij kent de hogere weddeschaal toe zodra een ambtenaar de voorwaarden inzake anciënniteit en evaluatie vervult.
Afdeling 2. - De verschillende functionele loopbanen
Art. 126.
[§ 1. Aan de graden van klerk, adjunct en assistent zijn de weddeschalen 101, 102, 103 en [104]159 verbonden.
[Aan de graden van eerste assistent, eerste adjunct en eerste klerk zijn de weddeschalen 200 verbonden.]159
Aan de graad van attaché zijn de weddeschalen 101, 102 en 103 verbonden.
Aan de graad van ingenieur zijn de weddeschalen 111, 112, 113 en 310 verbonden.
Aan de graden van geneesheer zijn de weddeschalen 131, 132, 133 en 331 verbonden.
Aan de graad van eerste attaché zijn de weddeschalen 200, 210 en 220 verbonden.
Aan de graad van eerste attaché deskundige zijn de weddeschalen 220 en 230 verbonden.
Aan de graad van eerste ingenieur deskundige zijn de weddeschalen 220, 230 en 310 verbonden.
Aan de graad van eerste geneesheer deskundige zijn de weddeschalen 133, 231 en 331 verbonden.
Aan de graad van directeur zijn de weddeschalen 300 en 310 verbonden.
§ 2. De weddeschaal 102, 112, 132, 210, 230, 231 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die zes jaar graadanciënniteit telt en die over [een evaluatiemelding minstens " gunstig "]159 beschikt.
De weddeschaal 103, 113, 133, 220, 310 of 331, naargelang van de graad, wordt aan de ambtenaar toegekend zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt en over [een evaluatiemelding minstens "gunstig"]159 beschikt.
De weddeschaal [104]159, 310 of 331, naargelang van de graad, wordt aan de ambtenaar toegekend zodra hij achttien jaar graadanciënniteit telt en over [een evaluatiemelding minstens "gunstig"]159 beschikt.]7
[HOOFDSTUK III. — Bevordering tot de graden van de rangen D2, B2, C2, A2, A2-deskundige en A3]160
Art. 127.
[Kunnen worden bevorderd door het Algemeen Beheerscomité tot de graad van directeur van rang A3, de ambtenaren met de graden van attaché van rang A1, van eerste attaché van rang A2 en van eerste attaché-deskundige van rang A2-deskundige, zodra hun niveauanciënniteit minstens zes jaar bedraagt.
Relevante werkervaring kan eveneens vereist worden wanneer de aard van de voor de bevordering naar rang A3 opengestelde betrekking dit rechvaardigt.]161
Art. 128.
[§ 1. Kunnen worden bevorderd door het Algemeen Beheerscomité tot de graad van eerste attaché-deskundige van rang A2-deskundige, de ambtenaren die minstens zes jaar graadanciënniteit hebben als attaché van rang A1 of minstens drie jaar graadanciënniteit hebben als eerste attaché van rang A2 of minstens zes jaar graadanciënniteit hebben als attaché van rang A1 en eerste attaché van rang A2 samen.
Daarnaast dienen de ambtenaren die tevens een team zullen leiden, te beschikken over drie jaar leidinggevende relevante ervaring in voltijdsequivalenten in één of meerdere verschillende functie(s).
§ 2. Kunnen worden bevorderd door het Algemeen Beheerscomité tot de graad van eerste attaché van rang A2, de attachés van rang A1 die minstens drie jaar graadanciënniteit hebben.
§ 3. Relevante werkervaring kan eveneens vereist worden wanneer de aard van de betrekking opgesteld voor bevordering in de rangen zoals bedoeld in de eerste en tweede paragraaf dit rechtvaardigt.]162
[Art. 128/1.
Kunnen worden bevorderd tot de graad van eerste assistent van rang B2, de ambtenaren die minstens negen jaar graadanciënniteit als assistent van rang B1 hebben.]163
[Art. 128/2.
Kunnen worden bevorderd tot de graad van eerste adjunct van rang C2, de ambtenaren die minstens negen jaar graadanciënniteit als adjunct van rang C1 hebben.]164
[Art. 128/3.
Kunnen worden bevorderd tot de graad van eerste klerk van rang D2, de ambtenaren die minstens negen jaar graadanciënniteit als klerk van rang D1 hebben.]165
Art. 129.
De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking [van rang D2, C2, B2, A2, A2-deskundige of A3]166 moet een evaluatie met [minstens de]166 vermelding "gunstig" hebben, moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf.
De ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is doorgehaald in overeenstemming met artikel 171 of met de bepalingen van het statuut dat op hem van toepassing is.
Art. 130.
Onverminderd de artikelen [127 tot en met 128/3]167 en in de in artikel 114 bedoelde gevallen, kan het Algemeen Beheerscomité de vacante betrekking openstellen via mobiliteit voor ambtenaren van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van de Federale Staat, van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschappen, van de Gemeenschapscommissies en van het Waalse Gewest, van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen waarvan het personeel via [het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]167 wordt aangeworven, die aan dezelfde bevorderingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van de [Dienst gelden, zoals bedoeld in de artikelen 127, 128, 128/1, 128/2, 128/3 en 129]167.
De beslissing van het Algemeen Beheerscomité verduidelijkt, voor iedere vacante betrekking, van welke instellingen onder deze bepaald in het eerste lid, de ambtenaren die zich kandidaat mogen stellen, moeten voortkomen.
In afwijking van artikel 115, eerste lid, wordt de vacature van een te verlenen betrekking ter kennis gebracht van de voor benoeming in aanmerking komende ambtenaren door middel van een bericht [dat minstens op de website van de Dienst en in]167 het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Zij bevat de te vervullen functiebeschrijving, de vereiste ervaring en kennis en de termijn binnen dewelke de ambtenaar zijn kandidatuur kan indienen.
Art. 131.
[Wanneer een betrekking openstaat overeenkomstig artikel 130, moeten de toelaatbaarheidsvoorwaarden, zoals bedoeld in de artikelen 127, 128, 128/1, 128/2, 128/3 en 129 vervuld zijn voor het verstrijken van de vereiste termijn voor het indienen van de kandidaatstelling.
De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de bevorderingsprocedure bij gemotiveerde beslissing van het HRM.
Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaatstellingen.]168
Art. 132.
§ 1. Wanneer er beroep wordt gedaan op artikel 130, neemt het Algemeen Beheerscomité een individueel besluit tot overdracht dat bij uittreksel gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. Een kopie wordt ter informatie overgemaakt aan de overheid die de benoemingsbevoegdheid heeft in de instelling van herkomst van de ambtenaar.
§ 2. De overdracht houdt de benoeming in de graad van tewerkstelling naar dewelke de ambtenaar is overgeplaatst van rechtswege in. De ambtenaar behoudt zijn administratieve anciënniteit die hij verworven heeft voor zijn overplaatsing.
§ 3. De overgedragen ambtenaar is niet langer onderworpen aan de statutaire bepalingen die op hem van toepassing waren binnen zijn instelling van herkomst.
§ 4. Indien, in zijn instelling van herkomst, de graad van de ambtenaar duidelijk verschilt van de bij de Dienst bestaande graad, wordt de gelijkwaardigheid bepaald door de Minister.
HOOFDSTUK IV. - Het mandaat
Art. 133.
Het Verenigd College kent de betrekkingen verbonden aan de graden van rang A4, A4+ en A5 bij mandaat toe.
Iedere betrekking wordt door het Verenigd College vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven bij mandaat.
De mandaten van rang A4, A4+ en A5 worden vacant verklaard via een open procedure, waarbij gelijktijdig interne en externe kandidaten meedingen.
Onder externe kandidaten dient te worden verstaan, alle andere kandidaten dan de ambtenaren van de Dienst.
[...]169
[Het mandaat wordt uitgeoefend in het kader van een tijdelijk statutair dienstverband. Het verschaft geen enkel recht op een vaste benoeming in de desbetreffende functie.]169
Telkens wanneer er in dit besluit het woord "ambtenaar" wordt gebruikt, wordt ook de mandaathouder bedoeld behoudens anders luidende bepaling.
[Indien de mandaathouder, op het moment van zijn aanwijzing, vastbenoemd is bij de Dienst, kan de betrekking waarin hij vastbenoemd is vacant worden verklaard nadat de mandaathouder na zijn eerste evaluatie de vermelding "gunstig" of "voldoende" heeft gekregen. Intussen kan die betrekking alleen worden ingevuld door een contractuele aanwerving of door middel van de uitoefening van een hogere functie.]169
Art. 134.
Vóór elke toekenning van een mandaat legt het Verenigd College, na advies van het Algemeen Beheerscomité [, rekening houdend met de lopende beheersovereenkomst van de Dienst]170 , de doelstellingen vast die tijdens dit mandaat moeten bereikt worden.
Art. 135.
§ 1. De aangestelde ambtenaar oefent het mandaat daadwerkelijk uit.
§ 2. In geval hij het mandaat niet kan uitoefenen wegens overlijden, langdurige ziekte, zwangerschapsverlof, schorsing in het belang van de dienst, ontslag of enige andere reden die hem verhindert zijn mandaat uit te oefenen, kan het Verenigd College het mandaat tijdelijk toekennen aan een ander personeelslid voor maximaal zes maanden.
§ 3. [De mandaathouder oefent zijn taak voltijds uit, tenzij indien deze laatste een flexibele werkregeling geniet overeenkomstig artikel 22/1.]171
Tijdens zijn mandaat kan hij :
1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd als dit het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging [,de zorgen in geval van ernstige ziekte en mantelzorg betreft, overeenkomstig artikel 190,17°;]171
2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen, om een ambt uit te oefenen in het kabinet van een minister of om een functie uit te oefenen bij een erkende politieke fractie [overeenkomstig artikel 190, 8°, 12° en 13°]171;
3° geen politiek verlof krijgen [overeenkomstig artikel 190, 8°]171 ;
4° geen verlof krijgen voor een stage [...]171 in een andere betrekking van een overheidsdienst [overeenkomstig artikel 190, 15°]171;
5° geen verlof krijgen voor opleiding [overeenkomstig artikel 190, 9°]171;
6° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwilliger bij dit korps of om cursussen bij te wonen van de school van het korps voor civiele bescherming [overeenkomstig artikel 190, 14°]171;
7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen [overeenkomstig artikel 190, 10°]171;
8° geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheden, in het kader van de vierdagenweek en in het kader van een halftijds werk vanaf 50 of 55 jaar [overeenkomstig artikel 190, 6° en 19°]171;
[9° geen toelating krijgen om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden, overeenkomstig artikel 244, 3°;]171
10° geen verlof krijgen om ter beschikking gesteld te worden van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België;
11° geen ouderschapsverlof krijgen buiten de loopbaanonderbreking [overeenkomstig artikel 190, 3°]171;
Art. 136.
De graadanciënniteit van de mandaathouder is gelijk aan zijn anciënniteit in de graad die hij bekleedde voor zijn aanstelling. De duur van het mandaat wordt meegerekend in zijn dienst, graad- en geldelijke anciënniteit.
De ambtenaar geniet de geldelijke rechten verbonden aan de graad die hem bij mandaat wordt toegekend.
Art. 137.
[§ 1. Het mandaat duurt vijf jaar.
§ 2. Naast de gevallen voorzien in artikel 107 neemt het mandaat vroegtijdig een einde in geval van:
1° schorsing in het belang van de dienst voor meer dan zes maanden;
2° ononderbroken afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden;
3° terugzetting in graad;
4° ambtshalve ontslag;
5° afzetting;
6° vrijwillig ontslag;
7° inruststelling.
Behoudens in het geval van een vrijwillig ontslag neemt het mandaat een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de mandaathouder zich bevindt in één van de gevallen voorzien in het eerste lid.
In geval van vrijwillig ontslag door de mandaathouder, is een opzegging van zes maanden vereist. Deze termijn kan verkort worden in onderling akkoord tussen de mandaathouder en het Verenigd College.]172
Art. 138.
Met inachtneming van artikel 44 tot en met 46 staan de mandaten van rang A4, A4+ en A5 open voor ambtenaren van niveau A die ten minste negen jaar anciënniteit van niveau A hebben of ten minste zes jaar leidinggevende ervaring hebben.
Met inachtneming van artikel 44 tot en met 46 staan de mandaten van rang A4, A4+ en A5 open voor personen die kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie van niveau A [en die]173 ten minste zes jaar leidinggevende ervaring hebben.
[Onder leidinggevende ervaring wordt verstaan ervaring inzake het beheer van een team van minstens tien personen in een overheidsdienst of in een organisatie uit de privésector in een administratieve, juridische, boekhoudkundige context, een dienst human resources of een dienst verbonden aan de bevoegdheden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.]173
[De kandidaat dient te voldoen aan de in het eerste of tweede lid opgenomen ontvankelijkheidsvoorwaarden op de laatste dag van de termijn voorzien in artikel 139, § 1, tweede lid, 1°.]173
Elke betrekking die overeenkomt met de graden van de rangen A4, A4+ en A5 omvat een al dan niet rechtstreekse deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag en aan werkzaamheden strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere openbare lichamen.
Art. 139.
§ 1. De vacante betrekkingen maken het voorwerp uit van een oproep tot de kandidaten die [minstens op de website van de Dienst en]174 in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd.
In de oproep tot de kandidaten wordt voor elke vacant verklaarde betrekking het volgende vermeld :
1° de termijn bedoeld in § 2 waarbinnen de kandidatuur ingediend moet worden bij de voorzitter van de [Directieraad]32;
2° de gegevens die de kandidatuur dient te bevatten bedoeld in § 3;
3° de adresgegevens van de personeelsdienst waar een functiebeschrijving van de te begeven betrekking en de omschrijving van de doelstellingen bedoeld in artikel 134 bekomen kunnen worden.
§ 2. Worden enkel in aanmerking genomen de kandidaturen van de ambtenaren die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de [Directieraad]32, binnen een termijn van dertig dagen. Deze termijn gaat in de dag volgend op de bekendmaking van de oproep in het Belgisch Staatsblad.
§ 3. Elke kandidatuur bevat een uiteenzetting van de aanspraken en ervaring die de kandidaat laat gelden om voor de betrekking te kandideren.
De betrokkene dient een kandidatuur in te dienen voor elke betrekking waarvoor hij zich kandidaat stelt.
§ 4. [...]174
Art. 140.
§ 1. Binnen de vijftien dagen volgend op de uiterlijke datum bedoeld in artikel 139, § 2, wordt het verzoek om advies bedoeld in artikel 141 door de voorzitter van de [Directieraad]32 bij de selectiecommissie ingediend.
§ 2. In het verzoek om advies dient de termijn vermeld te worden waarbinnen de selectiecommissie zich dient uit te spreken.
Deze termijn mag niet minder bedragen dan dertig dagen na ontvangst van het verzoek door de voorzitter van de selectiecommissie.
§ 3. Het verzoek om advies bevat :
1° de kandidaturen bedoeld in artikel 139, § 3;
2° de doelstellingen bedoeld in artikel 134;
3° de functiebeschrijving van de te begeven betrekking.
Art. 141.
§ 1. De selectiecommissie controleert de algemene en bijzondere toelatingsvoorwaarden van de kandidaten.
De kandidaten die niet voldoen aan deze voorwaarden worden van de selectie uitgesloten. Deze beslissing wordt aan de uitgesloten kandidaten meegedeeld per aangetekend schrijven.
Binnen de vijftien dagen die volgen op deze officiële kennisgeving kan de kandidaat bezwaar aantekenen per aangetekend schrijven aan de voorzitter van de selectiecommissie en kan hij vragen gehoord te worden. In deze hypothese, wordt de kandidaat ten minste tien dagen voor de hoorzitting opgeroepen, doormiddel van een kennisgeving, en moet hij tijdens deze termijn toegang hebben tot de stukken van het dossier. De kandidaat kan zich bij de hoorzitting laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
Na onderzoek van het bezwaar doet de selectiecommissie een uitspraak over de toelaatbaarheid en deelt haar beslissing mee [...].175
Wanneer de selectiecommissie een kandidaat uitsluit, begint de termijn voorzien om zijn advies te geven te lopen vanaf de dag waarop de commissie een definitieve uitspraak heeft gedaan over de toelatingsvoorwaarden.
§ 2. De selectiecommissie nodigt de kandidaten uit voor een gesprek.
De selectiecommissie geeft een gemotiveerd advies over de gelijkwaardigheidsgraad van de competenties, van de relationele en managementvaardigheden van iedere kandidaat met betrekking tot de elementen vervat in het verzoek om advies bedoeld in artikel 140.
Na een vergelijking van de diploma's en de verdiensten van de kandidaten, deelt de selectiecommissie de kandidaten in hetzij in groep A "geschikt", hetzij in groep B "niet geschikt".
In de groep A worden de kandidaten gerangschikt. Als geoordeeld wordt dat ze gelijkwaardig zijn, worden ze ex aequo gerangschikt.
Art. 142.
Het Verenigd College duidt de mandaathouder aan onder de kandidaten van groep A.
De mandaathouder stelt, binnen zes maanden vanaf de opname van zijn functie, een beheersplan op, rekening houdend met de doelstellingen bedoeld in art. 134, en stelt het voor aan het Verenigd College of aan de afgevaardigden ervan.
HOOFDSTUK V. - Uitoefening van een hogere functie
Art. 143.
De ambten die bij mandaat worden uitgeoefend vallen niet onder de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 144.
Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in het personeelsplan voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan die waarvan de ambtenaar titularis is.
Art. 145.
§ 1. Het feit alleen dat een betrekking definitief open staat of tijdelijk onbezet is, is geen voldoende reden om die betrekking voorlopig te verlenen.
Het Algemeen Beheerscomité beslist over de noodzaak om een hogere functie toe te kennen, volgens de behoeften van de dienst. Indien de betrekking definitief open staat, zet zij vooraf de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking in.
§ 2. Er kan in een ofwel definitief openstaande [...]176 tijdelijk niet waargenomen betrekking niet voor langer dan zes maanden worden voorzien door aanstelling voor het uitoefenen van een hoger ambt.
Indien de betrekking niet definitief open staat kan de in het vorige lid bepaalde termijn op gunstig advies van de Directieraad worden verlengd. De duur van de verlenging wordt bepaald volgens de behoeften van de dienst.
Indien de betrekking definitief open staat kan de in het eerste lid bedoelde termijn op gunstig advies van de Directieraad met een nieuwe en laatste periode van zes maanden worden verlengd.
Art. 146.
Alleen een ambtenaar die voldoet aan de statutaire vereisten om tot het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangesteld.
De ambtenaar die tuchtrechtelijk geschorst of in graad teruggezet is, mag niet aangesteld worden voor het uitoefenen van een hoger ambt vooraleer zijn straf uitgewist is.
Art. 147.
De ambtenaar die met een hoger ambt is belast, oefent alle aan dat ambt verbonden prerogatieven uit.
Art. 148.
Uitoefening van een hoger ambt verleent geen aanspraak op vaste benoeming in de graad van dat ambt.
[TITEL IX. — Dienstaanwijzing, overplaatsing, externe overplaatsing, en wedertewerkstelling]177
Art. 149.
De dienstaanwijzing van een ambtenaar preciseert de betrekking in het personeelsplan waarin hij ingedeeld werd.
De dienstaanwijzing van de stagiairs en de ambtenaren gebeurt door [de directeur-generaal of door de adjunct directeur-generaal]178.
[De directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal kan de aanwijzing wijzigen in het belang van de dienst.]178
Art. 150.
§ 1. De overplaatsing is de overheveling van een [ambtenaar]179 [dat geen mandaathouder is]179naar een ander ambt van zijn graad voorzien in het personeelsplan en dat deel uitmaakt van een andere Directie.
De overplaatsing vindt plaats hetzij door vrijwillige overplaatsing [...]179 van de ambtenaar [...]179 naar aanleiding van een interne oproep, hetzij door ambtshalve overplaatsing.
§ 2. [...]179
§ 3. Een interne oproep [voor de vrijwillige overplaatsing]179 kan worden gedaan door [het HRM]179 aan de ambtenaren van de Dienst voor de vacante betrekking, met een dienstnota die het volgende vermeldt :
1° de functiebeschrijving;
2° het gewenste profiel van de kandidaten;
3° binnen welke termijn de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking kan kenbaar maken.
[Deze interne oproep gebeurt met name door de dienstnota per e-mail te sturen naar de ambtenaren die in aanmerking komen voor overplaatsing. De ambtenaren geven aan [het HRM]179 door via welk e-mailadres zij op de hoogte willen worden gesteld van de te vervullen vacatures door vrijwillige overplaatsing.]9
[De kandidaatstellingen moeten schriftelijk worden ingediend bij de directeur-generaal. Een afschrift ervan wordt tegelijkertijd toegestuurd aan het HRM. Het HRM onderzoekt in welke mate aan de ingediende kandidaatstellingen, die het gevolg zijn van een interne oproep, gevolg kan worden gegeven; daartoe vergelijkt het HRM het profiel van de kandidaat met de functiebeschrijvingen van de vacante betrekkingen en legt het betrokken mandaathouder diensten een lijst voor met kandidaten van wie het profiel overeenstemt met de functiebeschrijving van deze betrekking.
De mandaathouder van de betrokken diensten of zijn afgevaardigde, bijgestaan door het HRM, selecteert de kandidaat die het best aan de vereisten van de functie beantwoordt en stelt de overplaatsing van de gekozen kandidaat voor aan het Algemeen Beheerscomité.]179
§ 4. De ambtenaar kan ambtshalve overgeplaatst worden als voor het bekleden van een betrekking bijzondere eisen inzake kennis of ervaring gelden en indien de betrekking niet kon worden bezet na een vergelijkende selectieproef.
De ambtshalve overplaatsing kan eveneens worden beslist door het Algemeen Beheerscomité indien zij gerechtvaardigd is door dienstbehoeften of -noodwendigheden.
De overplaatsingsbeslissing wordt gemotiveerd aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om de betrekking te kunnen bezetten.
[Voorafgaand aan de beslissing, genomen door het Algemeen Beheerscomité, wordt de ambtenaar gehoord door de Directieraad waar hij zich mag laten bijstaan door de persoon van zijn keuze, met uitzondering van elke persoon die gevraagd wordt een advies uit te brengen over de ten laste gelegde feiten.]179
Art. 151.
§ 1. De externe mutatie is de overplaatsing van een ambtenaar die niet tot de Dienst behoort naar een vacante betrekking van zijn graad of van een gelijkwaardige graad voorzien in het personeelsplan van de Dienst.
§ 2. Het Algemeen Beheerscomité kan beslissen een oproep te lanceren ten aanzien van de ambtenaren van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de federale Staat, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Waals Gewest, de Franse, Vlaamse en Duitstalige Gemeenschappen en de Gemeenschapscommissies, de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen waarvan het personeel via [het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]180 wordt aangeworven, die aan dezelfde voorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van de Dienst gelden.
De beslissing van het Algemeen Beheerscomité specifieert voor iedere openstaande betrekking, tot welke instellingen bedoeld in het eerste lid de ambtenaren dienen te behoren opdat ze zich kandidaat kunnen stellen.
De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een openstaande betrekking middels een externe mutatie moet [minstens een " gunstige "]180 evaluatie genieten, moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en niet vallen onder een nog niet geschrapte definitieve tuchtstraf overeenkomstig de bepalingen van het statuut dat op hem van toepassing is.
§ 3. In afwijking van artikel 115, eerste lid, worden de ambtenaren die vatbaar zijn voor een benoeming in kennis gebracht van de openstelling van de betrekking, [minstens middels een bericht dat gepubliceerd wordt op de website van de Dienst en]180 in het Belgisch Staatsblad.
Het [...]180 gepubliceerde bericht bevat de vacante functieomschrijving, de vereiste ervaring en kennis van de kandidaten en de termijn waarbinnen de ambtenaar zijn kandidatuur kan indienen.
Artikel 150, § 3, tweede en derde lid zijn van toepassing.
[Art. 151/1.
Wanneer de betrekking overeenkomstig artikel 151 openstaat, controleert het HRM de toelaatbaarheid van de kandidaatstellingen.
De toelaatbaarheidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 151 moeten vervuld zijn voor het verstrijken van de vereiste termijn voor het indienen van de kandidaatstelling.
De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden, worden uitgesloten van de procedure bij beslissing van het HRM.]181
Art. 152.
§ 1. Wanneer er beroep wordt gedaan op artikel 151, neemt het Algemeen Beheerscomité een individueel besluit tot overplaatsing dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Een kopie wordt ter informatie overgemaakt aan de overheid die de benoemingsbevoegdheid heeft in de instelling van herkomst van de ambtenaar.
§ 2. De overplaatsing houdt de benoeming in de graad van tewerkstelling naar dewelke de ambtenaar is overgeplaatst van rechtswege in. De ambtenaar behoudt zijn administratieve anciënniteit die hij verworven heeft voor zijn overplaatsing.
§ 3. De overgeplaatste ambtenaar is niet langer onderworpen aan de statutaire bepalingen die op hem van toepassing waren binnen zijn instelling van herkomst.
§ 4. Indien, in zijn instelling van herkomst, de graad van de ambtenaar duidelijk verschilt van de bij de Dienst bestaande graad, wordt de gelijkwaardigheid bepaald [door het Algemeen Beheerscomité]182.
Art. 153.
[Wedertewerkstelling is de aanwijzing van een ambtenaar in een andere betrekking van zijn graad binnen de Dienst volgend op:
1° de afschaffing van de betrekking waarvoor hij werd aangewezen;
2° de verklaring van medische ongeschiktheid voor de uitoefening van zijn functie.]183
Art. 154.
De afschaffing van de betrekking die een ambtenaar bekleedt, kan geen aanleiding geven tot het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar of tot ontslag.
De ambtenaar wordt herplaatst en bevindt zich in de administratieve stand dienst activiteit.
Art. 155.
Het advies van de arbeidsgeneesheer kan vereist worden om de bekwaamheid van een persoon met een handicap tot het bekleden van de nieuwe betrekking na te gaan.
TITEL X. - De tuchtregeling
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Art. 156.
De bepalingen van deze titel zijn ook van toepassing op de stagiairs.
HOOFDSTUK II. - Tuchtstraffen
Art. 157.
De volgende tuchtstraffen kunnen tegen ambtenaren worden uitgesproken.
1° de terechtwijzing;
2° de inhouding van wedde;
3° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
4° de tuchtschorsing;
5° de lagere inschaling;
6° de terugzetting in graad;
7° het ontslag van ambtswege;
8° de afzetting.
Art. 158.
De inhouding van de wedde wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden. Onverminderd [artikel 23, vierde lid]184 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, mag ze niet meer dan twintig procent van de brutowedde bedragen.
De ambtenaar die inhouding van wedde als tuchtstraf opgelegd krijgt, krijgt een gewaarborgde maandelijkse wedde waarvan het nettobedrag minstens gelijk is aan het leefloon zoals bepaald krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
Als de ambtenaar deeltijds werkt, wordt het gewaarborgd bedrag vastgelegd naar rato van de duur van zijn prestaties.
Art. 159.
De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan [geen vrijwillige overplaatsing]185 bekomen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald.
Art. 160.
Tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden.
De bestrafte ambtenaar krijgt een gewaarborgde maandelijkse wedde waarvan het nettobedrag minstens gelijk is aan het leefloon zoals bepaald krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
Als de ambtenaar deeltijds werkt, wordt het gewaarborgd bedrag vastgelegd naar rato van de duur van zijn prestaties.
Art. 161.
De lagere inschaling bestaat in de toekenning :
1° ofwel van een lagere weddeschaal ingedeeld in dezelfde graad;
2° ofwel van een graad van dezelfde rang met een lagere weddeschaal.
Art. 162.
De terugzetting in graad bestaat in de toekenning :
1° ofwel van een graad van een lagere rang die in hetzelfde niveau is ingedeeld, wanneer de ambtenaar titularis is van een bevorderingsgraad;
2° ofwel van een graad van het rechtstreeks lager niveau, wanneer de ambtenaar titularis is van een [graad van rang 1]186.
In ieder geval moet de graad waarin de terugzetting plaatsvindt, voorkomen in het personeelsplan.
De ambtenaar neemt in de nieuwe graad rang in op de datum waarop de in het eerste lid bedoelde toekenning van een graad uitwerking heeft.
Art. 163.
Elke tuchtstraf wordt in het persoonlijk dossier van de betrokken ambtenaar opgenomen.
HOOFDSTUK III. - Principes in verband met de tuchtprocedure
Art. 164.
[§ 1. De tuchtprocedure kan slechts slaan op feiten die door de in artikel 169 bedoelde overheid vastgesteld werden binnen de zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de procedure aanvangt. De tuchtprocedure neemt een aanvang wanneer de oproeping om te worden gehoord aan de betrokken ambtenaar werd verzonden.
Indien verschillende tuchtinbreuken gepleegd werden, die elk een afzonderlijke inbreuk uitmaken, door eenheid van doel en verwezenlijking verenigd zijn, begint de termijn van zes maanden te lopen daags na het laatste feit, op voorwaarde dat er niet meer dan zes maanden zijn verlopen tussen twee inbreuken. In ieder geval, kan geen straf worden opgelegd wegens inbreuken die meer dan één jaar voor het instellen van de tuchtprocedure vastgesteld werden door de in artikel 169 bedoelde overheid.
In geval van strafvordering, wordt de tuchtvordering niet later ingesteld dan zes maanden nadat het orgaan dat bevoegd is om de tuchtprocedure op te starten over voldoende informatie beschikt om de noodzaak te beoordelen om de tuchtprocedure in te stellen. Het is aan dit orgaan om zich te informeren over de stand van de strafvordering.
§ 2. De tuchtprocedure kan geschorst worden indien de feiten die het voorwerp uitmaken van een tuchtprocedure eveneens het voorwerp uitmaken van een strafvordering en indien er twijfel bestaat over:
1° het bewijs van de feiten;
2° de schuld van de betrokkene.
Het is aan de tuchtoverheid om zich te informeren over de stand van de strafvordering. Indien de tuchtoverheid voldoende duidelijkheid heeft over de zaken omschreven in het eerste lid, wordt de tuchtvordering verdergezet.
De strafvordering doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken. Indien een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, moet de tuchtoverheid de opgelegde tuchtstraf intrekken en dit met terugwerkende kracht vanaf de datum dat de tuchtstraf is opgelegd.]187
Art. 165.
§ 1. Behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen, kan niemand het voorwerp van een tuchtvordering zijn voor reeds bestrafte feiten.
§ 2. Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven, zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken.
Art. 166.
§ 1. De overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken, kan geen zwaardere straf opleggen dan die welke werd voorgesteld en mag slechts rekening houden met de feiten die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben.
De straf mag geen uitwerking hebben vóór de uitspraak ervan.
§ 2. De overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken, motiveert elke beslissing die niet overeenstemt met het voorstel dat haar werd gedaan.
Art. 167.
[...]188
Art. 168.
[...]188
HOOFDSTUK IV. - De procedures
Afdeling 1. - Voorstel van tuchtstraf
Art. 169.
[De directeur-generaal is bevoegd voor de toepassing van onderhavige afdeling. De directeur-generaal kan deze bevoegdheid delegeren aan één of twee ambtenaren van een hogere rang dan deze van de vervolgde ambtenaar.
Als de vervolgde ambtenaar de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal is, is de Minister bevoegd voor de toepassing van onderhavige afdeling.]189
[Art. 169/1.
§ 1 De tuchtprocedure start door een oproeping gericht aan de ambtenaar door de in artikel 169 bedoelde overheid. Deze oproepingsbrief informeert de ambtenaar over de feiten die hem ten laste worden gelegd en over het feit dat een tuchtprocedure tegen hem wordt opgestart.
§ 2. De oproepingsbrief vermeldt:
1° de ten laste worden gelegd feiten;
2° het recht van de ambtenaar om zijn standpunt met alle passende middelen te doen kennen;
3° de geschonden normen;
4° de in artikel 157 bepaalde tuchtstraffen;
5° dat er een dossier ter beschikking is gesteld betreffende de ten laste gelegde feiten;
6° de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
7° de mogelijkheid om bijkomende
onderzoeksmaatregelen te vragen.
De vervolgde ambtenaar en de in artikel 169 bedoelde persoon mogen zich laten bijstaan door een persoon van hun keuze, met uitzondering van elke persoon die gevraagd wordt een advies uit te brengen over de ten laste gelegde feiten. De vervolgde ambtenaar mag zich evenmin laten bijstaan door om het even welke persoon die op een andere manier tussenkomt in de procedure.
§ 3. Het tuchtdossier wordt geïnventariseerd en gevoegd bij de oproeping gericht aan de vervolgde ambtenaar.
§ 4. Als de vervolgde ambtenaar, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt of zich niet laat vertegenwoordigen, wordt hij een tweede maal opgeroepen. Indien de vervolgde ambtenaar ook de tweede maal niet verschijnt of zich niet laat vertegenwoordigen, spreekt de in artikel 169 bedoelde persoon zich uit op basis van de stukken in het dossier, zelfs als de vervolgde persoon een geldige reden kan inroepen voor zijn niet-verschijning of niet-vertegenwoordiging.]190
[Art. 169/2.
§ 1er. Het tuchtdossier omvat het volgende:
- de oproeping;
- elk document dat en elke inlichting die de administratie heeft ontvangen in verband met de feiten die de vervolgde ambtenaar ten laste worden gelegd;
- elke tuchtstraf die niet geschrapt is;
- elk document ingediend door de vervolgde ambtenaar of zijn verdediger;
- elk document opgemaakt door de administratie tijdens de tuchtprocedure of bezorgd aan de administratie door een derde;
- het resultaat van elke eventuele onderzoeksmaatregel.".
§ 2. Het tuchtdossier vermeld in de eerste paragraaf wordt ter beschikking gesteld van de personen en leden van de volgende organen:
- de overheid die bevoegd is om een voorstel van tuchtstraf op te stellen, overeenkomstig de artikelen 169 en 169/3;
- de leden van de overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken, overeenkomstig artikel 170;
- de leden van de raad van beroep, zoals bedoeld in artikel 16, indien beroep wordt ingesteld tegen de beslissing genomen door de in het vorige punt bedoelde overheid;
- de vervolgde ambtenaar.
Deze mensen zijn gebonden aan een geheimhoudingsplicht.
§ 3. Het tuchtdossier wordt uit het persoonlijk dossier van de ambtenaar gewist zodra de daarop betrekking hebbende tuchtstraf wordt gewist overeenkomstig artikel 171.
Indien de aan de ambtenaar opgelegde tuchtstraf bestaat uit het ambtshalve ontslag of de afzetting, wordt het tuchtdossier uit het individueel dossier van de betrokken ambtenaar geschrapt zodra deze de pensioenleeftijd heeft bereikt.]191
[Art. 169/3.
§ 1er. De persoon zoals bedoeld in artikel 169 hoort de vervolgde ambtenaar over de hem ten laste gelegde feiten en desgevallend ook de getuigen en gaat over tot elke andere onderzoeksmaatregel.
Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De vervolgde ambtenaar ontvangt het proces-verbaal en geeft het binnen een termijn van zeven dagen terug. Als hij kenbaar te maken bezwaren heeft, geeft hij het proces-verbaal met een bijgevoegde geschreven nota terug.
§ 2. Na te hebben kennisgenomen van de eventuele opmerkingen van de vervolgde ambtenaar of na het tuchtdossier te hebben geanalyseerd overeenkomstig artikel 169/1 § 4, stelt de persoon zoals bedoeld in artikel 169 de ambtenaar in kennis van welke tuchtstraf hij ten aanzien van hem van plan is voor te stellen, en bezorgt hij het voorstel aan de overheid die bevoegd is om de straf uit te spreken.]192
Afdeling 2. - Uitspraak van de tuchtstraf
Art. 170.
De tuchtstraf wordt uitgesproken door het Verenigd College voor de mandaathouders.
De tuchtstraf wordt uitgesproken door het Algemeen Beheerscomité voor de andere ambtenaren.
De overheid bevoegd om de tuchtstraf uit te spreken betekent haar beslissing aan de betrokken ambtenaar binnen de maand vanaf de dag waarop ze het voorstel ontving, zoniet wordt ze geacht van de tuchtstraf af te zien. Deze termijn wordt met een maand verlengd wanneer de gerechtelijke vakanties tijdens deze termijn lopen.
HOOFDSTUK V. - Uitwissing van de tuchtstraf
Art. 171.
§ 1. Elke tuchtstraf, behalve het ontslag van ambtswege en de afzetting, wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar uitgewist onder de in § 2 bepaalde voorwaarden.
Onverminderd de uitvoering van de straf, heeft de uitwissing tot gevolg dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden, inzonderheid bij de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de evaluatie.
Met de uitwissing wordt elke vermelding van of verwijzing naar de tuchtstraf in het dossier geschrapt.
§ 2. De uitwissing van de tuchtstraffen geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op :
1° zes maanden voor de terechtwijzing;
2° één jaar voor de inhouding van de wedde;
3° achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
4° twee jaar voor de tuchtschorsing;
5° drie jaar voor de lagere inschaling en de terugzetting in graad.
[De periode van uitwissing gaat in op de dag waarop de opgelegde tuchtstraf definitief is geworden en de ambtenaar ervan in kennis is gesteld.
Een tuchtstraf is definitief wanneer de raad van beroep zoals bedoeld in artikel 16 geen beroep tegen deze sanctie heeft ontvangen vóór het verstrijken van de termijn voorzien in artikel 172, eerste lid, of, indien de raad van beroep een beroep tegen deze sanctie heeft ontvangen binnen de termijn voorzien in artikel 172, eerste lid, wanneer die laatste desgevallend de ambtenaar een tuchtstraf oplegt.]193
HOOFDSTUK VI. - Beroep
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 172.
De ambtenaar tegen wie een tuchtstraf wordt [uitgesproken]194, kan hiertegen, binnen een termijn van twintig dagen te rekenen na de kennisgeving van [de beslissing]194, hetzij persoonlijk, hetzij door een persoon naar keuze, beroep aantekenen bij de in artikel 16 bedoelde raad van beroep.
[...]194
Het beroep is opschortend.
Afdeling 2. - Beroepsprocedure
Art. 173.
[...]195
Art. 174.
[...]195
Art. 175.
[...]195
Afdeling 3. - Uitspraak van de straf in beroep
Art. 176.
[...]195
TITEL XI. - Schorsing in het belang van de dienst
[HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen]196
Art. 177.
[§ 1. De ambtenaar kan in zijn functie worden geschorst wanneer het belang van de dienst dat vereist.
§ 2. De overheid kan de ambtenaar eveneens de mogelijkheid ontzeggen om zijn aanspraak op bevordering en het recht op verhoging in weddeschaal te laten gelden en hem aan een vermindering van zijn wedde onderwerpen in de volgende gevallen:
a) wanneer de ambtenaar strafrechtelijk vervolgd wordt;
b) wanneer de ambtenaar tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstige fout, waarbij de ambtenaar op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn.
De in het eerste lid bedoelde vermindering van wedde mag evenwel niet meer bedragen dan deze bedoeld in artikel 23, vierde lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. De ambtenaar krijgt gewaarborgd een maandelijkse wedde waarvan het nettobedrag minstens gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals bepaald krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.]197
Art. 178.
De bepalingen van deze titel gelden eveneens voor de stagiairs.
HOOFDSTUK II. - Bevoegde overheid
Art. 179.
[§ 1. Behoudens in het geval voorzien in het tweede lid, kan de schorsing in het belang van de dienst alleen worden voorgesteld door de directeur-generaal.
Indien de betrokken ambtenaar de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal is, kan de schorsing in het belang van de dienst alleen worden voorgesteld door de Minister.
§ 2. Behoudens in het geval voorzien in het tweede lid, kan de schorsing in het belang van de dienst alleen worden uitgesproken door het Algemeen beheerscomité.
Indien de betrokken ambtenaar de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal is, kan de schorsing in het belang van de dienst alleen worden uitgesproken door het Verenigd College.]198
HOOFDSTUK III. - Procedure
Art. 180.
[De schorsing in het belang van de dienst kan slechts worden uitgesproken nadat de betrokken ambtenaar door de in artikel 179, § 1, bedoelde overheid gehoord is. De ambtenaar wordt minstens 5 dagen voor de hoorzitting opgeroepen, door middel van een kennisgeving en moet tijdens deze termijn toegang hebben tot de stukken van het dossier. De oproeping vermeldt de feiten waarop de procedure is gestoeld en bepaalt uitdrukkelijk dat de in artikel 179,§ 2, bedoelde overheid overweegt de ambtenaar te schorsen in het belang van de dienst.
De betrokken ambtenaar en de in artikel 179,§ 2, bedoelde persoon mogen zich laten bijstaan door een persoon van hun keuze, met uitzondering om het even welke persoon die op een andere manier tussenkomt in de procedure.
Indien de ambtenaar wegens overmacht niet kan worden gehoord, kan hij zich door een persoon van zijn keuze laten vertegenwoordigen, met uitzondering van de in het voorgaande lid uitgesloten personen.
In geval van hoogdringendheid, kan afgeweken worden van de in het eerste lid voorziene hoorzitting. De betrokken ambtenaar kan dan voorlopig geschorst worden. Deze voorlopige schorsing moet bevestigd worden na het houden van een hoorzitting in de zin van het eerste lid. Deze hoorzitting moet zo snel mogelijk plaatsvinden en met inachtneming van de rechten van de verdediging.]199
Art. 181.
[De ambtenaar wordt binnen de tien werkdagen die volgen op de in artikel 180 bedoelde hoorzitting in kennis gesteld van de beslissing, zo niet wordt deze geacht te zijn ingetrokken.]200
In dat geval kan de overheid geen nieuwe schorsing in het belang van de dienst uitspreken op basis van dezelfde feiten.
[Als de in artikel 180 bedoelde hoorzitting wordt geschrapt overeenkomstig artikel 180, vierde lid, wordt de ambtenaar in kennis gesteld van de beslissing binnen de vijf werkdagen, te rekenen vanaf de beslissing genomen door de bevoegde overheid krachtens artikel 179, § 2.]200
HOOFDSTUK IV. - Duur [...]201 van de schorsing in het belang van de dienst
Art. 182.
[De schorsing in het belang van de dienst wordt uitgesproken voor een periode van ten hoogste zes maanden.
Deze termijn kan worden verlengd met zesmaandelijkse termijnen in geval van strafrechtelijke vervolging tot maximaal zes maanden nadat de overheid in kennis werd gesteld van de strafrechtelijke uitspraak, de minnelijke schikking in strafzaken of de seponering.]202
Art. 183.
[...]203
HOOFDSTUK V. - Beroep
Art. 184.
De in artikel 16 van dit besluit bedoelde raad van beroep neemt kennis van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen in verband met de schorsing in het belang van de dienst en met de in artikel [177, § 2]204 bedoelde maatregelen. [Het beroep werkt evenwel niet opschorsend en moet worden ingediend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing, ofwel persoonlijk, ofwel door een persoon van zijn keuze, bij de in artikel 16 bedoelde raad van beroep.]204
[...]204
HOOFDSTUK VI. - Einde van de schorsing in het belang van de dienst
Art. 185.
[De schorsing in het belang van de dienst, alsmede de maatregelen zoals bedoeld in artikel 177, § 2, eindigen ambtshalve:
1° wanneer de schorsingstermijn van zes maanden afloopt zonder dat deze werd verlengd in het geval voorzien in artikel 182, § 1, tweede lid;
2° wanneer, voor dezelfde feiten als deze waarvoor de ambtenaar in het belang van de dienst werd geschorst, een tuchtstraf wordt opgelegd;
3° wanneer, voor dezelfde feiten als deze die het voorwerp uitmaakten van de schorsing in het belang van de dienst, geen tuchtstraf werd voorgesteld aan de ambtenaar in het kader van een tuchtprocedure.]205
Art. 186.
[§ 1. Indien een tuchtschorsing wordt opgelegd, vindt die schorsing plaats met terugwerkende kracht. In dit geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst, op de duur van de tuchtschorsing aangerekend.
Het bedrag van de tijdens de schorsing in het belang van de dienst ingehouden wedde wordt afgetrokken van het bedrag van het verlies van wedde dat gepaard gaat met de tuchtstraf die leidt tot de inhouding van wedde. Als het bedrag van de ingehouden wedde hoger is dan het bedrag van het verlies van wedde dat gepaard gaat met de tuchtstraf die leidt tot de inhouding van wedde, wordt het verschil door de overheid aan de ambtenaar terugbetaald.
Indien als tuchtstraf een inhouding van wedde wordt opgelegd, heeft die terugwerkende kracht voor het bedrag van de in het kader van de schorsing in het belang van de dienst opgelegde inhouding. In dit geval wordt het bedrag van de in het kader van de schorsing in het belang van de dienst opgelegde inhouding verrekend met het bedrag van de als tuchtstraf opgelegde inhouding van wedde.
§ 2. Indien de ambtenaar buiten vervolging wordt gesteld, zijn dossier geseponeerd wordt of wanneer de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vrijspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, worden de beslissingen die genomen werden krachtens artikel 177, § 2 inzake de vermindering van de wedde en inzake de ontzegging van het recht verhoging in weddeschaal nietig verklaard.]206
TITEL XII. - Verloven en administratieve standen
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 187.
De ambtenaar bevindt zich in een van de volgende standen :
1° dienstactiviteit;
2° non-activiteit;
3° disponibiliteit.
Art. 188.
De ambtenaar wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht in dienstactiviteit te zijn behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem hetzij van rechtswege, hetzij bij beslissing van de bevoegde overheid, in een andere administratieve stand plaatst.
[Art. 188/1.
Voor de toepassing van onderhavige titel wordt een stagiair gelijkgesteld met een ambtenaar, tenzij anders is bepaald.]207
HOOFDSTUK II. - Dienstactiviteit
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 189.
Behoudens uitdrukkelijke andersluidende bepaling heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op bevordering tot een hogere weddeschaal.
De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof, dienstvrijstelling of inhaalrust te hebben gekregen.
[Onder dienstvrijstelling moet worden verstaan, de toestemming die de ambtenaar heeft gekregen om voor onbepaalde duur afwezig te zijn tijdens de diensturen met behoud van al zijn rechten.
De directeur-generaal kan overeenkomstig het arbeidsreglement dienstvrijstellingen van collectieve aard toekennen.
De deelname van de ambtenaar aan een georganiseerde werkonderbreking van het werk wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Hij heeft evenwel geen recht op zijn wedde.]208
De ambtenaar in actieve dienst kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden.
Art. 190.
[Onverminderd enige andere bepaling krijgt de ambtenaar in dienstactiviteit verlof onder meer]209:
1° voor jaarlijkse vakantie [, en op de sluitingsdagen en voor omstandigheidsverlof]209;
2° voor moederschapsbescherming; vaderschapsverlof;
3° ouderschapsverlof, voor opvang met het oog op adoptie of pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing;
4° om dwingende redenen van familiaal belang;
5° wegens ziekte;
6° voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
7° voor verminderde prestaties om medische redenen;
8° om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen of om een politiek mandaat uit te oefenen;
9° voor sociale promotie en om deel te nemen aan vormingsactiviteiten;
10° wegens opdracht;
11° voor vakbondsopdrachten;
12° voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen;
13° om een ambt uit te oefenen bij het kabinet van een federale minister of staatssecretaris, of bij het kabinet van een regeringslid van een Gemeenschap of een Gewest of bij het kabinet van een lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Colleges van de Vlaamse of Franse Gemeenschapscommissies;
14° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden;
15° om een stage te vervullen [voor een andere betrekking bij een overheidsdienst, zoals bepaald in artikel 2, § 1, 5° en 6°]209;
16° om medische of humanitaire redenen;
[17° voor loopbaanonderbreking;
18° voor zorgverlof.]11
[19° in het kader van de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.]209
[...]209
Art. 191.
[De ambtenaar kan in beroep gaan bij de in artikel 16 bedoelde raad, wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake verlof betreffende de volgende gevallen:
1° de jaarlijkse vakantie;
2° het verlof voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen.
Een ambtenaar met een graad van rang A2 of hoger kan, naast de gevallen voorzien in het eerste lid, de in artikel 16 bedoelde raad aanzoeken, wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake verlof betreffende de volgende gevallen:
1° de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
2° de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar;
3° de loopbaanonderbreking.
De ambtenaar beschikt, voor het indienen van zijn beroep, over een termijn van vijftien dagen vanaf de datum waarop hij in kennis werd gesteld van de beslissing hem.]210
[Afdeling 2. - Verloven voor jaarlijkse vakantie, op de sluitingsdagen, en omstandigheidsverlof]211
Art. 192.
Het jaarlijks verlof bedoeld in artikel 190, 1°, is vastgesteld op 35 werkdagen. De ambtenaar geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit en twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit.
Art. 193.
De vakantiedagen worden opgenomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst. [Zij worden toegekend door de functionele chef of de hiërarchisch meerdere.]212
De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie.
De dagen worden opgenomen binnen het kalenderjaar. Nadere regels voor de overdracht naar het volgende kalenderjaar van onbestede vakantiedagen kunnen door het arbeidsreglement worden vastgesteld.
[In geval van ambtsneerlegging heeft de ambtenaar het recht om zijn nog resterende verlof op te nemen zonder dat hem dat kan worden geweigerd om redenen van dienstbelang. In onderling akkoord kan de ambtenaar zijn nog resterend verlof laten uitbetalen.]212
Art. 194.
[De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van dringende familieomstandigheden in geval van ziekte of een ongeval waardoor de onmiddellijke aanwezigheid van de ambtenaar vereist is.
De ambtenaar staaft zijn aanvraag.
Het eventuele medische attest mag de medische reden zelf niet vermelden.]12
Art. 195.
Indien de ambtenaar de in artikel 194, eerste lid, bedoelde vier werkdagen heeft opgebruikt of indien hij volledig de werkdagen waarin artikel 192 voorziet heeft opgebruikt, heeft hij recht op twee bijkomende werkdagen om dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel 194.
Art. 196.
Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd :
1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;
2° wanneer hij tijdens het jaar verlof bekomt :
a) [om een stage te vervullen voor een andere betrekking bij een overheidsdienst, zoals bedoeld in artikel 190, 15°]213 ;
b) om kandidaat te zijn voor de parlements-, gewest-, provincie-, gemeente-, of Europese raadsverkiezingen, zoals bedoeld in artikel 190, 8° ;
c) om dwingende redenen van familiaal belang, zoals bedoeld in artikel 190, 4° ;
d) wegens halftijdse vervroegde uittreding, [zoals bedoeld in artikel 119, 19°]213;
e) met toepassing van de vrijwillige vierdagenweek, [zoals bedoeld in artikel 119, 19°]213 ;
f) voor onderbreking van de beroepsloopbaan, zoals bedoeld in artikel 241;
g) wegens opdracht, zoals bedoeld in artikel 190, 10°;
[h) zorgverlof, zoals bedoeld in artikel 190, [...]213, 18°.]13
[i) voor verminderde prestaties om medische redenen, zoals bedoeld in artikel 190, 7°.]213
[3° wanneer de ambtenaar in non-activiteit of in disponibiliteit is geplaatst.]213
[Het berekende aantal verlofdagen bedraagt een hele of een halve dag. Dit aantal wordt afgerond naar de hogere halve of hele dag.]213
Art. 197.
[De jaarlijkse vakantie zoals bedoeld in artikel 192 wordt geschorst, volgens de modaliteiten bepaald in het arbeidsreglement, indien de ambtenaar door ziekte of ongeval verhinderd is zijn functie normaal uit te oefenen.]214
Art. 198.
[De ambtenaar werkt niet op sluitingsdagen zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 16°.]14 215
[...]215
[...]215
[Bij ambtsneerlegging vóór 27 december, heeft de ambtenaar recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal sluitingsdagen die samenvielen met een niet-werkdag in de periode dat hij nog in dienst was. Deze kunnen onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof worden opgenomen.]215
Art. 199.
[Het omstandigheidsverlof, zoals bedoeld in artikel 190, 1°, wordt toegekend, binnen de hierna vastgestelde perken, naar aanleiding van de hieronder vermelde gebeurtenissen:
1° naar aanleiding van een huwelijk of inschrijving in het bevolkingsregister van het contract van wettelijke samenwoning:
a) van de ambtenaar: 4 werkdagen;
b) van een kind van de ambtenaar, de echtgenoot van de ambtenaar, zijn echtgenoot of zijn samenwonende partner: 2 werkdagen.
c) van een broer, een zus, een schoonbroer, een schoonzus, de vader, de moeder, de schoonvader, de tweede echtgenoot van de moeder, de schoonmoeder, de tweede echtgenote van de vader, een kleinkind van de ambtenaar: 1 werkdag;
2° naar aanleiding van:
a) de geboorte van een kind van wie de afstamming langs de zijde van de ambtenaar vaststaat: 20 werkdagen.
Om voor dit omstandigheidsverlof in aanmerking te komen, moet de ambtenaar een verklaring overleggen waaruit de beweerde afstamming blijkt.
Bij ontstentenis genieten de volgende personen datzelfde verlof, in volgorde van prioriteit:
- de ambtenaar die wettelijk samenwoont met de persoon van wie de afstamming is vastgesteld en bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en niet is verbonden door een band van bloedverwantschap die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor geen ontheffing kan verleend worden;
- de ambtenaar die gedurende een ononderbroken periode van drie jaar voorafgaand aan de geboorte op permanente en affectieve wijze samenwoont met de persoon met wie de afstamming is vastgesteld en met wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en niet is verbonden door een band van bloedverwantschap die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor geen ontheffing kan verleend worden.
Slechts één ambtenaar heeft recht op bovengenoemd bedoelde verlof, ter gelegenheid van de geboorte van hetzelfde kind.
Het bewijs van samenwoning en hoofdverblijfplaats wordt geleverd door middel van een uittreksel uit het bevolkingsregister.
Het recht op moederschapsverlof sluit voor dezelfde ouder het recht op dit verlof uit.
Dit verlof kan niet worden gecombineerd met adoptieverlof, zoals bedoeld in de artikelen 203 en 204 van onderhavig besluit.
b) de geboorte van een kleinkind van de ambtenaar, ofwel van de echtgenoot of de samenwonende partner van de ambtenaar: 1 werkdag.
3° naar aanleiding van een overlijden wordt een omstandigheidsverlof toegekend naargelang de verwantschap:
a) het overlijden van de echtgenoot of de samenwonende partner van de ambtenaar: 10 werkdagen;
b) het overlijden van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgenoot of samenwonende partner: 10 werkdagen;
c) het overlijden van een pleegkind van de ambtenaar of van zijn echtgenoot of samenwonende partner in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden: 10 werkdagen;
d) het overlijden van de vader, moeder, stiefmoeder, stiefvader, schoonzoon of schoondochter van de ambtenaar, de echtgenoot of de samenwonende partner: 4 werkdagen;
e) het overlijden van de pleegvader of pleegmoeder van de ambtenaar in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden: 4 werkdagen;
f) het overlijden van een bloed- of aanverwant van de ambtenaar, de echtgenoot of de samenwonende partner, in om het even welke graad, maar onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar: 2 werkdagen;
g) het overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede graad van de ambtenaar of van zijn echtgenoot of samenwonende partner, een overgrootouder of een achterkleinkind, maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar: 1 werkdag;
h) het overlijden van een pleegkind van de ambtenaar of van zijn echtgenoot of samenwonende partner in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: 1 werkdag.
Indien de gebeurtenis zich voordoet tijdens een periode van deeltijdse arbeid, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd.
De verlofdagen voorzien in het eerste lid, 2°, b) en 3°, g) kunnen opgesplitst worden in halve dagen.".
Voor de toepassing van onderhavig artikel wordt de persoon met wie de ambtenaar wettelijk samenwoont, zoals geregeld in het burgerlijk Wetboek gelijkgesteld met de echtgenoot van de ambtenaar.
Voor de toepassing van onderhavig artikel wordt bedoeld met de samenwonende partner van de ambtenaar de persoon met wie de ambtenaar onder hetzelfde dak samenwoont in een gemeenschappelijke huishouding, zonder met laatstgenoemde te zijn gehuwd of wettelijk samen te wonen.
De ambtenaar die een omstandigheidsverlof wil genieten naar aanleiding van een gebeurtenis vermeld in onderhavig artikel en die zijn samenwonende partner betreft, moet eerst een attest van de gezinssamenstelling voorleggen dat ten vroegste werd opgesteld op de 10e werkdag voorafgaand aan de indiening van de verlofaanvraag.]216
Afdeling 3. - Verlof voor moederschapsbescherming
Art. 200.
De verschuldigde bezoldiging voor de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar bevallingsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte.
[...]17
Wanneer de vrouwelijke ambtenaar het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum gebeurt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de vrouwelijke ambtenaar zich in bevallingsverlof. In afwijking van het eerste lid is de bezoldiging verschuldigd.
Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.
Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden, de volgende afwezigheden gedurende de zes weken of, in geval van de geboorte van een meerling, gedurende de acht weken die vallen vóór de zevende dag welke aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaan :
1° de in artikel 190, 1°, bedoelde verloven;
2° het in artikel 190, 4°, bedoelde verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
3° de afwezigheden wegens ziekte [...]17;
[4° de volledige werkverwijdering zoals bedoeld in het zevende lid;]17 217
[5° het zorgverlof, zoals bedoeld in artikel 190, 18°.]18
[...]17
Ingeval van geboorte van een meerling wordt, op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar, de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd, met een periode van [maximaal twee weken]217. [...]217
Zwangere of borstgevende ambtenaren mogen geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit lid, te worden beschouwd, alle werk opgelegd bovenop de 38 uren week.
De ambtenaar die, met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en van artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
[Onderhavig artikel is van toepassing in geval van een miskraam, op voorwaarde dat de zwangerschap minimaal honderdtachtig dagen heeft geduurd vanaf de conceptie.]217
Art. 201.
Als de moeder van het kind overlijdt bij de bevalling of tijdens het moederschapsverlof of als zij in het ziekenhuis wordt heropgenomen, verkrijgt de vader van het kind of de ambtenaar waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft, op eigen verzoek, een verlof ter vervanging van het moederschapverlof om in de opvang van het kind te voorzien.
In geval van overlijden van de moeder is de duur van het verlof ter vervanging van het moederschapverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het bevallingsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had. De ambtenaar die vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft en die het verlof ter vervanging van het moederschapverlof wenst te genieten stelt daar schriftelijk de [directeur-generaal]218van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof ter vervanging van het moederschapverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor.
In geval van hospitalisatie van de moeder kan de ambtenaar die vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft, een verlof ter vervanging van het moederschapverlof krijgen onder de volgende voorwaarden :
1° de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;
2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.
Het verlof ter vervanging van het moederschapverlof kan niet aanvangen voor de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en moet beëindigd zijn op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het bevallingsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.
De ambtenaar die de vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft en die het verlof ter vervanging van het moederschapverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de [directeur-generaal]218 van op de hoogte. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
Zodra de vader van het kind of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft het verlof bedoeld in dit artikel verkrijgt, heeft hij geen recht meer op het verlof bedoeld in artikel 199, eerste lid, 2°.
Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verpleeginrichting moet opgenomen blijven, kan, op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar, de postnatale rustperiode worden verlengd met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verpleeginrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verpleeginrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verpleeginrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met de vermelding van de duur van de opname;
2° in voorkomend geval, een nieuw getuigschrift van de verpleeginrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit de bepalingen van dit lid, waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verpleeginrichting nog niet heeft mogen verlaten en met de vermelding van de duur van de opname.
De bezoldiging voor de in het vorige lid bedoelde verlenging van de postnatale rust mag niet meer dan vierentwintig weken bestrijken.
Art. 202.
§ 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden of melk af te kolven tot zeven maanden na de geboorte van het kind.
In uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de gezondheidstoestand van het kind en voor zover één en ander blijkt uit een medisch getuigschrift, kan de totale duur tijdens welke de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op borstvoedingspauzes, met maximum twee maanden worden verlengd.
§ 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één of twee keer.
De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.
De vrouwelijke ambtenaar dient met de overheid waaronder zij ressorteert overeen te komen op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden.
§ 3. De vrouwelijke ambtenaar die wenst de borstvoedingspauzes te genieten brengt schriftelijk twee weken op voorhand de overheid waaronder zij ressorteert hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar, geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, Office de la Naissance et de l'enfance of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.
Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan.
Afdeling 4. - Ouderschapsverlof, voor opvang met het oog op adoptie of pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing
Art. 203.
[Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind of de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg, maximum vier maanden ouderschapsverlof, zoals bedoeld in artikel 190, 3°, toegestaan. Dit verlof moet genomen worden voor het kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt. Het verlof mag enkel gesplitst worden in maanden en genomen worden met volledige dagen.]19
Het ouderschapsverlof wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art. 204.
§ 1. De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie.
De maximumduur van het verlof bedraagt zes weken. Het verlof kan in weken worden gesplist en dient uiterlijk binnen de vier maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar te worden genomen. Op verzoek van de ambtenaar kunnen ten hoogste drie weken van dit verlof worden opgenomen vooraleer het kind effectief in het gezin werd opgenomen.
De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal, overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
De ambtenaar die het verlof wenst te genieten deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
De ambtenaar dient volgende documenten voor te leggen :
1° een attest, uitgereikt door de Gemeenschap, waarbij de toewijzing van het kind aan de ambtenaar wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste drie weken te verkrijgen vooraleer het kind in het gezin wordt opgenomen;
2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt, om het resterend verlof te kunnen opnemen.
§ 2. De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op pleegvoogdij. Hij kan eveneens dit verlof krijgen wanneer hij een minderjarige in zijn gezin opneemt, ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een onthaalgezin.
De maximumduur van het verlof bedraagt vier weken, indien het opgenomen kind ouder is dan drie jaar, en zes weken, indien het die leeftijd nog niet heeft bereikt. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan in weken worden gesplist; het dient uiterlijk binnen de vier maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar te worden genomen.
De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal, overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde verloven worden bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Afdeling 5. - Verlof om dwingende redenen van familiaal belang
Art. 205.
Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan de ambtenaar verlof krijgen wegens dwingende redenen van familiaal belang, zoals bedoeld in artikel 190, 4°, uit hoofde van volgende omstandigheden :
1° ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;
2° de opvang van zijn/haar kinderen of kleinkinderen jonger dan 18. Deze leeftijdsgrens is echter niet van toepassing op kinderen of kleinkinderen die als [persoon met een handicap]219erkend zijn;
3° het verlies van zelfredzaamheid van bloedverwanten in opgaande lijn in de eerste en de tweede graad, onder hetzelfde dak wonend of niet.
Indien het verlof wegens dwingende familiale redenen tijdens een periode van deeltijdse arbeid genomen wordt, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd.
Dit verlof is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Afdeling 5/1. [- Het zorgverlof]20
Art. 205/1.
[§ 1. De ambtenaar heeft het recht om, volgens de voorwaarden en regels waarin deze paragraaf voorziet, van het werk afwezig te zijn gedurende maximaal vijf, al dan niet opeenvolgende, dagen per kalenderjaar, met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een gezinslid of een familielid dat om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun.".
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
1° gezinslid: het bepaalde onder artikel 22/1, § 1er;
2° familielid: het bepaalde onder artikel 22/1, § 1er;
3° een ernstige medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun: het bepaalde onder artikel 22/1, § 1er;
De ambtenaar die gebruik wenst te maken van het recht op zorgverlof, zoals bedoeld in deze paragraaf, stelt [het HRM]220.
De ambtenaar legt [het HRM]220 zo spoedig mogelijk ter staving een doktersattest voor dat ten vroegste 12 maanden voorafgaand aan de datum van het zorgverlof door de behandelend arts van het betrokken gezinslid of het familielid is afgeleverd en waaruit blijkt dat dit gezinslid of familielid om een ernstige medische reden behoefte heeft aan aanzienlijke zorg of steun. Dit attest mag de medische reden zelf niet vermelden.
§ 2. Het verlof wordt genomen per dag of per halve dag.
§ 3. Dit verlof is niet bezoldigd. Het verlof wordt gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit.
§ 4. Indien het verlof tijdens een periode van deeltijdse arbeid genomen wordt, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd.]20
Afdeling 6. - Ziekteverlof
Art. 206.
Tijdens zijn volledige loopbaan heeft de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, recht op ziekteverlof, bedoeld in artikel 190, 5°, tot maximum eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen 36 maanden in dienst is, wordt zijn wedde hem niettemin gedurende 63 werkdagen gewaarborgd.
In aanmerking komen ook alle daadwerkelijke prestaties die de ambtenaar in welke hoedanigheid ook verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een onderwijsinstelling, een dienst voor beroepskeuze, een psycho-medisch-sociaal centrum of een medisch-pedagogisch instituut voor zover zij werden opgericht, erkend of gesubsidieerd door de Staat, een Gewest, een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie.
Voor de ambtenaar die oorlogsinvalide is wordt het aantal in het eerste lid vastgestelde dagen respectievelijk op 32 en 95 gebracht.
Art. 207.
[§ 1. Het aantal werkdagen, zoals bedoeld in artikel 206, wordt in evenredige mate verminderd, wanneer de ambtenaar tijdens zijn loopbaan:
1° hetgeen volgt heeft gekregen:
a) verlof van arbeidsherverdelende aard, zoals bedoeld in artikel 240;
b) verlof om een stage te vervullen bij een overheidsdienst, zoals bedoeld in artikel 190, 15°;
c) verlof om een opdracht te vervullen, zoals bedoeld in artikel 190, 10°;
d) verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen, zoals bedoeld in artikel 190, 8°;
e) verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan, zoals bedoeld in artikel 241;
f) verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, zoals bedoeld in artikel 190, 5°, behalve in geval van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van of naar het werk of een beroepsziekte;
g) een toelating om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden, zoals bedoeld in artikel 244, 3°;
2°: op non-activiteit werd geplaatst wegens ongewettigde afwezigheid.
Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.
§ 2. Ziekteverlof maakt geen einde aan:
1° de in de artikelen 240 en 241 bedoelde verloven;
2° de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden, zoals bedoeld in artikel 190, 6°;
3° de toelating om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden, zoals bedoeld in artikel 244, 3°;
De ambtenaar blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde ontvangen.]221
§ 3. Wanneer de ambtenaar deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal verlofdagen waarop hij recht heeft, naar rata van de te verrichten prestaties. Als het totale aantal aldus verrekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, worden de gedeelten van een dag niet meegeteld.
Voor de ambtenaar die deeltijdse prestaties verricht, worden als dagen ziekteverlof de dagen afwezigheid aangerekend tijdens welke de ambtenaar prestaties diende te verrichten.
§ 4. Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang, bedoeld in artikel 190, 4°. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd.
[§ 4/1. Het ziekteverlof wordt tijdelijk onderbroken tijdens het zorgverlof, bedoeld in artikel 190, [...]221 18°. De dagen van het zorgverlof die samenvallen met het ziekteverlof, worden niet beschouwd als ziekteverlofdagen.]21
§ 5. In afwijking van artikel 206 en van § 4, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
3° een beroepsziekte.
Bovendien komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen die de ambtenaar overeenkomstig artikel 206 nog kan krijgen, zelfs niet na de datum van consolidatie. De ambtenaren die door een beroepsziekte bedreigd worden en die, onder de door de Minister vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk ophouden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
§ 6. De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de schuld van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in § 5, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen die de ambtenaar nog krachtens artikel 206 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de indeplaatsstelling van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
§ 7. Wanneer de ambtenaar verminderde prestaties verricht die gespreid zijn over alle werkdagen, wordt het ziekteverlof aangerekend pro rata van het aantal uren dat hij gedurende zijn afwezigheid had moeten presteren. Indien het aldus berekende aantal werkdagen geen geheel getal is, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid. Indien aldus het totaal aantal aangerekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, wordt het gedeelte van de dag niet meegerekend.
Indien de ambtenaar deeltijds verlof geniet op basis van een wettelijke bepaling tot herverdeling van de arbeid in de openbare sector, worden enkel de werkdagen tijdens dewelke hij op basis van een voltijdse werkregeling prestaties had moeten verrichten als ziekteverlof meegerekend.
[§ 8. Ziekteverlofdagen opgenomen wegens [ieder strafrechtelijk strafbaar feit]221 na een gerechtelijke beslissing [plaatshebbend op de werkplek]221 worden geneutraliseerd voor de bepaling van de dag vanaf welke de ambtenaar zich van rechtswege in een administratieve stand van disponibiliteit wegens ziekte overeenkomstig artikel 253 bevindt. In voorkomend geval wordt de toestand van de ambtenaar met terugwerkende kracht gecorrigeerd.]22
Afdeling 7. - Verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden
Art. 208.
§ 1. [De ambtenaren die houder zijn van een graad die zich bevindt in rang A1 en in de niveaus B, C en D hebben recht op de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden zoals bedoeld in artikel 190, 6°. Met toestemming van de directeur-generaal, die hierbij rekening houdt met de noodzaak om de goede werking van de dienst te waarborgen, kunnen de houders van een andere graad deze verloven eveneens genieten. De stagiairs worden van dit verlof uitgesloten.
De ambtenaar moet de helft, vier vijfde of negen tiende van duur van de prestaties volbrengen die hem normaal worden opgelegd. Deze prestaties worden ofwel elke dag ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week verricht.]222
De machtiging om verminderde prestaties te leveren wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Verlengingen van ten minste 3 maanden en maximum 24 maanden kunnen worden toegekend.
Voor elke verlenging wordt een aanvraag van [de betrokken ambtenaar]222 vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van het lopende verlof worden ingediend.
De ambtenaar kan zijn ambt volledig hervatten voordat de toegestane periode verstrijkt met inachtneming van een opzegperiode van drie maanden tenzij de [directeur-generaal]222 een kortere periode aanvaardt.
§ 2. Tijdens de afwezigheidsperiode is de ambtenaar die gebruik maakt van de regeling van verminderde prestaties om persoonlijke redenen op non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering doen gelden alsook op de functionele loopbaan, naar rata van de verrichte dienstprestaties. De bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan de machtiging tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties.
§ 3. De ambtenaar geniet de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties.
De wedde van de ambtenaar, die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt en de ambtenaar die ten minste twee kinderen die niet de volle leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben ten laste heeft, wordt vermeerderd met het vijfde van de wedde die verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt.
§ 4. De machtiging om verminderde prestaties te verrichten wordt opgeschort zodra de ambtenaar één van de volgende verloven bekomt :
1° het bevallingsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof en opvangverlof, bedoeld in artikel 190, 2° en 3° ;
2° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang, bedoeld in artikel 190, 4° ;
3° het verlof om een stage te vervullen, bedoeld in artikel 190, 15° ;
4° om kandidaat te zijn bij verkiezingen, bedoeld in artikel 190, 8° ;
5° het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps Civiele Bescherming, bedoeld in artikel 190, 14° ;
6° het verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet, bedoeld in artikel 190, 13° ;
7° het verlof voor opdracht, bedoeld in artikel 190, 10° :
8° het verlof voor werkzaamheden bij een erkende politieke fractie in een federale wetgevende vergadering of een wetgevende vergadering van een Gemeenschap of een Gewest of bij de voorzitter van één van die groepen, bedoeld in artikel 190, 12°;
[9° het zorgverlof, zoals bedoeld in artikel 190, [...]222 18°.]23
Afdeling 8. - Verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen
Art. 209.
Zoals vermeld in artikel 190, 7°, kan de ambtenaar vragen om zijn ambt met verminderde prestaties om medische redenen uit te oefenen :
1° om zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;
2° wanneer hij wegens een langdurige medische ongeschiktheid verhinderd is voltijds te werken, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen.
De beoordeling van de medische toestand van de ambtenaar en de toekenning van de verminderde prestaties om medische redenen gebeurt door een arts van de medische controledienst. [Deze dienst wordt aangeduid door de Dienst.]279
Art. 210.
§ 1. De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 1°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties [...]223.
De verminderde prestaties mogen worden toegestaan voor een periode van één maand. Verlengingen mogen worden toegestaan voor ten hoogste dezelfde periode, indien de medische controledienst oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt.[De verminderde prestaties mogen niet meer dan drie opeenvolgende maanden bedragen.]223De bepalingen van artikel 209, tweede lid, zijn van toepassing.
§ 2. De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 2°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum twaalf maanden, tenzij de arts van de medische controledienst oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
Verlengingen mogen worden toegestaan voor ten hoogste twaalf maanden, indien de medische controledienst bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt. De bepalingen van artikel 209, tweede lid, zijn van toepassing.
§ 3. Bij elk onderzoek oordeelt de arts van de medische controledienst of de ambtenaar geschikt is om 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties te leveren.
Tijdens een lopende periode van verminderde prestaties om medische redenen kan de in § 2 bedoelde ambtenaar een nieuw medisch onderzoek aanvragen bij de medische controledienst met het oog op het aanpassen van zijn arbeidsstelsel.
§ 4. De verminderde prestaties bedoeld in § 1 worden elke dag verricht, tenzij de arts van de medische controledienst er anders over beslist.
De in § 2 bedoelde verminderde prestaties worden verricht volgens een verdeling van de prestaties over de week, conform het advies van de arts van de medische controledienst.
Art. 211.
§ 1. De dagen dat een ambtenaar afwezig is tijdens deze periode van verminderde prestaties om medische redenen worden beschouwd als verlof. Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
[...]224
§ 2. De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 1° en 2° geniet zijn volledige wedde voor de eerste drie maanden van de verminderde prestaties om medische redenen.
De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 2°, geniet vanaf de vierde maand [tot en met de vierentwintigste maand]224 de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties, vermeerderd met 60 % van de wedde die verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt.
[De ambtenaar zoals bedoeld in artikel 209, eerste lid, 2°, geniet vanaf de vijfentwintigste maand de wedde die overeenkomt met de verminderde prestaties.]224
§ 3. [De verminderde prestaties om medische redenen worden opgeschort in geval van:
1° onderbreking van de beroepsloopbaan;
2° halftijdse vervroegde uittreding;
3° vrijwillige vierdagenweek;
4° verminderde prestaties om persoonlijke redenen;
5° afwezigheid van lange duur om persoonlijke redenen;
6° verloven in het kader van de moederschapsbescherming;
7° ouderschapsverlof.]224
De machtiging om verminderde prestaties om medische redenen te verrichten, wordt tijdelijk [opgeschorst]224 tijdens een afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.
Art. 212.
§ 1. De ambtenaar die verminderde prestaties om medische redenen wenst te genieten, dient het advies verkregen te hebben van de arts van de medische controledienst ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de verminderde prestaties.
De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 1°, dient een geneeskundig getuigschrift en een plan voor reïntegratie voor te leggen van zijn behandelende arts. In het plan voor reïntegratie vermeldt de behandelende arts de vermoedelijke datum van de volledige werkhervatting.
De ambtenaar bedoeld in artikel 209, eerste lid, 2°, dient een omstandig geneeskundig verslag voor te leggen van een geneesheer-specialist.
§ 2. De arts van de medische controledienst [...]280 spreekt zich uit over de medische geschiktheid van de ambtenaar om zijn ambt ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties weer op te nemen. Hij overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na de behandelende arts bedoeld in artikel 209, tweede lid, te hebben geraadpleegd, zijn bevindingen schriftelijk aan de ambtenaar.
§ 3. Na de overhandiging van de bevindingen door de arts van de medische controledienst, in het kader van een aanvraag voor verminderde prestaties om medische redenen bedoeld in artikel 209, eerste lid, 1° en 2°, kan de ambtenaar, indien hij niet akkoord gaat met deze bevindingen, vragen dat in gemeen overleg een arts-scheidsrechter wordt aangewezen.
De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft beschermd door het beroepsgeheim.
De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van de medische controledienst op de hoogte van zijn beslissing. De medische controledienst en de ambtenaar worden onmiddellijk [...]225 verwittigd door de arts-scheidsrechter.
Art. 213.
Indien de medische controledienst van oordeel is dat een ambtenaar geschikt is om zijn ambt terug op te nemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de [directeur-generaal]226.
De [directeur-generaal]226 nodigt de ambtenaar uit het werk te hervatten en staat hem toe voornoemde verminderde prestaties te verrichten voor zover deze verenigbaar zijn met de vereisten van de goede werking van de dienst.
Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan deze vraag om het werk te hervatten, wordt hij in non-activiteit geplaatst.
Afdeling 9. - Verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen of om een politiek mandaat uit te oefenen
Art. 214.
De ambtenaar kan een verlof bekomen om zich kandidaat te stellen voor parlements-, gewest-, gemeente-, [districts-, sector-,]227 provincie- of Europese raadsverkiezingen, zoals voorzien in artikel 190, 8°.
Dit verlof wordt toegekend voor de periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan betrokkene deelneemt. Dit verlof wordt niet bezoldigd; het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art. 215.
Zoals voorzien in artikel 190, 8°, krijgt de ambtenaar, op zijn aanvraag, een [dienstvrijstelling]228 van twee dagen per maand voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten :
1° gemeenteraadslid dat noch burgemeester, noch schepen, noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is;
2° lid van een raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter uitgezonderd;
[3° lid van een districtsraad in het Vlaamse Gewest, de districtsschepenen en de districtsburgemeester uitgezonderd, of lid van een sectorraad in het Waalse Gewest, de voorzitter en de leden van het bureau uitgezonderd;]228
4° provincieraadslid, niet-lid van de deputatie, in het Vlaamse Gewest, of van het provinciaal college, in het Waalse Gewest.
[5° lid van een bijzonder comité voor de sociale dienst, dat noch gemeenteraadslid noch lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is.]228
De [dienstvrijstelling]228, wordt naar keuze van de betrokkene genomen in dagen of halve dagen. Zij mag niet van een maand naar een andere worden overgedragen tenzij zij is toegekend voor het uitoefenen van een mandaat van provincieraadslid.
Art. 216.
De ambtenaar kan, binnen de hierna bepaalde grenzen en op zijn verzoek, een facultatief politiek verlof bekomen voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten :
1° gemeenteraadslid dat noch burgemeester, noch schepen, noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is, lid van een raad voor maatschappelijk welzijn dat noch voorzitter, noch lid van het vast bureau is, [...]229 [lid van een districtsraad in het Vlaamse Gewest dat noch districtsburgemeester of - schepen is of lid van een sectorraad in het Waalse Gewest, dat noch voorzitter, of lid van het bureau is, lid van een bijzonder comité voor de sociale dienst, dat noch gemeenteraadslid, noch lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is]229, van een gemeente :
a) tot 80.000 inwoners : 2 dagen per maand;
b) meer dan 80.000 inwoners : 4 dagen per maand;
2° schepen, voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn of [districtsschepen in het Vlaamse Gewest of lid van het bureau van een sectorraad in het Waalse Gewest]229, van een gemeente :
a) tot 30.000 inwoners : 4 dagen per maand;
b) van 30.001 tot 50.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
c) van 50.001 tot 80.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
3° burgemeester van een gemeente of [districtsburgemeester in het Vlaamse gewest of voorzitter van het bureau van een sectorraad in het Waalse gewest]229, van een gemeente :
a) tot 30.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
b) van 30.001 tot 50.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
4° lid van het vast bureau van een raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente :
a) tot 10.000 inwoners : 1 of 2 dagen per maand;
b) van 10.001 tot 20.000 inwoners : 1, 2 of 3 dagen per maand;
c) meer dan 20.000 inwoners : 1, 2, 3, 4 of 5 dagen per maand;
5° provincieraadslid, niet-lid van de deputatie, in het Vlaamse Gewest, of van het provinciaal college, in het Waalse Gewest : 4 dagen per maand.
Art. 217.
De ambtenaar is, binnen de hierna bepaalde grenzen, in politiek verlof van ambtswege voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten :
1° burgemeester van een gemeente :
a) tot 20.000 inwoners : 3 dagen per maand;
b) van 20.001 tot 30.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
c) van 30.001 tot 50.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
d) van meer dan 50.000 inwoners : voltijds;
2° [districtsburgemeester in het Vlaamse Gewest of voorzitter van een sectorraad in het Waalse Gewest]230 : gelijkstelling met een burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district in het Vlaamse Gewest, of van de sector in het Waalse Gewest, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof beperkt wordt tot het percentage van de wedde van die burgemeester;
3° schepen of voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente :
a) tot 20.000 inwoners : 2 dagen per maand;
b) van 20.001 tot 30.000 inwoners : 4 dagen per maand;
c) van 30.001 tot 50.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
d) van 50.001 tot 80.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
e) meer dan 80.000 inwoners : voltijds;
4° [districtsschepen in het Vlaamse Gewest of lid van het bureau van een sectorraad in het Waalse Gewest]230 : gelijkstelling met een schepen van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt mat dat van het district in het Vlaamse Gewest, of van de sector in het Waalse Gewest, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof beperkt wordt tot het percentage van de wedde van die schepen;
5° lid van een deputatie in het Vlaamse Gewest, of van een provinciaal college in het Waalse Gewest : voltijds.
Art. 218.
Voor de toepassing van de artikelen 216 en 217, wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 29 van de Nieuwe Gemeentewet.
Art. 219.
De ambtenaar is in politiek verlof van ambtswege, ten belope van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van :
1° lid van één der wetgevende Kamers of van de federale Regering;
2° lid van het Vlaams Parlement, van het Waals Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap en van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap;
3° lid van de Vlaamse Regering, van de Waalse Gewestregering, van de Franse Gemeenschapsregering en van de Duitstalige Gemeenschapsregering;
4° lid van het Europees Parlement of van de Europese Commissie.
Art. 220.
Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging.
Art. 221.
De ambtenaar die geen voltijds ambt uitoefent wordt met voltijds politiek verlof van ambtswege gezonden indien aan zijn politiek mandaat reeds een politiek verlof van ambtswege beantwoordt waarvan de duur ten minste de helft van een voltijds ambt beloopt.
De ambtenaar die recht heeft op een politiek verlof waarvan de duur niet de helft van een voltijds ambt overschrijdt, kan, op zijn aanvraag, halftijds of voltijds politiek verlof krijgen.
De ambtenaar die recht heeft op een halftijds politiek verlof, kan op zijn aanvraag, voltijds politiek verlof krijgen.
Art. 222.
De periodes welke door facultatief politiek verlof of politiek verlof van ambtswege worden gedekt, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Ze worden evenwel niet bezoldigd.
[Art. 222/1
Wanneer de ambtenaar die ambtshalve of facultatief met voltijds politiek verlof is, twee jaar afwezig is, kan het Algemeen Beheerscomité beslissen dat de betrekking die de ambtenaar bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd.]231
Art. 223.
Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op die tijdens de welke het mandaat een einde neemt.
[Nadat het politiek verlof verloopt, herkrijgt de belanghebbende zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij:
1. ofwel aangewezen voor een andere betrekking van zijn directie;
2. ofwel ambtshalve overgeplaatst naar een betrekking van een andere directie.]232
De ambtenaar mag na zijn wederopneming zijn wedde niet cumuleren met voordelen die verbonden zijn aan de uitoefening van een politiek mandaat en die een wederaanpassingsvergoeding betreffen.
Afdeling 10. - Verlof voor sociale promotie en om deel te nemen aan vormingsactiviteiten
Art. 224.
De ambtenaar heeft recht op een opleiding die hem voorbereidt op de in artikel 119 bedoelde vergelijkende selecties voor overgang naar het hogere niveau.
Hij mag evenwel slechts tweemaal dezelfde opleiding volgen.
Indien de opleidingen tijdens de diensturen worden gegeven, geniet de ambtenaar een dienstvrijstelling.
Op zijn verzoek, krijgt hij een studieverlof van ten hoogste vijf dagen voor de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A en B en van ten hoogste twee dagen voor de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau C.
Hij heeft recht op één dag studieverlof voor de eerste proef.
Wat betreft de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A heeft de ambtenaar recht op één dag studieverlof per proef of brevet.
Het studieverlof bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid kan geweigerd of uitgesteld worden om-wille van dienstredenen.
Afdeling 11. - Verlof wegens opdracht
Art. 225.
Het Verenigd College kan een ambtenaar, met zijn instemming, belasten met een opdracht.
Iedere ambtenaar kan eveneens met instemming van het Verenigd College aanvaarden :
1° de uitoefening van functies in België in uitvoering van een door het Verenigd College toevertrouwde of erkende opdracht;
2° een internationale opdracht buiten België uitgeoefend, die wordt toevertrouwd hetzij door één van de regeringen van het Rijk of een Belgisch openbaar bestuur, hetzij door een buitenlandse regering of door een buitenlands openbaar bestuur;
3° een internationale opdracht in of buiten België uitgeoefend, bij een internationale instelling;
4° een opdracht in een ontwikkelingsland.
De ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.
Art. 226.
Het Verenigd College verleent de opdracht voor ten hoogste twee jaar. Hij kan haar verlengen voor telkens maximum dezelfde duur.
Art. 227.
§ 1. Tijdens de duur van een opdracht die door een eerste machtiging is gedekt, is de ambtenaar met verlof. Dit verlof wegens opdracht wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige, krachtens de beschikking van 26 juli 1988 of 7 januari 1998 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de regeling die geldt voor nationale deskundigen die bij de diensten van de commissie gedetacheerd zijn. Het kan eveneens worden bezoldigd met instemming van het Verenigd College wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen.
§ 2. Tijdens de duur van een opdracht die door volgende machtigingen is gedekt, wordt aan de ambtenaar verlof verleend indien de opdracht welke hij uitvoert als zijnde van algemeen belang is erkend. Dit verlof wegens opdracht wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt als volgende machtiging beschouwd, die welke iedere volgende periode dekt van een opdracht in dienst van dezelfde regering, van hetzelfde openbaar bestuur of van dezelfde instelling voor zover de beschouwde periode van de voorafgaande periode niet wordt gescheiden door een termijn die zes maanden overschrijdt.
§ 3. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend :
1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een functie in een ontwikkelingsland bevatten;
2° voor opdrachten uitgevoerd door de als nationaal deskundige aangewezen ambtenaar, krachtens de beschikking van 26 juli 1988 of 7 januari 1998 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, of wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen;
3° om een mandaat in een Belgische publieke overheidsdienst uit te oefenen.
Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend voor de internationale opdrachten bedoeld in artikel 225, tweede lid, 2° en 3°, wanneer zij door het Verenigd College geacht worden van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor een Belgische regering of een Belgisch openbaar bestuur.
In uitzonderlijke gevallen wordt het karakter van algemeen belang voor de in artikel 225, tweede lid, 1°, bedoelde opdrachten erkend onder dezelfde voorwaarden dan die vastgesteld in het vorige lid.
§ 4. In afwijking van § 3, verliest iedere opdracht van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van een buitenlandse regering, van het buitenlands openbaar bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.
Art. 228.
Tijdens de duur van een opdracht die door volgende machtigingen is gedekt doch niet erkend van algemeen belang te zijn, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die stand heeft hij geen recht op wedde en kan hij zijn aanspraken op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt als volgende machtiging beschouwd, die welke iedere volgende periode dekt van een opdracht in dienst van dezelfde regering, van hetzelfde openbaar bestuur of van dezelfde instelling voor zover de beschouwde periode van de voorafgaande periode niet wordt gescheiden door een termijn die zes maanden overschrijdt.
Art. 229.
De ambtenaar die door het Verenigd College met een internationale opdracht wordt belast, kan een vergoeding genieten.
Het Verenigd College stelt de vergoeding vast rekening houdend met :
1° de bezoldiging toegekend ter uitvoering van de opdracht;
2° de duur van de opdracht, de levensduurte in het land waar de opdracht wordt uitgevoerd, de sociale rang die met deze opdracht overeenstemt en de verhoogde gezinslasten verbonden aan de expatriatie.
De vergoeding mag niet worden toegekend indien de ambtenaar hetzij krachtens andere wets- of verordeningsbepalingen, hetzij wegens de vervulling van zijn opdracht, gelijkwaardige voordelen geniet.
Art. 230.
Zodra de ambtenaar twee jaar met verlof wegens opdracht is, kan het Algemeen Beheerscomité beslissen of de betrekking die hij bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd.
Onverminderd artikel 225, derde lid, kan het Verenigd College op ieder ogenblik een eind maken aan de opdracht waarmede de ambtenaar is belast, met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden.
De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of door zijn toedoen wordt beëindigd, stelt zich opnieuw ter beschikking van de Dienst.
Afdeling 12. - Verlof voor vakbondsopdracht
Art. 231.
Een ambtenaar die vooraf aan de [directeur-generaal]233 een van een verantwoordelijke leider van een vakorganisatie uitgaande persoonlijke oproeping voorlegt, verkrijgt van rechtswege, gedurende de daartoe benodigde tijd, vakbondsverlof om deel te nemen aan de werkzaamheden van de onderhandelings- en overlegcomités waaronder hij ressorteert, overeenkomstig artikel 81 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
Afdeling 13. - Verlof voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen
Art. 232.
De ambtenaar kan verlof krijgen om een werkzaamheid uit te oefenen bij een erkende politieke fractie, zoals voorzien in artikel 190, 12°.
Een erkende politieke fractie is een groep verkozenen die als dusdanig is erkend, overeenkomstig het reglement van de wetgevende vergadering waartoe zij behoren. De Voorzitter van een politieke fractie dient hiertoe een verzoek in bij de Minister.
De [Directieraad]32 gaat na of het belang van de dienst er zich niet tegen verzet.
Met de instemming van de ambtenaar kent de Minister het verlof toe.
Art. 233.
Het besluit vermeldt de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke fractie waarbij de ambtenaar een activiteit zal uitoefenen.
De Minister kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits hij een opzeggingstermijn van een maand respecteeert.
Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het is niet bezoldigd.
[Art. 233/1
Wanneer de ambtenaar sinds twee jaar een verlof om een werkzaamheid uit te oefenen bij een erkende politieke fractie geniet, kan het Algemeen Beheerscomité beslissen dat de betrekking die de ambtenaar bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd.
De ambtenaar die terugkeert uit zijn verlof om een werkzaamheid uit te oefenen bij een erkende politieke fractie, herkrijgt zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij:
1. ofwel aangewezen voor een andere betrekking van zijn directie;
2. ofwel ambtshalve overgeplaatst naar een betrekking van een andere directie.]234
Afdeling 14. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij het kabinet van een federale minister of staatssecretaris, of bij het kabinet van een regeringslid van een Gemeenschap of een Gewest of bij het kabinet van een lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Colleges van de Vlaamse of Franse Gemeenschapscommissies
Art. 234.
De ambtenaar krijgt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een functie te vervullen, zoals vermeld in artikel 190, 13°, op :
1° het secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of de cel algemeen beleid of, in voorkomend geval, het kabinet van een lid van de federale Regering;
2° het kabinet van een minister of staatssecretaris van de Regering van een Gemeenschap of Gewest;
3° het kabinet van een lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of de Colleges van de Vlaamse of Franse Gemeenschapscommissies.
De detachering bij een Regering of College, andere dan het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, is slechts toegestaan indien door de Regering of het College die ervan geniet de bezoldiging van de gedetacheerde ambtenaar aan de Dienst wordt terugbetaald.
Wanneer de ambtenaar sinds twee jaar een verlof wegens detachering geniet, kan het Algemeen Beheerscomité beslissen of de betrekking die de ambtenaar bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd.
[De ambtenaar die terugkeert uit zijn verlof voor detachering, herkrijgt zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij:
1. ofwel aangewezen voor een andere betrekking van zijn directie;
2. ofwel ambtshalve overgeplaatst naar een betrekking van een andere directie.]235
Op het einde van zijn detachering en tenzij hij naar een ander secretariaat, cel algemene beleidscoördinatie of cel algemeen beleid van de federale Regering of kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in deze organen, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen.
Afdeling 15. - Verlof voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut op grond van het koninklijk besluit van 20 februari 1980 houden coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden
Art. 235.
De ambtenaren zijn ambtshalve met verlof gedurende de gedeelten van kalendermaanden waarin zij, in vredestijd, om het even welke militaire prestaties verrichten, of diensten volbrengen bij de civiele bescherming of taken van openbaar nut, in toepassing van het koninklijk besluit van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden.
Afdeling 16. - Verlof om een stage te vervullen bij een [...]236 openbare dienst
Art. 236.
Zoals voorzien in artikel 190, 15°, kan de ambtenaar verlof krijgen om een stage te doen in een betrekking bij een overheidsdienst, bepaald in artikel 2, § 1, 5° en 6°.
Een betrekking in het gesubsidieerd of het universitair onderwijs wordt gelijkgesteld met een betrekking in een overheidsdienst.
Het verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenstemt met de duur van de stage. Het is niet bezoldigd en wordt voor het overige met dienstactiviteit gelijkgesteld.
Afdeling 17. - Het verlof om medische of humanitaire redenen
Art. 237.
De ambtenaar verkrijgt een dienstvrijstelling om bloed, bloedplasma en bloedplaatjes te geven op voorwaarde dat hij de toelating heeft van zijn functionele chef voor de donatie. Die dienstvrijstelling kan geweigerd worden om dienstredenen.
De ambtenaar verkrijgt een dienstvrijstelling voor de noodzakelijke duur van de bloed-, plasma- en bloedplaatjesdonatie alsook voor de verplaatsingstijd van maximaal twee uur.
Art. 238.
De ambtenaar krijgt verlof voor het afstaan van beenmerg, van organen of van weefsel. De duur van dit verlof is die van de ziekenhuisopname en de herstelperiode. De tijd noodzakelijk voor de voorafgaande medische onderzoeken kan eveneens in aanmerking komen.
De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest.
Art. 239.
De verloven om medische of humanitaire redenen zijn bezoldigd en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.
[Art. 239/1.
Wanneer de ambtenaar op verzoek van een arts in quarantaine wordt geplaatst wordt hem profylactisch verlof verleend indien andere maatregelen zoals telewerk niet mogelijk zijn.]237
[Art. 239/2.
De directeur-generaal kan een dienstvrijstelling verlenen aan de ambtenaar in het kader van de bestrijding van een gezondheidscrisis.]238
Afdeling 18. - Andere verloven
[Onderafdeling 1 - Verlof in het kader van de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar]239
Art. 240.
[§ 1. De artikelen 4 tot en met 8 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, en de artikelen 1 tot en met 10 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, alsook de bepalingen die bovengenoemde bepalingen wijzigen of vervangen, zijn van toepassing, onder voorbehoud van hetgeen bepaald wordt in artikel 190 en in de volgende paragrafen van onderhavig artikel.
§ 2. De ambtenaren van rang A2 of hoger kunnen enkel het verlof, zoals bedoeld in paragraaf 1, genieten met toestemming van de Directieraad, die hierbij rekening houdt met de noodzaak om de goede werking van de dienst te waarborgen.
De stagiairs worden van dit verlof uitgesloten.
§ 3. De politieke mandaten zoals bedoeld in artikel 214 en volgende worden niet beschouwd als een beroepsactiviteit.
§ 4. De verminderde prestaties wegens medische redenen die het verlof, zoals bedoeld in paragraaf 1, schorsen zijn deze in toepassing van artikel 209.]240
[Onderafdeling 2 - Het verlof voor loopbaanonderbreking]241
Art. 241.
[§ 1. Overeenkomstig het besluit van het Verenigd College van 16 december 2004 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel- Hoofdstad, geniet de ambtenaar in dienstactiviteit verlof om zijn loopbaan te onderbreken krachtens de herstelwet van 22 januari 1985 onder het stelsel vastgesteld bij het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, alsmede alle bepalingen die deze regeling zouden wijzigen of vervangen, onder voorbehoud van hetgeen bepaald wordt in de volgende paragrafen van onderhavig artikel.
§ 2. Iedere ambtenaar heeft recht op de verloven voor loopbaanonderbreking onder de specifieke stelsels.
In afwijking hiervan kunnen ambtenaren van rang A2 of hoger het verlof voor loopbaanonderbreking onder het algemene stelsel enkel genieten met de toestemming van de Directieraad, die hierbij rekening houdt met de noodzaak om de goede werking van de dienst te waarborgen.
De stagairs worden uitgesloten van het verlof voor loopbaanonderbreking onder het algemene stelsel.
§ 3. De ambtenaar die zijn loopbaan gedeeltelijk wenst te onderbreken onder het algemene stelsel, kan dit doen ten belope van een vijfde of de helft van de duur van de prestaties die hem normaal worden opgelegd.]242
HOOFDSTUK III. - Non-activiteit
Art. 242.
Behoudens uitdrukkelijke andersluidendebepaling heeft de ambtenaar in de stand non-activiteit geen recht op wedde en op bevordering tot een hogere weddeschaal.
Hij kan alleen onder de door dit besluit gestelde voorwaarden aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden.
Art. 243.
Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de vereisten voldoet om in ruste te worden gesteld.
Art. 244.
De ambtenaar is in non-activiteit :
1° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut, op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden.
Gedurende voormelde periodes van non-activiteit, behoudt de ambtenaar zijn aanspraak op bevordering en zijn rechten op bevordering tot een hogere weddeschaal;
2° wanneer hij de uitvoering van een opdracht die niet van algemeen belang is erkend, voortzet, zoals vermeld in artikel 228;
3° indien hij, voor zover het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, de toelating bekomt van het Algemeen Beheerscomité om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden.
Deze afwezigheid wordt enkel voltijds en voor minstens een maand en ten hoogste zes maanden toegekend. Ze kan verlengd worden of, na een onderbreking, opnieuw worden aangevraagd. [Deze afwezigheid kan]243 niet meer dan vierentwintig maanden belopen over de gehele loopbaan.
Iedere aanvraag tot verlenging moet ten minste één maand vóór het verstrijken van de lopende afwezigheid worden ingediend.
Met ziekten of ongevallen opgelopen gedurende deze periode van afwezigheid wordt geen rekening gehouden;
4° wanneer hij afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden uit te oefenen, zoals vermeld in artikel 208, § 2;
5° wanneer een periode van zijn verlof voor loopbaanonderbreking wordt omgezet in non-activiteit op basis van de bepalingen van artikel 24 van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, bedoeld in artikel 241.
Art. 245.
De ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of die zonder geldige reden de termijn van zijn verlof overschrijdt, bevindt zich van rechtswege in non-activiteit zonder wedde.
In deze stand behoudt hij zijn aanspraken op bevordering tot een hogere weddeschaal. Hij kan zijn aanspraken op bevordering en overplaatsing evenwel niet doen gelden tijdens de duur van zijn onregelmatige afwezigheid, noch een bevordering of een overplaatsing genieten.
Art. 246.
Tuchtschorsing plaatst de ambtenaar ambtshalve in de administratieve stand non-activiteit.
Tijdens de periodes van tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering of op bevordering tot een hogere weddeschaal niet doen gelden en kan hij aan een inhouding van wedde worden onderworpen. De vermindering van wedde bedraagt evenwel niet meer dan deze bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
HOOFDSTUK IV. - Disponibiliteit
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 247.
De ambtenaar kan in de stand disponibiliteit worden gesteld :
1° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;
2° wegens ziekte of gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan voor verlof wegens ziekte of gebrekkigheid.
Art. 248.
Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden, wanneer hij voldoet aan de eisen om in ruste te worden gesteld.
Art. 249.
Behalve ingeval van disponibiliteit wegens ziekte, bedoeld in artikel 247, 2°, kan de ambtenaar in beroep gaan bij de in artikel 16 bedoelde raad, wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake disponibiliteit.
Hij beschikt, voor het instellen van zijn beroep, over een termijn van vijftien dagen vanaf de datum waarop hij in kennis werd gesteld van de in het vorige lid bedoelde beslissing.
Afdeling 2. - Disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst
Art. 250.
[Op voorstel van de Directieraad neemt de benoemende overheid een beslissing omtrent de in disponibiliteitstelling. De ambtenaar wordt vooraf gehoord door de Directieraad. De ambtenaar wordt minstens tien dagen voor de hoorzitting opgeroepen, doormiddel van een kennisgeving waarin wordt vermeld dat de ambtenaar in disponibiliteit gesteld kan worden. Hij moet tijdens deze termijn toegang hebben tot de stukken van het dossier en mag worden bijgestaan door een persoon van zijn keuze, met uitzondering van de leden van de Directieraad of de benoemende overheid.]244
Art. 251.
De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddeschaal.
Hij verliest zijn aanspraken op :
1° bevordering of toekenning van een mandaat;
2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan.
Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit is gesteld.
Art. 252.
Elke ambtenaar in disponibiliteit krachtens artikel 247, 1°, blijft ter beschikking van het Verenigd College en kan bij vacature van een betrekking die met zijn graad overeenstemt opnieuw in het personeelsplan tewerkgesteld worden.
Hij moet binnen de door het Algemeen Beheerscomité gestelde tijd, de hem toegewezen dienst opnemen.
Afdeling 3. - Disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid
Art. 253.
Onverminderd artikel 207, § 5, is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximum aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 206, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte.
Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal.
Artikel 207, § 6, is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte.
Art. 254.
§ 1. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde.
Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan :
1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;
2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten.
Het wachtgeld wordt vastgesteld op grondslag van de laatste activiteitswedde.
In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt.
§ 2. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waarvan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise van de Staat als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden.
Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen.
Art. 255.
De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de in de artikelen 240 en 241 bedoelde verloven, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen, bedoeld in artikel 190, 6°.
Voor de toepassing van artikel 254, § 1, is de laatste activiteitswedde deze welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was.
Art. 256.
De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt ieder jaar medisch onderzocht door het [Medisch expertisecentrum arbeidsongeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu (hierna: MEVA)]281 in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld.
Verschijnt de ambtenaar niet voor [MEVA]281 op het tijdstip bepaald in het eerste lid, dan wordt de uitkering van zijn wachtgeld vanaf dat tijdstip geschorst tot hij verschijnt.
Art. 257.
Het Algemeen Beheerscomité kan [krachtens artikel 86]245 de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroeps- en lichamelijke geschiktheid bezit.
De ambtenaar moet, binnen de door het Algemeen Beheerscomité gestelde termijn, het aangewezen ambt opnemen. Indien hij zonder geldige reden weigert, wordt hij, na een afwezigheid van tien werkdagen, ambtshalve ontslagen.
TITEL XIII. - Verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en definitieve ambtsneerlegging
Art. 258.
De ambtenaar kan zijn hoedanigheid van ambtenaar niet verliezen voor de normale leeftijd van de inruststelling, behalve in de gevallen bepaald door de pensioenwetgeving of door dit besluit.
Art. 259.
Ambtshalve en zonder opzegging verliest de hoedanigheid van ambtenaar :
1° de ambtenaar van wie de benoeming onregelmatig bevonden wordt binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; die termijn geldt niet in geval van arglist of bedrog van de ambtenaar;
2° de ambtenaar die niet meer voldoet aan de nationaliteitsvereisten bedoeld in artikel 45, 1°, of die de burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet of wiens definitieve lichamelijke ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;
3° onverminderd de georganiseerde werkonderbreking, de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft;
4° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
5° de ambtenaar die wegens tuchtredenen van ambtswege ontslagen of afgezet wordt.
Er wordt een einde gesteld aan de stage onder dezelfde voorwaarden.
Art. 260.
Tot ambtsneerlegging geven aanleiding :
1° het vrijwillig ontslag; in dat geval mag de ambtenaar slechts na behoorlijke machtiging en na een opzeggingstermijn van ten minste dertig dagen, zijn dienst verlaten. [Deze termijn kan verkort worden in onderling akkoord]246;
2° de inrustestelling;
Nochtans, indien de ambtenaar ermee akkoord gaat en indien de noodwendigheid van de dienst dit vereist, kan hij uitzonderlijk in dienst gehouden worden, na de wettelijke pensioenleeftijd bereikt te hebben en dit gedurende [een verlengbare periode van minimum zes maanden en maximaal een jaar]247.
De ambtenaar die na de wettelijke pensioenleeftijd in dienst gehouden wordt, behoudt tijdens deze periode zijn hoedanigheid van ambtenaar.
De beslissing wordt genomen door het Algemeen Beheerscomité behalve voor de mandaathouders waar de beslissing genomen wordt door het Verenigd College, op de voordracht van zijn Leden, bevoegd voor het Openbaar ambt;
3° de definitieve beroepsongeschiktheid, vastgesteld door de in artikel 86 bedoelde overheid bevoegd voor de benoeming;
4° een tweede benoeming in vast dienstverband in een [...]246 in artikel 2, § 1, 5° en 6°, bedoelde overheidsdienst, eens die benoeming niet meer vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State.
Het 1° geldt eveneens voor de stagiairs.
Art. 261.
[...]247
BOEK III. - GELDELIJK STATUUT
TITEL I. - Voorafgaande bepaling
Art. 262.
De wedden van de ambtenaren en stagiairs worden vastgesteld in de weddeschalen bestaande uit :
1° een minimumwedde;
2° zogenaamde " weddetrappen " die het resultaat zijn van de tussentijdse weddeverhogingen;
3° een maximumwedde.
De wedden en de tussentijdse verhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden, dat met hun jaarbedrag overeenstemt.
TITEL II. - Organieke regeling
HOOFDSTUK I. - Vaststelling van de weddeschalen
Art. 263.
De schaal of de schalen voor elke graad worden in artikel 265 vastgesteld, met inachtneming van de rang van de graad en van de belangrijkheid van de daarmede normaal overeenstemmende functie.
Art. 264.
De weddeschalen komen in de in bijlage bij dit besluit gevoegde tabellen voor.
De schaal wordt aangeduid met een letter gevolgd door drie cijfers dat in deze tabellen boven de schaal is geplaatst. De letter duidt het niveau aan, het eerste cijfer de rang van de schaal, het tweede de graad overeenstemmend met een bijzondere kwalificatie in dezelfde rang, het derde de code van de schaal. Het cijfer nul betekent dat de code niet bepaald is.
Art. 265.
De weddeschaal of weddeschalen verbonden aan de door het personeelsplan voorziene graden worden als volgt vastgesteld :
| [Directeur-generaal | A | 500 | Directeur général | A | 500 |
| Adjunct-directeur-generaal | A | 410 | Directeur général adjoint
|
A | 410 |
| Directeur-diensthoofd | A | 400 | Directeur-chef de service | A | 400 |
| Directeur | A | 310 | Directeur | A | 310 |
| A | 300 | A | 300 | ||
| Eerste attaché | A | 220 | Premier attaché | A | 220 |
| A | 210 | A | 210 | ||
| A | 200 | A | 200 | ||
| Eerste ingenieur-deskundige | A | 310 | Premier ingénieur expert | A | 310 |
| A | 230 | A | 230 | ||
| A | 220 | A | 220 | ||
| Eerste geneesheer-deskundige | A | 331 | Premier médecin expert | A | 331 |
| A | 231 | A | 231 | ||
| A | 131 | A | 131 | ||
| Eerste attaché-deskundige | A | 230 | Premier attaché expert | A | 230 |
| A | 220 | A | 220 | ||
| Ingenieur | A | 310 | Ingénieur | A | 310 |
| A | 113 | A | 113 | ||
| A | 112 | A | 112 | ||
| A | 111 | A | 111 | ||
| Geneesheer | A | 331 | Médecin | A | 331 |
| A | 133 | A | 133 | ||
| A | 132 | A | 132 | ||
| A | 131 | A | 131 | ||
| Attaché | A | 103 | Attaché | A | 103 |
| A | 102 | A | 102 | ||
| A | 101 | A | 101 | ||
| Eerste assistent | B | 200 | Premier assistant | B | 200 |
| Assistent | B | 104 | Assistant | B | 104 |
| B | 103 | B | 103 | ||
| B | 102 | B | 102 | ||
| B | 101 | B | 101 | ||
| Eerste adjunct | C | 200 | Premier adjoint | C | 200 |
| Adjunct | C | 104 | Adjoint | C | 104 |
| C | 103 | C | 103 | ||
| C | 102 | C | 102 | ||
| C | 101 | C | 101 | ||
| Eerste Klerk | D | 200 | Premier commis | D | 200 |
| Klerk | D | 104 | Commis | D | 104 |
| D | 103 | D | 103 | ||
| D | 102 | D | 102 | ||
| D | 101 | D | 101]248 |
HOOFDSTUK II. - Vaststelling van de wedde
Art. 266.
Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een graad, wordt elke wedde die werd vastgesteld met inachtneming van die graad opnieuw vastgesteld alsof de nieuwe bezoldigingsregeling altijd had bestaan.
Indien de aldus opnieuw vastgestelde wedde lager is dan de wedde welke de ambtenaar en de stagiair in zijn graad genoot bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit blijft het in die graad de hoogste wedde genieten tot het een ten minste gelijke wedde bekomt.
HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de weddeschaal
Art. 267.
Onverminderd andersluidende verordenende bepalingen, wordt de wedde van elke ambtenaar en stagiair vastgesteld in de schaal verbonden aan zijn graad.
HOOFDSTUK IV. - In aanmerking komende diensten
Art. 268.
§ 1. [Komen voor de toekenning van de verhogingen in zjin weddeschaal ambtshalve in aanmerking]249 de werkelijke diensten welke de ambtenaar of de stagiair prorata temporis heeft verricht terwijl hij behoorde :
1° tot de diensten van de Federale Staat, van de Gemeenschappen, van de Gewesten, van de Gemeenschapscommissies, van de andere openbare diensten of de diensten bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, de diensten bij het " Fonds national de Recherche scientifique ", de diensten bij het Instituut van het Wetenschappelijk - Technologisch Onderzoek in de Industrie, de diensten bij het " Fonds pour la formation à la recherche dans l'industrie et dans l'agriculture ", hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt, hetzij als beroepsmilitair;
2° tot de gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen als burgerlijk of geestelijk titularis van een door middel van een weddentoelage bezoldigd ambt;
3° tot de Katholieke Universiteit Leuven, de Katholieke Universiteit Brussel, Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, de Vrije Universiteit Brussel, de "Université catholique de Louvain", de "Université de Namur", de "Université de Mons", de "Université Saint-Louis", de "Faculté universitaire de Théologie Protestante", de "Université libre de Bruxelles", de Katholieke Universiteit Leuven, afdeling Kortrijk, de Universitaire Instelling Antwerpen, het Limburgs Universitair Centrum, de "département des Sciences et Gestion de l'Environnement de l'Université de Liège", als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt. Deze erkenning geldt eveneens voor de geleverde diensten binnen de oude " Fondation universitaire luxembourgeoise " en de "Faculté polytechnique de Mons";
[...]249
4° tot de onderwijsinstellingen van de Staat of van de Gemeenschappen alsook het gesubsidieerd officieel onderwijs, als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt;
5° tot de vrije gesubsidieerde diensten van school- en beroepsoriëntering en de psycho-medisch-sociale centra, als burgerlijk of geestelijk titularis van een door middel van een weddentoelage bezoldigd ambt;
6° tot een federaal ministerieel kabinet, een kabinet van een lid van een regering of van een College van een Gemeenschap of Gewest;
7° tot de overheidsdiensten van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte [of van de Zwitserse Confederatie]249;
8° tot de diensten van de instellingen van de Europese Unie, de Europese Gemeenschappen of van de instellingen die opgericht zijn door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen.
[De duur van de in het eerste lid vermelde diensten wordt vastgesteld door de directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal]249
§ 2. De diensten verricht in de openbare sector als tewerkgestelde werkloze komen eveneens in aanmerking voor de toekenning van verhogingen in de weddeschaal voor een maximumduur van zes jaar.
[§ 2/1. De diensten verricht overeenkomstig § 1, 2° tot en met 4°, die het voorwerp waren van de storting van een beurs, een studiebeurs, een onderzoeksbeurs of die het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderzoekscontract kunnen eveneens in aanmerking worden genomen voor de toekenning van de verhogingen in weddeschaal.
Het belang van de in het voorgaande lid bedoelde in aanmerking komende diensten wordt, na advies van de Directieraad, door de directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal bepaald, met name op basis van een getuigschrift afgeleverd door de universiteit.]249
§ 3. Komen eveneens in aanmerking voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen, en dit voor een maximumduur van tien jaar, de diensten verricht in de privé-sector of als zelfstandige.
Deze diensten zijn de diensten die nuttig zijn voor de uitoefening van het ambt en kunnen met elk rechtsmiddel worden bewezen.
De belangrijkheid van de in het vorige lid bedoelde in aanmerking komende diensten wordt, na advies van de [Directieraad]32, door [de directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal]249 bepaald op basis namelijk van een getuigschrift afgeleverd door de werkgever of door iedere bevoegde openbare overheid, zoals de RSZ, het Bestuur van de BTW of het RIZIV.
In geval van deeltijdse prestaties komen deze diensten in aanmerking naar rato van de geleverde prestaties.
[Van de in het eerste lid bepaalde maximumduur kan afgeweken worden door de Minister, op advies van de directeur-generaal of de adjunct- directeur-generaal, om te voorzien in de uitvoering van taken die een bijzondere of weinig voorkomende kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen.]249
[§ 4. Voor de waardering van de in paragrafen 2, 2/1 en 3, eerste lid, vermelde in aanmerking komende diensten dienen de ambtenaar en de stagiair een aanvraag in. Indien deze aanvraag werd ingediend binnen de 6 maanden na indiensttreding geldt de overeenkomstige geldelijke anciënniteit vanaf de indiensttreding. Indien de aanvraag 6 maanden na de indiensttreding wordt ingediend, geldt de geldelijke anciënniteit pas vanaf het moment van de aanvraag.]249
[§ 5. Bij gedeeltelijke of volledige weigering tot erkenning van de diensten die zouden zijn uitgevoerd, kan beroep ingesteld worden bij de Minister binnen een maand na de kennisname van de weigeringsbeslissing.]249
Art. 269.
Voor de toepassing van artikel 268, § 1, wordt de ambtenaar of de stagiair geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve stand op grond waarvan hij, krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of, bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering in zijn weddeschaal behoudt.
Art. 270.
Voor elke periode waarin de ambtenaar of de stagiair zijn aanspraken op bevordering in zijn weddeschaal in een graad heeft behouden of verloren, worden de diensten welke hij in een andere graad mocht hebben verricht niet medegeteld bij de vaststelling van zijn wedde in die graad en in enige latere graad welke met deze laatste verband houdt ingevolge de statutaire samenhang van de opeenvolgende graden van de ambtenaar.
Art. 271.
§ 1. De in aanmerking komende diensten worden berekend per maand.
Indien echter de gepresteerde diensten geen volledige maand vertegenwoordigen, worden zij dag per dag samengeteld. Het totaal van deze rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door dertig. Het bekomen product geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden; met de rest wordt geen rekening gehouden.
§ 2. De duur van de in aanmerking komende diensten welke de ambtenaar en de stagiair in het onderwijs ad interim of als tijdelijke heeft verricht, wordt door [de directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal]250 vastgesteld aan de hand van het attest afgegeven door de bevoegde overheid.
De op dit attest vermelde prestaties, waarvoor de betaling in tienden gebeurde, en die per schooljaar geen volledig jaar werkelijke diensten vertegenwoordigen, worden dag per dag samengeteld.
Het totale aantal aldus gewerkte dagen wordt vermenigvuldigd met 1,2. Het totaal van deze rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door dertig. Het bekomen product geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden; met de rest wordt geen rekening gehouden.
De op hetzelfde attest vermelde prestaties, die bewijzen dat de ambtenaar en de stagiair een volledig schooljaar hebben gewerkt, gelden voor een totaal van driehonderd dagen en leveren één jaar in aanmerking te nemen diensten op.
Art. 272.
De duur van de in aanmerking komende diensten welke de ambtenaar en de stagiair tellen mag nooit de werkelijke duur van de door deze diensten gedekte tijdperken overschrijden.
Art. 273.
De belangrijkheid van de in artikel 268 bedoelde in aanmerking komende diensten hangt maand na maand af van de graad welke de ambtenaar en de stagiair bekleedden of waarin de ambtenaar door formele terugwerking van zijn benoeming in bedoelde graad, reeds rang ingenomen had met het oog op de bevordering tot een hogere wedde.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de graad die ambtenaar voorlopig bekleedde wegens de uitoefening van een hogere functie.
Art. 274.
Voor de vaststelling van de belangrijkheid van de in aanmerking komende diensten wordt elke verandering van graad, die zich op een andere dag dan de eerste der maand voordoet, verschoven naar de eerste van de volgende maand.
Art. 275.
Wanneer de te beschouwen graad voorkomt in de bij artikel 265, bedoelde schaal, worden de in aanmerking te nemen diensten opgenomen in het niveau waartoe de aan die graad verbonden schaal behoort.
Indien echter de graad die in het voormelde artikel voorkomt, klaarblijkelijk van de te beschouwen graad verschilt, ondanks hun zelfde benaming, worden de in aanmerking te nemen diensten opgenomen in het niveau waartoe de schalen voor de in de Dienst bestaande graden van dezelfde belangrijkheid als de te beschouwen graad behoren. Het Algemeen Beheerscomité beslist omtrent die gelijkstelling.
Art. 276.
Komt de te beschouwen graad niet voor in het artikel 265, dan worden de in aanmerking komende diensten opgenomen in het niveau waartoe de schalen voor de graden van dezelfde belangrijkheid behoren.
Art. 277.
Van de dag af waarop de ambtenaar in zijn basisgraad is benoemd, gelden voor de vaststelling van zijn wedde als ambtenaar, de in aanmerking te nemen vroegere diensten als gelijkwaardige diensten.
De basisgraad van een ambtenaar of stagiair is de eerste graad waartoe hij wordt benoemd in een dienst waarvan het personeel aan deze bezoldigingsregeling is onderworpen.
Van de dag echter waarop de ambtenaar of de stagiair, volgens een benoemingswijze waarbij zijn vroegere hoedanigheid van vast of stagedoend personeelslid statutair buiten beschouwing wordt gelaten, in vast verband of tot stagiair tot een nieuwe graad wordt benoemd, is de nieuwe graad zijn basisgraad voor de toepassing van het eerste lid.
HOOFDSTUK V. - Berekening van de anciënniteit en de wedde
Art. 278.
De gerechtigde op een weddeschaal geniet te allen tijde de wedde overeenstemmend met zijn anciënniteit, die het totaal zijner in aanmerking komende diensten uitmaakt.
Art. 279.
Voor de vaststelling van de wedde overeenkomstig artikel 278 wordt alleen rekening gehouden met de nuttige anciënniteit, namelijk die, verkregen op het tijdstip dat de ambtenaar of de stagiair het grootste aantal jaren diensten telt, dat de anciënniteit uitmaakt.
Art. 280.
§ 1. De ambtenaar die wordt bevorderd, heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan het in de weddeschaal van zijn vorige graad zou hebben genoten.
[§ 2. Wanneer de schaal van zijn oude graad behoort tot niveau D en de schaal van zijn nieuwe graad tot niveau C, ontvangt de in § 1 bedoelde ambtenaar in zijn nieuwe graad steeds minstens een jaarlijks wedde die 500 EUR, gekoppeld aan de spilindex 138,01 van de consumptieprijzen, hoger is dan de wedde die hij in zijn oude graad zou hebben genoten.
Wanneer de schaal van zijn oude graad behoort tot niveau C en de schaal van zijn nieuwe graad tot niveau B, ontvangt de in § 1 bedoelde ambtenaar in zijn nieuwe graad steeds minstens een jaarlijkse wedde die 750 EUR, gekoppeld aan de spilindex 138,01 van de consumptieprijzen, hoger is dan de wedde die hij in zijn oude graad zou hebben genoten.
Wanneer de schaal van zijn oude graad behoort tot niveau B of C en de schaal van zijn nieuwe graad tot niveau A, ontvangt de in § 1 bedoelde ambtenaar in zijn nieuwe graad steeds minstens een jaarlijks wedde die 1.000 euro, gekoppeld aan de spilindex 138,01 van de consumptieprijzen, hoger is dan de wedde die hij in zijn oude graad zou hebben genoten.
Wanneer de schaal van zijn oude graad tot rang A2 of A2-deskundige behoort en de schaal van zijn nieuwe graad tot rang A3, ontvangt de in § 1 bedoelde ambtenaar in zijn nieuwe graad steeds minstens een jaarlijks wedde die 1.000 euro, gekoppeld aan de spilindex 138,01 van de consumptieprijzen, hoger is dan de wedde die hij in zijn oude graad zou hebben genoten.
De toepassing van het eerste, tweede, derde of vierde lid mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van de ambtenaar wordt verhoogd tot boven de maximumwedde van de schaal van zijn nieuwe graad of van de schaal van zijn vroegere graad, indien deze hoger is.]251
§ 3. De ambtenaar die een verandering van graad heeft verkregen, heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan hij in de weddeschaal van zijn vorige graad zou hebben gehad op het ogenblik van zijn verandering van graad.
Indien de wedde vastgesteld in de nieuwe graad lager is dan deze welke hij in zijn vorige graad zou hebben genoten, wordt de hoogste wedde behouden tot wanneer hij een wedde bekomt die tenminste daaraan gelijk is
§ 4. De voorafgaande paragraaf is van toepassing op de overgeplaatste ambtenaren op basis van de artikelen 130 en 151.
De overgeplaatste ambtenaar behoudt de geldelijke anciënniteit die hij voor zijn overplaatsing heeft verworven.
Hij is niet langer onderworpen aan de geldelijke bepalingen die op hem van toepassing waren in zijn instelling van herkomst.
Hij verliest het genot van de voordelen, van welke aard ook, waarop hij aanspraak kon maken bij zijn instelling van herkomst voor zijn overplaatsing, met uitzondering van deze die het karakter hebben van verworven rechten krachtens wetten of bijzondere reglementeringen.
Indien in zijn instelling van herkomst, de weddenschaal duidelijk verschilt van de bij de Dienst bestaande weddenschaal, wordt de gelijkwaardigheid bepaald door de Minister.
Art. 281.
De toekenning van de evaluatie " onvoldoende " [of "onder voorbehoud"]252blokkeert elke tussenverhoging in de weddeschaal van de betrokken ambtenaar [...]252 tot aan de toekenning van de volgende evaluatie [overeenkomstig artikel 100/2.]252
[Als de overheid geen nieuwe vermelding “onvoldoende” of "onder voorbehoud" heeft toegekend aan het einde van de volgende evaluatieperiode, wordt de blokkering evenwel opgeheven.]252
HOOFDSTUK VI. - Uitbetaling van de wedde
Art. 282.
§ 1. De maandwedde is gelijk aan 1/12e van de wedde en wordt betaald ten laatste op de laatste werkdag van de maand bij storting op een bankrekening.
Wanneer de ambtenaar of de stagiair op een andere datum dan de eerste ener maand wordt benoemd tot een nieuwe graad die geen basisgraad is in de zin [van]253 artikel 277, tweede lid, blijft de wedde voor de lopende maand ongewijzigd.
Bij het overlijden of op pensioen stellen van de ambtenaar of de stagiair is de wedde van de lopende maand niet terugvorderbaar.
§ 2. Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt de wedde voor volledige prestaties vermenigvuldigd met de volgende breuk :
(het percentage van de prestaties x het aantal gepresteerde werkdagen)/het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkschema.
Het aantal gepresteerde of te presteren werkdagen is gelijk aan het aantal gepresteerde of te presteren uren gedeeld door 7,6.
Wordt verstaan onder :
a) "werkdag" : elke dag, [sluitingsdagen]253 inbegrepen, uitgezonderd zaterdagen en zondagen;
b) "gepresteerde werkdag" : elke dag waarvoor een bezoldiging verschuldigd is;
c) "werkschema" : het aantal te presteren werkdagen in een maand.
Art. 283.
[De maandwedde is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en onverminderd artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
De wedde aan 100 % wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.]254
HOOFDSTUK VII. - Wedde in geval van verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden
Art. 284.
In afwijking van artikel 268 komt de periode gedurende dewelke de ambtenaar of de stagiair verminderde prestaties verricht wegens persoonlijke aangelegenheden, in de zin van artikel 190, 6°, in aanmerking voor de toekenning van de tussentijdse verhogingen.
Art. 285.
In afwijking van artikel 282, § 2, wordt het gedeelte van de maandwedde verschuldigd voor verminderde prestaties wegens epersoonlijke aangelegenheden prorata van de wedde voor voltijdse prestatie vastgesteld.
Voor de duur van de periode van de verminderde prestaties, worden de tussentijdse verhogingen toegekend alsof het gaat om diensten met volledige prestaties; na het beëindigen van de verminderde prestaties blijven deze tussentijdse verhogingen verworven.
HOOFDSTUK VIII. [...]255
Art. 286.
[...]255
HOOFDSTUK IX. - [...]255
Art. 287.
[...]255
Art. 288.
[...]255
[HOOFDSTUK X. — De graad en de schaal na het mandaat uitgeoefend bij de Dienst of bij de Diensten van het Verenigd College]256
Art. 289.
De ambtenaar van wie het mandaat niet wordt verlengd, neemt opnieuw de laatste graad in waarin hij werd benoemd.
Art. 290.
[De ambtenaar van wie het mandaat eindigt, verkrijgt opnieuw de weddeschaal verbonden aan de graad die hij genoot voordat hij zijn mandaat opnam, onverminderd de regels met betrekking tot de gewone functionele loopbaan zoals bedoeld in de artikelen 124 tot 126 van het statuut.]257
Art. 291.
[§ 1. De mandaathouder van wie het mandaat niet verlengd wordt, die geen evaluatievermelding "ongunstig" heeft gekregen, die geen beroepsinkomen, noch enig verlof geniet dat hem in staat stelt zijn vorige betrekking weer op te nemen en die wordt aangewezen voor een ander mandaat, ontvangt een uittredingsvergoeding.
De uittredingsvergoeding is gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van zes maanden indien hij één enkel volledig mandaat heeft uitgeoefend, en aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van twaalf maanden, indien hij twee of meer volledige mandaten heeft uitgeoefend. Indien hij een volledig mandaat en minstens twee jaar van een tweede mandaat heeft uitgeoefend, is de uittredingsvergoeding gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van negen maanden.
In afwijking van het eerste lid, ontvangt de mandaathouder die een beroepsinkomen ontvangt uit een deeltijds verrichte activiteit of die werkloosheidsuitkeringen geniet, ook een uittredingsvergoeding.
In deze gevallen wordt de uittredingsvergoeding overeenkomstig het tweede lid vastgesteld en wordt ze verminderd met, afhankelijk van het geval, het beroepsinkomen of de tijdens de in het tweede lid bedoelde periode ontvangen werkloosheidsuitkeringen. De berekeningen gebeuren op basis van brutobedragen.
De uittredingsvergoeding voor een functie wordt maandelijks uitbetaald. De begunstigde moet maandelijks, op de laatste werkdag van de maand, en voor de hele in het tweede lid bedoelde periode, een verklaring op eer indienen waarin staat dat hij voor de betrokken maand geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend of dat hij zich bevindt in de voorwaarden voorzien in het derde en vierde lid. Het overeenstemmende maandbedrag wordt aan de begunstigde uitbetaald binnen een termijn van vijf werkdagen volgend op de indiening van zijn verklaring op eer.
De toelagen, premies en vergoedingen komen niet in aanmerking voor het bepalen van de in onderhavige paragraaf bedoelde bezoldiging.
§ 2. De mandaathouder die na de beëindiging van zijn mandaat de vermelding "gunstig" of "voldoende" krijgt op zijn evaluatie, kan op zijn verzoek outplacement genieten.
Outplacement dient te worden begrepen als een geheel van diensten en advies aan de in § 1 bedoelde mandaathouder om die te helpen sneller een nieuwe betrekking of beroepsactiviteit te vinden.
Het outplacement wordt geregeld in een schriftelijke overeenkomst en loopt gedurende zestig uur, gespreid over een periode van ten hoogste twaalf maanden.
De kosten van het outplacement worden in mindering gebracht van de uittredingsvergoeding.
Volgende voorwaarden moeten vervuld zijn om outplacement te kunnen genieten:
1. geen arbeidsovereenkomst gesloten hebben;
2. geen zelfstandige activiteit in hoofdberoep uitoefenen;
3. niet in dienst zijn als statutair of contractueel personeelslid van een overheidsdienst.
De aanvraag voor outplacement moet bij het HRM ingediend worden uiterlijk in de maand die volgt op het einde van het mandaat.
Het outplacement eindigt zodra een van de voorwaarden zoals bedoeld in het vijfde lid niet langer vervuld is.
De mandaathouder brengt het HRM op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
§ 3. De uittredingsvergoeding en het outplacement als bedoeld in de §§ 1 en 2 zijn eveneens verschuldigd aan de mandaathouder van wie het mandaat vroegtijdig beëindigd werd bij ononderbroken langdurige afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden, op voorwaarde dat ze voldoen aan de voorwaarden zoals vastgesteld in bovengenoemde paragrafen.
§ 4. Geen enkele uittredingsvergoeding en outplacement zijn verschuldigd aan de mandaathouder die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, noch aan een mandaathouder van wie het mandaat onderbroken werd wegens een tuchtstraf, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden of van een vrijwillig ontslag.]258
TITEL III. - Gewaarborgde bezoldiging, haard- of standplaatstoelage, vakantiegeld en eindejaarstoelage
Art. 292.
[De ambtenaar en de stagiair hebben recht op de gewaarborgde bezoldiging en de haard- en standplaatstoelagen waarvan het bedrag en de toekenningsvoorwaarden worden beschreven in de artikelen 18 tot en met 20 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]259
Art. 293.
§ 1. De ambtenaar en de stagiair genieten ieder jaar een vakantiegeld waarvan het bedrag gelijk is aan 92 % van één twaalfde van de jaarlijkse wedde, zoals die aan de index van de consumptieprijzen is gekoppeld, die de wedde bepaalt die voor de maand maart van het vakantiejaar is verschuldigd.
Wanneer de ambtenaar of de stagiair voor die maand geen of slechts een gedeeltelijke wedde heeft ontvangen, wordt bedoeld percentage berekend op basis van de wedde die zou verschuldigd zijn voor de beschouwde maand.
§ 2. Wanneer de ambtenaar of de stagiair gedurende het gehele kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan geen volledige prestaties heeft verricht, wordt het bedrag van het vakantiegeld vastgesteld als volgt :
1° een twaalfde van het jaarbedrag voor elke prestatieperiode die een ganse maand beslaat;
2° een dertigste van het maandbedrag per kalenderdag wanneer de prestaties geen ganse maand beslaan.
In afwijking van het vorige lid, worden voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld in aanmerking genomen de perioden waarin de ambtenaar of de stagiair, tijdens het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan :
1° zijn functies heeft opgeschort wegens de verplichtingen die hem worden opgelegd, krachtens de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht;
2° met ouderschapsverlof was;
3° uit de dienst afwezig was ingevolge een verlof of een arbeidsonderbreking zoals bedoeld in de artikelen 39 en 42 tot 43bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 of in artikel 18, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de arbeidstijd.
Voor zover de ambtenaar en de stagiair ervan met elk rechtsmiddel het bewijs kunnen leveren, wordt, voor de berekening van het vakantiegeld, de periode vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan tot de dag welke voorafgaat aan die waarop hij de hoedanigheid van ambtenaar of stagiair heeft verkregen, eveneens in aanmerking genomen, op voorwaarde :
1° minder dan 25 jaar oud te zijn op het einde van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan;
2° uiterlijk in dienst te zijn getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op :
a) hetzij de datum waarop de ambtenaar of de stagiair de inrichting heeft verlaten waar hij zijn studies heeft gedaan, onder de in artikel 62 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders voorziene voorwaarden;
b) hetzij de datum waarop de leerovereenkomst werd beëindigd.
§ 3. In geval van onvolledige prestaties wordt het vakantiegeld toegekend naar rato van de geleverde prestaties.
§ 4. Twee of meer vakantiegelden met inbegrip van die verkregen in toepassing van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers, kunnen niet gecumuleerd worden boven een bedrag overeenkomend met het hoogste vakantiegeld dat bekomen wordt wanneer de vakantiegelden van al de uitgeoefende ambten of activiteiten berekend worden op basis van volledige prestaties.
Hiervoor wordt het vakantiegeld van één of meerdere ambten verminderd of ingehouden, met uitzondering van het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers.
Indien de inhoudingen of verminderingen op verscheidene vakantiegelden moeten of kunnen gebeuren, wordt eerst het kleinste vakantiegeld verminderd of ingehouden.
Voor de toepassing van voorgaande leden moet onder het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers worden verstaan, het gedeelte van het vakantiegeld dat niet overeenstemt met het loon voor de vakantiedagen.
Voor de toepassing van voorgaande leden is de ambtenaar of de stagiair die vakantiegelden cumuleert, gehouden het bedrag ervan, evenals eventueel het bedrag berekend voor volledige prestaties, aan elke personeelsdienst waarvan hij afhangt mede te delen. Iedere inbreuk kan aanleiding geven tot tuchtstraffen.
§ 5. Het vakantiegeld wordt uitbetaald tijdens de maand mei van het jaar gedurende hetwelk de vakantie moet worden toegekend.
In afwijking van het vorige lid, wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand volgend op de datum waarop de ambtenaar of de stagiair de leeftijdsgrens bereikt, of op de datum van overlijden, van ontslagneming of van afzetting van de ambtenaar of van de stagiair.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt het vakantiegeld berekend rekening houdend met het percentage en de eventuele inhouding die op de beschouwde datum gelden; het percentage wordt toegepast op de jaarwedde die als basis dient voor de berekening van de wedde die de ambtenaar of de stagiair op die datum geniet. Wanneer hij op dit ogenblik geen wedde of een verminderde wedde geniet, wordt het percentage berekend op de wedde(n) die hem dan verschuldigd zou(den) zijn geweest.
[...]24
Art. 294.
[§ 1. Elk jaar wordt een eindejaarstoelage toegekend aan de ambtenaar of stagiair die titularis is van een ambt bij de Dienst voor 1 oktober van het betreffende jaar.
§ 2. De ambtenaar of stagiair krijgt het volledige genot van het bedrag van de eindejaarstoelage, indien hij als titularis van een ambt met volledige prestaties het volledige voordeel van zijn wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding heeft genoten tijdens de hele periode van 1 januari tot 30 september van het in aanmerking genomen jaar.
Wanneer de ambtenaar of de stagiair, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, niet het volledig voordeel van zijn in het eerste lid bedoelde wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding heeft genoten, krijgt hij een eindejaarstoelage waarvan het bedrag verminderd wordt naar rata van de wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding die hij werkelijk heeft ontvangen.
Wanneer de ambtenaar of de stagiair, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, tijdens de periode van 1 januari tot 30 september van het in aanmerking genomen jaar met ouderschapsverlof was of niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsverplichtingen heeft geschorst wegens de verplichtingen die hem worden opgelegd, krachtens de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht, worden deze periodes gelijkgesteld met periodes tijdens welke hij het volledig voordeel van hun wedde of in plaats daarvan gestelde vergoeding heeft genoten.
Als de ambtenaar in disponibiliteit geplaatst werd, wordt de eindejaarstoelage voor de periode van disponibiliteit berekend naar rato van het percentage van de bezoldiging dat het wachtgeld vertegenwoordigt.
§ 3. De eindejaarstoelage is samengesteld uit een forfaitair gedeelte en twee gedeeltes die variëren naargelang van de bezoldiging.
De in het eerste lid bedoelde bezoldiging stemt overeen met voltijdse prestaties gedurende de periode van 1 januari tot 30 september van het beschouwde jaar, die de referentieperiode wordt genoemd. De bezoldiging omvat ook de haard- of eventuele standplaatstoelage.
Het forfaitaire gedeelte wordt vastgesteld op basis van het forfaitaire bedrag van het vorige jaar en wordt elk jaar aangepast volgens een breuk waarvan de noemer de afgevlakte index van de maand oktober van het jaar daarvoor is en de teller de afgevlakte index van de maand oktober van het beschouwde jaar. Het forfaitaire bedrag van het jaar 2021 bedraagt 780,06 euro.
Het eerste variabele gedeelte vertegenwoordigt 2,5% van de jaarlijkse bezoldiging. De jaarlijkse bezoldiging is die die dient of gediend zou hebben als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand oktober van het beschouwde jaar.
Het tweede variabele gedeelte vertegenwoordigt 7% van de bezoldiging van dezelfde maand oktober of van die die verschuldigd geweest zou zijn voor deze maand. Dit tweede variabele gedeelte wordt echter op 100,95 euro gebracht als het resultaat van de berekening lager is dan dit bedrag en wordt tot 201,90 euro beperkt als het resultaat van de berekening hoger is dan dit bedrag.
Voor de ambtenaar of de stagiair die de in artikel 292 bedoelde gewaarborgde bezoldiging geniet, zal het bedrag van de gewaarborgde bezoldiging in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het variabele gedeelte van de eindejaarstoelage.
§ 4. Op de eindejaarstoelage worden de inhoudingen verricht die zijn vastgesteld krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, behalve voor de gerechtigden die uitsluitend onderworpen zijn aan de regeling van verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging.
§ 5. De eindejaarstoelage wordt tijdens de maand december van het in aanmerking genomen jaar uitbetaald, behalve bij beëindiging van de arbeidsrelatie. In dat geval wordt de eindejaarstoelage op hetzelfde moment betaald als de laatste bezoldiging. Voor de berekening ervan is het forfaitaire gedeelte het laatste dat in aanmerking werd genomen en wordt het variabele gedeelte berekend op basis van de laatste betaalde maand.
§ 6. Voor de bedragen van 100,95 euro en 201,90 euro geldt de indexeringsregeling. Ze worden vastgelegd op de spilindex 138,01.]25
TITEL IV. - Toelagen
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Art. 295.
Het vervullen van prestaties die niet als normaal en eigen aan de functie kunnen worden beschouwd, kan aanleiding geven tot het toekennen van een toelage.
Art. 296.
In het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening is de toelage slechts verschuldigd als die onderbreking niet langer duurt dan dertig werkdagen en de ambtenaar of de stagiair het recht op zijn wedde niet verliest.
Art. 297.
Als de maandelijkse wedde niet volledig verschuldigd is, worden de toelagen bedoeld in hoofdstukken II, IV en V uitbetaald, overeenkomstig artikel 282, § 2.
[Art. 297/1.
Behoudens bijzondere bepalingen worden de toelagen maandelijks samen met de wedde uitbetaald en genieten ze de indexeringsregeling voor de toelagen.
Tenzij anders is bepaald, zijn ze verbonden aan de spilindex 138,01. Bij de berekening ervan wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal in het eindresultaat.]260
HOOFDSTUK II. - Toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt
Art. 298.
De ambtenaar die een hoger ambt onafgebroken waarneemt gedurende een periode van ten minste negentig dagen, krijgt een toelage die gelijk is aan het verschil tussen de bezoldiging die de ambtenaar zou genieten in de graad van het hoger ambt en de bezoldiging die hij geniet in zijn effectieve graad.
De in het eerste lid bedoelde bezoldiging omvat, in voorkomend geval, de haard- en standplaatsvergoeding.
Deze toelage wordt retroactief toegekend tot de eerste dag waarop de ambtenaar de hogere functie effectief uitoefende.
Zolang hij de voormelde functie bekleedt, heeft de ambtenaar recht op de hieraan verbonden tussentijdse verhogingen.
[...]261
HOOFDSTUK III. - Toelagen aan de boekhouders en rekenplichtigen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 299.
§ 1. De in dit hoofdstuk bedoelde toelagen kunnen niet met elkaar worden gecumuleerd.
§ 2. [...]262
§ 3. De in dit hoofdstuk bedoelde toelagen zijn niet verschuldigd als de centraliserend rekenplichtige, de rekenplichtige van de geschillen, de rekenplichtige van de liggende gelden of de boekhouder geschorst is.
Afdeling 2. - De verantwoordelijkheidstoelage aan de centraliserend rekenplichtigen, de rekenplichtigen van de geschillen en de liggende gelden en de boekhouders
Art. 300.
§ 1. Er wordt aan de ambtenaren aangesteld door het Algemeen Beheerscomité als centraliserend rekenplichtige, rekenplichtige van de geschillen, rekenplichtige van de liggende gelden of boekhouder een toelage toegekend waarvan het jaarbedrag is vastgelegd op 3.570 euro.
§ 2. De toelage wordt toegekend aan de plaatsvervangende centraliserende rekenplichtige, aan de plaatsvervangende rekenplichtige van de geschillen, aan de plaatsvervangende rekenplichtige van de liggende gelden of aan de plaatsvervangende boekhouder pro rata de periode gedurende dewelke hij die functie effectief heeft uitgeoefend.
Afdeling 3. - Toelage aan de rekenplichtingen
Art. 301.
§ 1. Er wordt aan de ambtenaren aangesteld door het Algemeen Beheerscomité als rekenplichtigen van de ontvangsten, rekenplichtigen voor rekeningen van derden en beheerders van de voorschotten of aan hun plaatsvervangers een forfaitaire jaartoelage toegekend van 900 euro.
§ 2. De toelage wordt toegekend aan de plaatsvervangende rekenplichtige van de ontvangsten, aan de plaatsvervangende rekenplichtige voor rekeningen van derden of aan de plaatsvervangende beheerder van de voorschotten toegekend naar rato van de periode waarin hij zijn functie daadwerkelijk heeft vervuld.
Art. 302.
De toelage is niet verschuldigd indien de verschillende rekeningen waarvoor de rekenplichtige verantwoordelijk is, niet het bedrag van 30.000 euro per jaar bereiken.
HOOFDSTUK IV. - Toelage aan sommige laureaten van een vergelijkende selectie voor overgang naar het hoger niveau
Art. 303.
§ 1. De ambtenaar die slaagt voor een vergelijkende selectie voor overgang naar het hoger niveau en die, na verloop van twee jaar te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal van de selectie, niet is benoemd tot de graad waarvoor hij heeft meegedongen, krijgt een jaarlijkse toelage waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
1° 1.125 euro voor de selecties die toegang verlenen tot niveau A;
2° 500 euro voor de selecties die toegang verlenen tot de niveaus B et C.
[...]263
§ 2. De toekenning van de toelage mag nooit tot gevolg hebben dat de bezoldiging van de ambtenaar hoger ligt dan die welke hij zou hebben bekomen [als hij benoemd was]263 in de graad waarvoor hij heeft medegedongen.
Om deze bezoldiging te bepalen wordt met de haard- of standplaatstoelage en iedere andere toelage inherent aan het uitoefenen van het ambt rekening gehouden.
De ambtenaar die de bevordering weigert, waarop hij omwille van het slagen voor de vergelijkende selectie aanspraak kan maken, verliest vanaf de dag van weigering het voordeel van de toelage voorzien in § 1.
HOOFDSTUK V. - Tweetaligheidstoelage
Art. 304.
Er wordt een [tweetaligheidstoelage]264 toegekend aan de ambtenaren en stagiairs die het bewijs hebben geleverd dat zij een schriftelijke en/of mondelinge kennis hebben van de tweede taal.
Deze schriftelijke en/of mondelinge kennis wordt bepaald door middel van :
1° hetzij het Koninklijk Besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en gestaafd door een taalcertificaat uitgereikt door [het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]264 ;
2° of één van de niveaus van taalbeheersing bepaald door het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader en gestaafd door een taalcertificaat uitgereikt door [een door]264 de Vlaamse Gemeenschap of de Franse Gemeenschap erkende taalonderwijsinstelling.
Art. 305.
Het jaarlijkse bedrag van de toelage verschilt naargelang het aan de ambtenaar en de stagiair uitgereikte certificaat van taalkennis.
[1° Overeenkomstig artikel 304, tweede lid, 1°, wordt het bedrag bepaald op basis van de examens zoals bedoeld in de volgende artikelen van bovengenoemd koninklijk besluit van 8 maart 2001:
Geven aanleiding tot een toelage van 600 euro:
- artikel 8;
- artikel 10.
Geven aanleiding tot een toelage van 2.400 euro:
- artikel 9, § 2, tweede lid (elementaire kennis);
- artikel 7, niveau 2/C;
- artikel 7, niveau 3/D;
- de combinatie van de volgende taalcertificaten:
- de artikelen 8 en 10.
Geven aanleiding tot een toelage van 3.200 euro:
- artikel 12;
- artikel 9, § 2, eerste lid (voldoende kennis);
- artikel 7, niveau 1/A;
- artikel 7, niveau 2+/B.]265
2° Overeenkomstig artikel 304, tweede lid, 2°, wordt het bedrag bepaald op basis van de volgende niveaus van taalbeheersing van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader :
a) kennisniveau A1 : 600 euro;
b) kennisniveau B1 : 2.400 euro;
c) kennisniveau C1 voor de lees- en luistervaardigheden en B2 voor de mondelinge en schriftelijke kennis : 3.200 euro.
De verschillende toelagen kunnen niet gecumuleerd worden.
Art. 306.
[...]266
Art. 307.
[...]266
HOOFDSTUK VI. - Mandaatstoelage
Art. 308.
§ 1. De ambtenaar die houder is van een mandaat, ontvangt een [toelage]267 waarvan het jaarlijks bedrag bepaald is als volgt :
1° voor de ambtenaren van rangen A5 en A4+ : 3.000 euro;
2° voor de ambtenaar van rang A4 : 2.000 euro.
[...]267
§ 2. Indien een vermelding "gunstig" zoals bedoeld in artikel 106 hem werd toegekend, wordt de [toelage]267 van de mandaathouder verdubbeld voor de periode waarop de evaluatie betrekking heeft.
De verdubbeling van de [mandaatstoelage]267 wordt aan de mandaathouders betaald binnen de drie maanden na de evaluatie.
HOOFDSTUK VII. - Toelage voor wachtdienst
Art. 309.
Een forfaitaire toelage voor passieve wachtdienst wordt toegekend aan de ambtenaar die, in het kader van een georganiseerd wachtsysteem, buiten zijn gewone prestaties, oproepbaar dient te zijn met het oog op het vervullen van eventuele prestaties. [Deze komt neer op een maandelijks brutobedrag van 50 euro aan index 138,01 van de consumptieprijzen.]26
[Indien de ambtenaar in het kader van zijn wachtdienst prestaties moet verrichten, is het stelsel van artikel 310/1 van toepassing.]268
[In geval van een gezondheidscrisis kan de Minister toepassing maken van de bepalingen betreffende de wachtdiensttoelage die van toepassing is op de Diensten van het Verenigd College.]268
HOOFDSTUK VIII. - Toelagen voor geneesheren en ingenieurs
Art. 310.
§ 1. [Er wordt aan de ambtenaren, titularis van de graden van geneesheer, ingenieur, eerste geneesheer deskundige en eerste ingenieur deskundige, alsook aan de ambtenaren van rang A4, A4+ en A5, die [ofwel]269 titularis zijn van een diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of master in de geneeskunde (huisarts) [...]269, hetzij van een diploma burgerlijk bouwkundig ingenieur of master in de ingenieurswetenschappen (bouwkunde), hetzij van een diploma burgerlijk ingenieur architect of master in de ingenieurswetenschappen (architectuur), een [toelage]269 toegekend, voor zover zij de specifieke functie van geneesheer of ingenieur uitoefenen zoals voorzien in hun functiebeschrijving.]27.
§ 2. Het jaarlijks forfaitair bedrag van deze [toelage]269 wordt vastgesteld op 3.500 euro.
[...]269
[HOOFDSTUK IX. Toelage voor onregelmatige prestaties]270
[Art. 310/1.
§ 1. Voor de toepassing van onderhavig hoofdstuk moet onder onregelmatige prestaties worden begrepen, prestaties verricht buiten de normale uurroosters, op verzoek van de directeur-generaal of de adjunct directeur-generaal verricht op een zaterdag, zondag, sluitingsdag of tussen twintig en zes uur.
Prestaties verricht tussen achttien uur en twintig uur worden gelijkgesteld met onregelmatige prestaties, voor zover deze eindigen om of na tweeëntwintig uur.
§ 2. Onregelmatige prestaties worden gecompenseerd aan de hand van een inhaalrust of aan de hand van een inhaalrust en een financiële compensatie, naargelang de keuze van de ambtenaar.
Voor wat betreft onregelmatige prestaties verricht op een zaterdag of tussen twintig en zes uur wordt de compensatie als volgt bepaald, per gepresteerd uur:
1. ofwel een inhaalrust aan 150 %;
2. ofwel een inhaalrust aan 100 % en een financiële compensatie van 50 % van 1/1976ste van de brutojaarwedde.
Voor wat betreft onregelmatige prestaties verricht op een zondag, een sluitingsdag of tussen twintig en zes uur van de dag ervoor wordt de compensatie, per gepresteerd uur, als volgt bepaald:
1. ofwel een inhaalrust aan 200 %;
2. ofwel een inhaalrust aan 100 % en een financiële compensatie van 100 % van 1/1976ste van de brutojaarwedde.]271
TITEL V. - Vergoedingen
HOOFDSTUK I. - De vergoeding voor reiskosten gemaakt in het belang van de dienst
Art. 311.
De artikelen 68 tot en met 75 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, evenals hun toekomstige wijzigingen, zijn van toepassing.
[Voor hun verplaatsingen in het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad beschikken de ambtenaar en stagiair over een gratis MIVB- of [Brupass -abonnement]272.]28
[Het [Brupass-abonnement]272 wordt uitgereikt op voorafgaande aanvraag en na goedkeuring door de overheid van de verantwoording door de ambtenaar of de stagiair van het nut dat dat abonnement voor hem heeft.]28
[De ambtenaar verkrijgt een Brupass XL-abonnement indien dit voordeliger is dan een combinatie van een NMBS-abonnement en een MIVB, TEC en De Lijn-abonnement.]272
HOOFDSTUK II. - De vergoeding voor het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer
Art. 312.
[§ 1. Het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer door de ambtenaar en de stagiair om zich van hun woonplaats naar hun werkplaats te begeven, geeft aanleiding tot een terugbetaling, overeenkomstig de artikelen 63, 64 en 65 tot en met 67 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, met inbegrip van hun toekomstige wijzigingen, onder voorbehoud van wat bepaald is in de volgende paragraaf van onderhavig artikel.
§ 2. In afwijking van artikel 63, tweede lid en 64, tweede lid, van bovengenoemd koninklijk besluit van 13 juli 2017, is de compenserende vergoeding, zoals bepaald in het eerste lid, 1°, voor ambtenaren en stagiairs met een fysieke belemmering waardoor ze het openbaar vervoer permanent niet kunnen gebruiken, gelijk aan een kilometervergoeding die wordt berekend overeenkomstig de artikelen 74 en 74bis van het koninklijk besluit van 13 juli 2017.
De berekeningsmethode voor de afegelegde afstand tussen de woonplaats en de werkplaats wordt bepaald door de directeur-generaal of zijn afgevaardigde.
Behalve in bijzondere omstandigheden die hij bepaalt, vergoedt de directeur-generaal of zijn afgevaardigde geen kosten voor een afstand die groter is dan die tussen de woonplaats en de werkplaats.]273
HOOFDSTUK III. - De vergoedingen voor het gebruik van de fiets
Art. 313.
[§ 1. De ambtenaar en de stagiair die zich verplaatsen met een fiets, voor de behoeften van de dienst of die zich minstens vijfmaal per maand per fiets verplaatsen om zich van hun woonplaats naar hun werkplaats te begeven, hebben recht op een fietsvergoeding.
Onder fiets wordt begrepen:
1° elk voertuig met 2 of meer wielen dat via pedalen of handgrepen met spierkracht wordt aangedreven of uitgerust is met een elektrische hulpmotor tot 250 W die geen ondersteuning meer biedt vanaf 25 km per uur, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen;
2° elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km per uur, met uitsluiting van de in 1° vermelde rijwielen . Het nominaal continu maximumvermogen van de elektrische motor bedraagt ten hoogste 1 kW;
3° elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van de gemotoriseerde rijwielen, met een elektrische hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km per uur. De elektrische motor heeft een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW.
Het bedrag van de vergoeding is, per afgelegde kilometer, gelijk aan het bedrag dat jaarlijks voor het gebruik van de fiets van belasting kan worden vrijgesteld door de belastingadministratie. Het bedrag van de fietsvergoeding wordt niet geïndexeerd.
§ 2. De ambtenaar en de stagiair hebben recht op de terugbetaling van het jaarabonnement bij deelfietsenbedrijven die actief zijn op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad indien:
1° zij zich voor de behoeften van de dienst met de fiets moeten verplaatsen of;
2° zij zich minstens vijfmaal per maand per fiets moeten verplaatsen om zich van hun woonplaats naar hun werk te begeven.
§ 3. De fietsvergoeding voorzien in de eerste paragraaf en de terugbetaling van het jaarabonnement voorzien in de tweede paragraaf kunnen niet gecumuleerd worden.".
]29 274
HOOFDSTUK IV. - Vergoeding van de begrafeniskosten bij overlijden van een ambtenaar
Art. 314.
Een vergoeding wegens begrafeniskosten volgens de tarieven en voorwaarden, vastgesteld bij de artikelen 92 tot en met 95 van het koninklijk besluit van koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, evenals hun toekomstige wijzigingen wordt toegekend.
[HOOFDSTUK V. - Vergoeding voor verblijfskosten]275
Art. 315.
§ 1. [Aan de sociaal controleurs die als opdracht hebben adviezen uit te brengen in het kader van het beheer van de dossiers voor de toekenning van sociale uitkeringen aan particulieren en daarvoor thuisbezoeken aan deze particulieren moeten brengen, wordt een forfaitaire maandvergoeding voor hun verblijfskosten toegekend.]276
§ 2. Deze vergoeding loopt maximaal op tot 160 euro en is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 van de [consumptieprijzen]276.
[Het maximale maandelijkse bedrag wordt toegekend indien de volgende voorwaarde is vervuld: de in § 1 bedoelde sociaal controleurs voeren gedurende dezelfde kalendermaand ten minste twee controles per dag uit gedurende ten minste vijftien werkdagen. In de gevallen zoals bedoeld in paragraaf 3 wordt het minimumaantal controles en/of werkdagen proportioneel verminderd.
Het aantal vereiste controles per dag wordt afgerond naar 2 als het overeenkomstig het tweede lid verkregen resultaat groter is dan 1,5. Het aantal vereiste controles per dag wordt afgerond naar 1 als het overeenkomstig het tweede lid verkregen resultaat lager dan of gelijk aan 1,5 is.
Het overeenkomstig het tweede lid vereiste aantal dagen wordt afgerond naar de dichtstbijzijnde eenheid, met een minimum van een dag. Als de hoogste en laagste eenheid even ver van dit getal liggen, wordt dat laatste getal naar beneden afgerond naar de lagere eenheid, met een minimum van een dag.]276
§ 3. De forfaitaire maandelijkse vergoeding wordt proportioneel verminderd in geval van :
- verminderde prestaties;
- een onderbreking van één dag of meer, al dan niet onafgebroken, van het uitoefenen van de functie in de loop van een kalendermaand, afgezien van de dagen jaarlijkse vakantie.
[§ 4. De vergoeding kan niet worden gecumuleerd met het voordeel dat voor dezelfde werkdag wordt toegekend in de vorm van een maaltijdcheque.]276
BOEK IV. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Art. 316.
[...]277
Art. 317.
[...]277
Art. 318.
[...]277
Art. 319.
De Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Openbaar ambt, worden belast met de uitvoering van onderhavig besluit.
BIJLAGEN.
Art. N1.
Bijlage I. Diploma's en studiegetuigschriften.
HOOFDSTUK I. - De volgende diploma's of studiegetuigschriften komen in aanmerking voor de toelating tot de Dienst naargelang van de niveau's :
NIVEAU A
1) Diploma van master, arts en veearts verkregen na studies van twee cycli, die ten minste 60 studiepunten vertegenwoordigen, uitgereikt door een universiteit met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, of de bij de wet of bij decreet daarmee gelijkgestelde instellingen of een `Haute Ecole', een door de Staat of door één van de Gemeenschappen opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling voor hoger onderwijs, een `Ecole supérieure des arts' of een jury ingesteld door de Staat of één van de Gemeenschappen of elke academische graad afgeleverd door bepalingen voorafgaand aan deze die van toepassing waren bij de inwerkingtreding van onderhavig besluit.
2) Getuigschrift uitgereikt aan diegenen die de studies hebben voleindigd aan de polytechnische afdeling of aan de afdeling "Alle Wapens" van de Koninklijke Militaire School en die krachtens de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van het hoger onderwijs gerechtigd zijn tot het voeren van de titel van burgerlijk ingenieur of van licentiaat, met de door de Koning bepaalde kwalificatie.
NIVEAU A (OVERGANGSMAATREGELEN)
1° Diploma uitgereikt door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen en licentiaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor de Overzeese Gebieden te Antwerpen indien de studies ten minste vier jaar hebben omvat.
2° Diploma van :
a) licentiaat in de handelswetenschappen;
b) handelsingenieur;
c) geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen;
d) licentiaat-vertaler;
e) licentiaat-tolk;
uitgereikt door inrichtingen van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door inrichtingen van technisch onderwijs - gerangschikt als handelshogescholen categorie A5 - of door een door de Staat ingestelde examencommissie.
3° Diploma of eindgetuigschrift uitgereikt na een cyclus van vijf jaar door :
a) de afdeling bestuurswetenschappen van het "Institut d'enseignement supérieur Lucien Cooremans" te Brussel;
b) het Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen te Elsene;
c) het Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen te Antwerpen.
NIVEAU B
1° Diploma van bachelor uitgereikt na een opleiding van één cyclus of na de eerste cyclus van een opleiding van twee cycli na ten minste 180 studiepunten uitgereikt door een universiteit of een Hogeschool, een `Ecole supérieure des arts' of door een door de Staat of door één van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie of elke academische graad van de eerste cyclus afgeleverd in uitvoering van bepalingen voorafgaand aan deze die van toepassing waren bij de inwerkingtreding van onderhavig besluit.
2° Getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere cyclus.
3° Diploma van meetkundig schatter van onroerende goederen.
4° Diploma van gegradueerde van het hoger beroepsonderwijs, uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen, met uitzondering van het diploma van gegradueerde in de verpleegkunde uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs.
5° Kandidaatsdiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie, ofwel door de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, de bij de wet ermee gelijkgestelde instellingen of de instellingen voor hoger onderwijs van het lange type, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen ofwel door een door de Staat of door één van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
6° Diploma van technisch ingenieur uitgereikt na hogere technische leergangen van de tweede graad.
7° Diploma van een afdeling ingedeeld, in het economisch, paramedisch, pedagogisch, landbouwkundig of sociaal hoger onderwijs van het korte type en voor sociale promotie of van hoger kunst- of technisch onderwijs van de 3e, 2e of 1e graad uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen.
8° Getuigschrift na het slagen voor de eerste twee studiejaren van de polytechnische afdeling of van de afdeling "Alle Wapens" van de Koninklijke Militaire School.
NIVEAU B (OVERGANGSMAATREGELEN)
1° Diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen of kandidaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden te Antwerpen.
2° Kandidaatsdiploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie door een inrichting van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door een inrichting van technisch onderwijs, gerangschikt als handelshogeschool in de categorie A5.
3° Diploma van burgerlijk conducteur uitgereikt door een Belgische universiteit.
4° Diploma van technisch ingenieur afgeleverd door een hogere technische school van de tweede graad.
5° Diploma van mijnmeter.
6° Diploma van gegradueerde in de landbouwwetenschappen, uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit van 31 oktober 1934 tot vaststelling van de voorwaarden voor het toekennen van de diploma's van landbouwkundig ingenieur, scheikundig landbouwingenieur, ingenieur voor waters en bossen, koloniaal landbouwkundig ingenieur, tuinbouwkundig ingenieur, boerderijbouwkundig ingenieur, ingenieur der landbouwbedrijven, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 juli 1936.
7° Diploma uitgereikt door een inrichting voor het hoger technisch onderwijs van de eerste graad met volledig leerplan opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van regeringswege samengestelde examencommissie.
8° Diploma gerangschikt in één van navolgende categorieën : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2An, C1/D, C5/C1/D, C1/An,
uitgereikt door een inrichting voor hoger technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van regeringswege samengestelde examencommissie.
9° Diploma gerangschikt in de categorie B3/B1,
uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating het volgende eist :
a) of een diploma van volledige hogere secundaire studies;
b) of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen;
c) of een diploma van een afdeling gerangschikt in de categorie B3/B2.
10° Getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse Gemeenschap of door een examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap.
NIVEAU C
1° Getuigschrift van hoger secundair onderwijs; bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs,gehomologeerd of uitgereikt door de examencommissie van de Staat of van één van de Gemeenschappen voor het secundair onderwijs.
2° Getuigschrift van het slagen met vrucht voor één van de toelatingsexamens voor de universiteit zoals voorzien in art. 49 § 1, vijfde lid van het Decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese Ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten.
3° Gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat of van één van de Gemeenschappen voor het secundair onderwijs uitgereikt bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs.
4° Brevet van :
a) verpleeg- of ziekenhuisassistent(e);
b) verpleger of verpleegster;
uitgereikt, hetzij door een door de Staat of één van de Gemeenschappen in de categorie van de aanvullende secundaire beroepsscholen opgerichte, gesubsidieerde of erkende verplegingsafdeling, hetzij door een door de Staat of één van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
5° Einddiploma, studiegetuigschrift of getuigschrift van het zesde leerjaar van het algemeen, het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan uitgereikt na het volgen met vrucht door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen.
6° Getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere secundaire cyclus.
7° Diploma van een tot de groep handel, administratie en organisatie behorende afdeling van een hogere secundaire technische leergang van een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen, uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden.
8° Diploma van een afdeling van het secundair volwassenenonderwijs van een onderwijsinrichting, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen, uitgereikt na ten minste zevenhonderdvijftig lestijden.
9° Diploma of getuigschrift dat in aanmerking genomen wordt voor aanwerving bij de diensten van de Vlaamse overheid in niveau A of B.
10° Diploma van gegradueerde in de verpleegkunde, uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen opgerichte, erkende of gesubsidieerde instelling of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap;
[11° Studiegetuigschrift of bekwaamheidsattest erkend of uitgereikt, in elke Gemeenschap, in het kader van de beroepsopleiding of erkenning van competenties, door een erkende openbare operator, of door één van zijn erkende partners.]30
NIVEAU C (OVERGANGSMAATREGEL)
1° Getuigschrift uitgereikt na één van de voorbereidende proeven voorgeschreven in de artikelen 10, 10bis en 12, van de op 31 december 1949 gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, zoals die bepalingen bestonden vóór 8 juni 1964.
2° Getuigschrift uitgereikt na het afleggen van een examen voorzien in artikel 9 van de op 31 december 1949 gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens.
3° Gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat voor het hoger middelbaar onderwijs uitgereikt diploma of getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs.
4° Erkend of aanvaard diploma van middelbare studies van de hogere graad (handelsafdeling).
5° Diploma of eindgetuigschrift van hoger middelbaar onderwijs behaald met vrucht.
6° Gehomologeerd diploma van de hogere secundaire technische school of eindgetuigschrift van studies in een hogere secundaire technische school uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studies, met vrucht, door een inrichting van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of diploma van de hogere secundaire technische school uitgereikt door de examencommissie van de Staat.
7° Diploma of eindgetuigschrift van de hogere secundaire technische school, - vroeger categorieën A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/A2 uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studiën, met vrucht, door een inrichting van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een examencommissie van de Staat.
8° Gehomologeerd diploma van hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan,
uitgereikt overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 10 februari 1971 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van het studiepeil van de inrichtingen voor kunstonderwijs met dat van hogere secundaire technische school en waarbij de voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's bepaald worden en het koninklijk besluit van 25 juni 1976 tot regeling van de studies van sommige hogere secundaire afdelingen van de inrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan.
9° Einddiploma, eindgetuigschrift, studieattest of brevet van het zesde jaar van het kunst- of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat.
10° Brevet of eindgetuigschrift uitgereikt na afloop van de hogere cyclus van een beroepsafdeling verbonden aan een inrichting voor technisch onderwijs opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en gerangschikt in één van de categorieën A4, C3, C2, C5.
11° Diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B1, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat.
12° Einddiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B2, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating een diploma van lagere secundaire studies of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen eist.
NIVEAU D
Geen enkele vereiste van diploma of studiegetuigschrift wordt gesteld.
HOOFDSTUK II. - § 1. Aangenomen worden eveneens de in overeenstemming met een buitenlandse regeling behaalde diploma's en studiegetuigschriften die, krachtens verdragen of internationale overeenkomsten of met toepassing van de procedure voor het verlenen van de gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, gelijkwaardig worden verklaard met één van de in deze lijst bedoelde diploma's of studiegetuigschriften.
§ 2. In afwijking van § 1, gelden voor de toelating tot de diensten van de Staat tot een gereglementeerd beroep, ook de bepalingen van de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.
Voor een gereglementeerd beroep wordt volgende beroepskwalificatie uit een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen eveneens in aanmerking genomen : een kwalificatie die wordt gestaafd door :
1° een opleidingstitel,
2° een bekwaamheidsattest van een opleiding die niet wordt afgesloten met een certificaat of diploma, van een specifiek examen, of van de uitoefening van een beroep,
3° en/of beroepservaring.
Teneinde de waarde van de voorgestelde beroepskwalificatie te kennen, legt de selector die beroepskwalificatie voor advies voor aan de overheid bevoegd voor de erkenning van de beroepskwalificatie. De bevoegde overheid kan de erkenning afhankelijk maken van compenserende maatregelen (een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid).
§ 3. De in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte richtlijnen die de in § 2 opgesomde richtlijn zouden aanvullen of vervangen, zijn van rechtswege toepasselijk, behalve indien ze bepalingen beïnvloeden die aanpassingsmaatregelen moeten ondergaan of de bevoegdheden zouden wijzigen die aan de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid zijn toegekend.
Art. N2.
[Bijlage II.
| Indice
Indicie |
A300 | A310 | A400 | A410 | A500 |
| Augmentations intercalaires
Tussentijdse verhogingen |
1x1 1.505,00
17x2 1.505,00 |
1x1 1.455,00
17x2 1.455,00 |
17x2 1.384,00 | 17x2 1.455,00 | 17x2 1.384,00 |
| 00 | 31.970,00 | 35.626,00 | 40.626,00 | 42.615,00 | 48.281,00 |
| 01 | 33.475,00 | 37.081,00 | 40.626,00 | 42.615,00 | 48.281,00 |
| 02 | 33.475,00 | 37.081,00 | 42.010,00 | 44.070,00 | 49.665,00 |
| 03 | 34.980,00 | 38.536,00 | 42.010,00 | 44.070,00 | 49.665,00 |
| 04 | 34.980,00 | 38.536,00 | 43.394,00 | 45.525,00 | 51.049,00 |
| 05 | 36.485,00 | 39.991,00 | 43.394,00 | 45.525,00 | 51.049,00 |
| 06 | 36.485,00 | 39.991,00 | 44.778,00 | 46.980,00 | 52.433,00 |
| 07 | 37.990,00 | 41.446,00 | 44.778,00 | 46.980,00 | 52.433,00 |
| 08 | 37.990,00 | 41.446,00 | 46.162,00 | 48.435,00 | 53.817,00 |
| 09 | 39.495,00 | 42.901,00 | 46.162,00 | 48.435,00 | 53.817,00 |
| 10 | 39.495,00 | 42.901,00 | 47.546,00 | 49.890,00 | 55.201,00 |
| 11 | 41.000,00 | 44.356,00 | 47.546,00 | 49.890,00 | 55.201,00 |
| 12 | 41.000,00 | 44.356,00 | 48.930,00 | 51.345,00 | 56.585,00 |
| 13 | 42.505,00 | 45.811,00 | 48.930,00 | 51.345,00 | 56.585,00 |
| 14 | 42.505,00 | 45.811,00 | 50.314,00 | 52.800,00 | 57.969,00 |
| 15 | 44.010,00 | 47.266,00 | 50.314,00 | 52.800,00 | 57.969,00 |
| 16 | 44.010,00 | 47.266,00 | 51.698,00 | 54.255,00 | 59.353,00 |
| 17 | 45.515,00 | 48.721,00 | 51.698,00 | 54.255,00 | 59.353,00 |
| 18 | 45.515,00 | 48.721,00 | 53.082,00 | 55.710,00 | 60.737,00 |
| 19 | 47.020,00 | 50.176,00 | 53.082,00 | 55.710,00 | 60.737,00 |
| 20 | 47.020,00 | 50.176,00 | 54.466,00 | 57.165,00 | 62.121,00 |
| 21 | 48.525,00 | 51.631,00 | 54.466,00 | 57.165,00 | 62.121,00 |
| 22 | 48.525,00 | 51.631,00 | 55.850,00 | 58.620,00 | 63.505,00 |
| 23 | 50.030,00 | 53.086,00 | 55.850,00 | 58.620,00 | 63.505,00 |
| 24 | 50.030,00 | 53.086,00 | 57.234,00 | 60.075,00 | 64.889,00 |
| 25 | 51.535,00 | 54.541,00 | 57.234,00 | 60.075,00 | 64.889,00 |
| 26 | 51.535,00 | 54.541,00 | 58.618,00 | 61.530,00 | 66.273,00 |
| 27 | 53.040,00 | 55.996,00 | 58.618,00 | 61.530,00 | 66.273,00 |
| 28 | 53.040,00 | 55.996,00 | 60.002,00 | 62.985,00 | 67.657,00 |
| 29 | 54.545,00 | 57.451,00 | 60.002,00 | 62.958,00 | 67.657,00 |
| 30 | 54.545,00 | 57.451,00 | 61.386,00 | 64.440,00 | 69.041,00 |
| 31 | 56.050,00 | 58.906,00 | 61.386,00 | 64.440,00 | 69.041,00 |
| 32 | 56.050,00 | 58.906,00 | 62.770,00 | 65.895,00 | 70.425,00 |
| 33 | 57.555,00 | 60.361,00 | 62.770,00 | 65.895,00 | 70.425,00 |
| 34 | 57.555,00 | 60.361,00 | 64.154,00 | 67.350,00 | 71.809,00 |
| Indice
Indicie |
A200 | A210 | A220 | A230 |
| Augmentations intercalaires
Tussentijdse verhogingen |
17x2 1.111,00
|
17x2 1.384,00 | 3x1 697,00
14x2 1.384,00
|
1x1 698,00
1x1 696,00 1x1 697,00 1x2 1.420,00 13x2 1.384,00 |
| 00 | 29.071,00 | 29.202,00 | 34.697,00 | 35.161,00 |
| 01 | 29.071,00 | 29.202,00 | 35.394,00 | 35.859,00 |
| 02 | 30.182,00 | 30.586,00 | 36.091,00 | 36.555,00 |
| 03 | 30.182,00 | 30.586,00 | 36.788,00 | 37.252,00 |
| 04 | 31.293,00 | 31.970,00 | 36.788,00 | 37.252,00 |
| 05 | 31.293,00 | 31.970,00 | 38.172,00 | 38.672,00 |
| 06 | 32.404,00 | 33.354,00 | 38.172,00 | 38.672,00 |
| 07 | 32.404,00 | 33.354,00 | 39.556,00 | 40.056,00 |
| 08 | 33.515,00 | 34.738,00 | 39.556,00 | 40.056,00 |
| 09 | 33.515,00 | 34.738,00 | 40.940,00 | 41.440,00 |
| 10 | 34.626,00 | 36.122,00 | 40.940,00 | 41.440,00 |
| 11 | 34.626,00 | 36.122,00 | 42.324,00 | 42.824,00 |
| 12 | 35.737,00 | 37.506,00 | 42.324,00 | 42.824,00 |
| 13 | 35.737,00 | 37.506,00 | 43.708,00 | 44.208,00 |
| 14 | 36.848,00 | 38.890,00 | 43.708,00 | 44.208,00 |
| 15 | 36.848,00 | 38.890,00 | 45.092,00 | 45.592,00 |
| 16 | 37.959,00 | 40.274,00 | 45.092,00 | 45.592,00 |
| 17 | 37.959,00 | 40.274,00 | 46.476,00 | 46.976,00 |
| 18 | 39.070,00 | 41.658,00 | 46.476,00 | 46.976,00 |
| 19 | 39.070,00 | 41.658,00 | 47.860,00 | 48.360,00 |
| 20 | 40.181,00 | 43.042,00 | 47.860,00 | 48.360,00 |
| 21 | 40.181,00 | 43.042,00 | 49.244,00 | 49.744,00 |
| 22 | 41.292,00 | 44.426,00 | 49.244,00 | 49.744,00 |
| 23 | 41.292,00 | 44.426,00 | 50.628,00 | 51.128,00 |
| 24 | 42.403,00 | 45.810,00 | 50.628,00 | 51.128,00 |
| 25 | 42.403,00 | 45.810,00 | 52.012,00 | 52.512,00 |
| 26 | 43.514,00 | 47.194,00 | 52.012,00 | 52.512,00 |
| 27 | 43.514,00 | 47.194,00 | 53.396,00 | 53.896,00 |
| 28 | 44.625,00 | 48.578,00 | 53.396,00 | 53.896,00 |
| 29 | 44.625,00 | 48.578,00 | 54.780,00 | 55.280,00 |
| 30 | 45.736,00 | 49.962,00 | 54.780,00 | 55.280,00 |
| 31 | 45.736,00 | 49.962,00 | 56.164,00 | 56.664,00 |
| 32 | 46.847,00 | 51.346,00 | ||
| 33 | 46.847,00 | 51.346,00 | ||
| 34 | 47.958,00 | 52.730,00 | ||
| Indice
Indicie |
A101 | A102 | A103 | A111 | A112 | A113 |
| Augmentations intercalaires
Tussentijdse verhogingen |
3x1 647,00
16x2 990,00 |
3x1 647,00
16x2 990,00 |
3x1 647,00
16x2 990,00 |
3x1 647,00
16x2 1.132,00 |
3x1 647,00
15x2 1.132,00 |
3x1 697,00
14x2 1.384,00 |
| 00 | 22.789,00 | 24.960,00 | 27.001,00 | 27.001,00 | 30.212,00 | 33.202,00 |
| 01 | 23.436,00 | 25.607,00 | 27.648,00 | 27.648,00 | 30.859,00 | 33.899,00 |
| 02 | 24.083,00 | 26.254,00 | 28.295,00 | 28.295,00 | 31.506,00 | 34.596,00 |
| 03 | 24.730,00 | 26.901,00 | 28.942,00 | 28.942,00 | 32.153,00 | 35.293,00 |
| 04 | 24.730,00 | 26.901,00 | 28.942,00 | 28.942,00 | 32.153,00 | 35.293,00 |
| 05 | 25.720,00 | 27.891,00 | 29.932,00 | 30.074,00 | 33.285,00 | 36.677,00 |
| 06 | 25.720,00 | 27.891,00 | 29.932,00 | 30.074,00 | 33.285,00 | 36.677,00 |
| 07 | 26.710,00 | 28.881,00 | 30.922,00 | 31.206,00 | 34.417,00 | 38.061,00 |
| 08 | 26.710,00 | 28.881,00 | 30.922,00 | 31.206,00 | 34.417,00 | 38.061,00 |
| 09 | 27.700,00 | 29.871,00 | 31.912,00 | 32.338,00 | 35.549,00 | 39.445,00 |
| 10 | 27.700,00 | 29.871,00 | 31.912,00 | 32.338,00 | 35.549,00 | 39.445,00 |
| 11 | 28.690,00 | 30.861,00 | 32.902,00 | 33.470,00 | 36.681,00 | 40.829,00 |
| 12 | 28.690,00 | 30.861,00 | 32.902,00 | 33.470,00 | 36.681,00 | 40.829,00 |
| 13 | 29.680,00 | 31.851,00 | 33.892,00 | 34.602,00 | 37.813,00 | 42.213,00 |
| 14 | 29.680,00 | 31.851,00 | 33.892,00 | 34.602,00 | 37.813,00 | 42.213,00 |
| 15 | 30.670,00 | 32.841,00 | 34.882,00 | 35.734,00 | 38.945,00 | 43.597,00 |
| 16 | 30.670,00 | 32.841,00 | 34.882,00 | 35.734,00 | 38.945,00 | 43.597,00 |
| 17 | 31.660,00 | 33.831,00 | 35.872,00 | 36.866,00 | 40.077,00 | 44.981,00 |
| 18 | 31.660,00 | 33.831,00 | 35.872,00 | 36.866,00 | 40.077,00 | 44.981,00 |
| 19 | 32.650,00 | 34.821,00 | 36.862,00 | 37.998,00 | 41.209,00 | 46.365,00 |
| 20 | 32.650,00 | 34.821,00 | 36.862,00 | 37.998,00 | 41.209,00 | 46.365,00 |
| 21 | 33.640,00 | 35.811,00 | 37.852,00 | 39.130,00 | 42.341,00 | 47.749,00 |
| 22 | 33.640,00 | 35.811,00 | 37.852,00 | 39.130,00 | 42.341,00 | 47.749,00 |
| 23 | 34.630,00 | 36.801,00 | 38.842,00 | 40.262,00 | 43.473,00 | 49.133,00 |
| 24 | 34.630,00 | 36.801,00 | 38.842,00 | 40.262,00 | 43.473,00 | 49.133,00 |
| 25 | 35.620,00 | 37.791,00 | 39.832,00 | 41.394,00 | 44.605,00 | 50.517,00 |
| 26 | 35.620,00 | 37.791,00 | 39.832,00 | 41.394,00 | 44.605,00 | 50.517,00 |
| 27 | 36.610,00 | 38.781,00 | 40.822,00 | 42.526,00 | 45.737,00 | 51.901,00 |
| 28 | 36.610,00 | 38.781,00 | 40.822,00 | 42.526,00 | 45.737,00 | 51.901,00 |
| 29 | 37.600,00 | 39.771,00 | 41.812,00 | 43.658,00 | 46.869,00 | 53.285,00 |
| 30 | 37.600,00 | 39.771,00 | 41.812,00 | 43.658,00 | 46.869,00 | 53.285,00 |
| 31 | 38.590,00 | 40.761,00 | 42.802,00 | 44.790,00 | 48.001,00 | 54.669,00 |
| 32 | 38.590,00 | 40.761,00 | 42.802,00 | 44.790,00 | 48.001,00 | |
| 33 | 39.580,00 | 41.751,00 | 43.792,00 | 45.922,00 | 49.133,00 | |
| 34 | 39.580,00 | 41.751,00 | 43.792,00 | 45.922,00 | ||
| 35 | 40.570,00 | 42.741,00 | 44.782,00 | 47.054,00 |
| Indice
Indicie |
B101 | B102 | B103 | B104 | B200 |
| Augmentations intercalaires
Tussentijdse verhogingen |
1x1 465,00
1x1 172,00 1x1 1.142,00 4x2 536,00 1x1 364,00 1x1 536,00 6x2 536,00 3x2 1.071,00 3x2 536,00 |
2x1 314,00
1x1 1.142,00 4x2 536,00 1x1 364,00 1x1 707,00 6x2 707,00 3x2 1.172,00 3x2 707,00 |
2x1 273,00
1x1 879,00 4x2 536,00 1x1 364,00 1x1 707,00 6x2 707,00 2x1 707,00 5x2 707,00 |
2x1 273,00
1x1 718,00 1x2 404,00 16x2 879,00
|
2x1 273,00
1x1 718,00 1x2 404,00 16x2 879,00
|
| 00 | 16.466,00 | 18.456,00 | 21.597,00 | 22.486,00 | 22.486,00 |
| 01 | 16.931,00 | 18.770,00 | 21.870,00 | 22.759,00 | 22.759,00 |
| 02 | 17.103,00 | 19.084,00 | 22.143,00 | 23.032,00 | 23.032,00 |
| 03 | 18.245,00 | 20.226,00 | 23.022,00 | 23.750,00 | 23.750,00 |
| 04 | 18.245,00 | 20.226,00 | 23.022,00 | 23.750,00 | 23.750,00 |
| 05 | 18.781,00 | 20.762,00 | 23.558,00 | 24.154,00 | 24.154,00 |
| 06 | 18.781,00 | 20.762,00 | 23.558,00 | 24.154,00 | 24.154,00 |
| 07 | 19.317,00 | 21.298,00 | 24.094,00 | 25.033,00 | 25.033,00 |
| 08 | 19.317,00 | 21.298,00 | 24.094,00 | 25.033,00 | 25.033,00 |
| 09 | 19.853,00 | 21.834,00 | 24.630,00 | 25.912,00 | 25.912,00 |
| 10 | 19.853,00 | 21.834,00 | 24.630,00 | 25.912,00 | 25.912,00 |
| 11 | 20.389,00 | 22.370,00 | 25.166,00 | 26.791,00 | 26.791,00 |
| 12 | 20.753,00 | 22.734,00 | 25.530,00 | 26.791,00 | 26.791,00 |
| 13 | 21.289,00 | 23.441,00 | 26.237,00 | 27.670,00 | 27.670,00 |
| 14 | 21.289,00 | 23.441,00 | 26.237,00 | 27.670,00 | 27.670,00 |
| 15 | 21.825,00 | 24.148,00 | 26.944,00 | 28.549,00 | 28.549,00 |
| 16 | 21.825,00 | 24.148,00 | 26.944,00 | 28.549,00 | 28.549,00 |
| 17 | 22.361,00 | 24.855,00 | 27.651,00 | 29.428,00 | 29.428,00 |
| 18 | 22.361,00 | 24.855,00 | 27.651,00 | 29.428,00 | 29.428,00 |
| 19 | 22.897,00 | 25.562,00 | 28.358,00 | 30.307,00 | 30.307,00 |
| 20 | 22.897,00 | 25.562,00 | 28.358,00 | 30.307,00 | 30.307,00 |
| 21 | 23.433,00 | 26.269,00 | 29.065,00 | 31.186,00 | 31.186,00 |
| 22 | 23.433,00 | 26.269,00 | 29.065,00 | 31.186,00 | 31.186,00 |
| 23 | 23.969,00 | 26.976,00 | 29.772,00 | 32.065,00 | 32.065,00 |
| 24 | 23.969,00 | 26.976,00 | 29.772,00 | 32.065,00 | 32.065,00 |
| 25 | 24.505,00 | 27.683,00 | 30.479,00 | 32.944,00 | 32.944,00 |
| 26 | 24.505,00 | 27.683,00 | 31.186,00 | 32.944,00 | 32.944,00 |
| 27 | 25.576,00 | 28.855,00 | 31.893,00 | 33.823,00 | 33.823,00 |
| 28 | 25.576,00 | 28.855,00 | 31.893,00 | 33.823,00 | 33.823,00 |
| 29 | 26.647,00 | 30.027,00 | 32.600,00 | 34.702,00 | 34.702,00 |
| 30 | 26.647,00 | 30.027,00 | 32.600,00 | 34.702,00 | 34.702,00 |
| 31 | 27.718,00 | 31.199,00 | 33.307,00 | 35.581,00 | 35.581,00 |
| 32 | 27.718,00 | 31.199,00 | 33.307,00 | 35.581,00 | 35.581,00 |
| 33 | 28.254,00 | 31.906,00 | 34.014,00 | 36.460,00 | 36.460,00 |
| 34 | 28.254,00 | 31.906,00 | 34.014,00 | 36.460,00 | 36.460,00 |
| 35 | 28.790,00 | 32.613,00 | 34.721,00 | 37.339,00 | 37.339,00 |
| 36 | 28.790,00 | 32.613,00 | 34.721,00 | 37.339,00 | 37.339,00 |
| 37 | 29.326,00 | 33.320,00 | 35.428,00 | 38.218,00 | 38.218,00 |
| Indice
Indicie |
C101 | C102 | C103 | C104 | C200 |
| Augmentations intercalaires
Tussentijdse verhogingen |
1x1 505,00
2x1 202,00 11x2 627,00 3x2 940,00 3x2 627,00 |
3x1 546,00
11x2 627,00 3x2 1.253,00 3x2 627,00 |
3x1 566,00
11x2 627,00 3x2 1.253,00 3x2 627,00 |
2x1 314,00
1x1 1.031,00 4x2 536,00 1x1 364,00 1x1 707,00 12x2 707,00 |
2x1 314,00
1x1 1.031,00 4x2 536,00 1x1 364,00 1x1 707,00 12x2 707,00 |
| 00 | 14.628,00 | 16.052,00 | 17.143,00 | 19.981,00 | 19.981,00 |
| 01 | 15.133,00 | 16.598,00 | 17.709,00 | 20.295,00 | 20.295,00 |
| 02 | 15.335,00 | 17.144,00 | 18.275,00 | 20.609,00 | 20.609,00 |
| 03 | 15.537,00 | 17.690,00 | 18.841,00 | 21.640,00 | 21.640,00 |
| 04 | 15.537,00 | 17.690,00 | 18.841,00 | 21.640,00 | 21.640,00 |
| 05 | 16.164,00 | 18.317,00 | 19.468,00 | 22.176,00 | 22.176,00 |
| 06 | 16.164,00 | 18.317,00 | 19.468,00 | 22.176,00 | 22.176,00 |
| 07 | 16.791,00 | 18.944,00 | 20.095,00 | 22.712,00 | 22.712,00 |
| 08 | 16.791,00 | 18.944,00 | 20.095,00 | 22.712,00 | 22.712,00 |
| 09 | 17.418,00 | 19.571,00 | 20.722,00 | 23.248,00 | 23.248,00 |
| 10 | 17.418,00 | 19.571,00 | 20.722,00 | 23.248,00 | 23.248,00 |
| 11 | 18.045,00 | 20.198,00 | 21.349,00 | 23.784,00 | 23.784,00 |
| 12 | 18.045,00 | 20.198,00 | 21.349,00 | 24.148,00 | 24.148,00 |
| 13 | 18.672,00 | 20.825,00 | 21.976,00 | 24.855,00 | 24.855,00 |
| 14 | 18.672,00 | 20.825,00 | 21.976,00 | 24.855,00 | 24.855,00 |
| 15 | 19.299,00 | 21.452,00 | 22.603,00 | 25.562,00 | 25.562,00 |
| 16 | 19.299,00 | 21.452,00 | 22.603,00 | 25.562,00 | 25.562,00 |
| 17 | 19.926,00 | 22.079,00 | 23.230,00 | 26.269,00 | 26.269,00 |
| 18 | 19.926,00 | 22.079,00 | 23.230,00 | 26.269,00 | 26.269,00 |
| 19 | 20.553,00 | 22.706,00 | 23.857,00 | 26.976,00 | 26.976,00 |
| 20 | 20.553,00 | 22.706,00 | 23.857,00 | 26.976,00 | 26.976,00 |
| 21 | 21.180,00 | 23.333,00 | 24.484,00 | 27.683,00 | 27.683,00 |
| 22 | 21.180,00 | 23.333,00 | 24.484,00 | 27.683,00 | 27.683,00 |
| 23 | 21.807,00 | 23.960,00 | 25.111,00 | 28.390,00 | 28.390,00 |
| 24 | 21.807,00 | 23.960,00 | 25.111,00 | 28.390,00 | 28.390,00 |
| 25 | 22.434,00 | 24.587,00 | 25.738,00 | 29.097,00 | 29.097,00 |
| 26 | 22.434,00 | 24.587,00 | 25.738,00 | 29.097,00 | 29.097,00 |
| 27 | 23.374,00 | 25.840,00 | 26.991,00 | 29.804,00 | 29.804,00 |
| 28 | 23.374,00 | 25.840,00 | 26.991,00 | 29.804,00 | 29.804,00 |
| 29 | 24.314,00 | 27.093,00 | 28.244,00 | 30.511,00 | 30.511,00 |
| 30 | 24.314,00 | 27.093,00 | 28.244,00 | 30.511,00 | 30.511,00 |
| 31 | 25.254,00 | 28.346,00 | 29.497,00 | 31.218,00 | 31.218,00 |
| 32 | 25.254,00 | 28.346,00 | 29.497,00 | 31.218,00 | 31.218,00 |
| 33 | 25.881,00 | 28.973,00 | 30.124,00 | 31.925,00 | 31.925,00 |
| 34 | 25.881,00 | 28.973,00 | 30.124,00 | 31.925,00 | 31.925,00 |
| 35 | 26.508,00 | 29.600,00 | 30.751,00 | 32.632,00 | 32.632,00 |
| 36 | 26.508,00 | 29.600,00 | 30.751,00 | 32.632,00 | 32.632,00 |
| 37 | 27.135,00 | 30.227,00 | 31.378,00 | 33.339,00 | 33.339,00 |
| Indice
indicie |
D101 | D102 | D103 | D104 | D200 |
| Augmentations intercalaires
Tussentijdse verhogingen |
1x1 354,00
1x2 475,00 1x1 283,00 3x2 283,00 1x1 162,00 1x1 394,00 1x1 172,00 1x1 344,00 5x2 344,00 1x1 344,00 6x2 344,00
|
1x1 354,00
1x2 637,00 1x1 283,00 1x2 546,00 1x1 354,00 15x2 354,00
|
2x1 223,00
1x1 1.031,00 1x1 273,00 3x2 273,00 1x2 556,00 1x1 344,00 1x1 192,00 1x1 162,00 1x1 202,00 1x1 162,00 1x1 202,00 1x1 152,00 1x1 213,00 1x1 152,00 1x1 223,00 1x1 142,00 2x1 354,00 1x1 243,00 1x1 364,00 5x2 364,00 |
1x1 505,00
18x2 505,00 |
1x1 505,00
18x2 505,00 |
| 00 | 14.426,00 | 14.426,00 | 15.224,00 | 16.880,00 | 16.880,00 |
| 01 | 14.780,00 | 14.780,00 | 15.447,00 | 17.385,00 | 17.385,00 |
| 02 | 14.780,00 | 14.780,00 | 15.670,00 | 17.385,00 | 17.385,00 |
| 03 | 15.255,00 | 15.417,00 | 16.701,00 | 17.890,00 | 17.890,00 |
| 04 | 15.538,00 | 15.700,00 | 16.974,00 | 17.890,00 | 17.890,00 |
| 05 | 15.538,00 | 15.700,00 | 16.974,00 | 18.395,00 | 18.395,00 |
| 06 | 15.821,00 | 16.246,00 | 17.247,00 | 18.395,00 | 18.395,00 |
| 07 | 15.821,00 | 16.600,00 | 17.247,00 | 18.900,00 | 18.900,00 |
| 08 | 16.104,00 | 16.600,00 | 17.520,00 | 18.900,00 | 18.900,00 |
| 09 | 16.104,00 | 16.954,00 | 17.520,00 | 19.405,00 | 19.405,00 |
| 10 | 16.387,00 | 16.954,00 | 17.793,00 | 19.405,00 | 19.405,00 |
| 11 | 16.549,00 | 17.308,00 | 17.793,00 | 19.910,00 | 19.910,00 |
| 12 | 16.943,00 | 17.308,00 | 18.349,00 | 19.910,00 | 19.910,00 |
| 13 | 17.115,00 | 17.662,00 | 18.693,00 | 20.415,00 | 20.415,00 |
| 14 | 17.459,00 | 17.662,00 | 18.885,00 | 20.415,00 | 20.415,00 |
| 15 | 17.459,00 | 18.016,00 | 19.047,00 | 20.920,00 | 20.920,00 |
| 16 | 17.803,00 | 18.016,00 | 19.249,00 | 20.920,00 | 20.920,00 |
| 17 | 17.803,00 | 18.370,00 | 19.411,00 | 21.425,00 | 21.425,00 |
| 18 | 18.147,00 | 18.370,00 | 19.613,00 | 21.425,00 | 21.425,00 |
| 19 | 18.147,00 | 18.724,00 | 19.765,00 | 21.930,00 | 21.930,00 |
| 20 | 18.491,00 | 18.724,00 | 19.978,00 | 21.930,00 | 21.930,00 |
| 21 | 18.491,00 | 19.078,00 | 20.130,00 | 22.435,00 | 22.435,00 |
| 22 | 18.835,00 | 19.078,00 | 20.353,00 | 22.435,00 | 22.435,00 |
| 23 | 18.835,00 | 19.432,00 | 20.495,00 | 22.940,00 | 22.940,00 |
| 24 | 19.179,00 | 19.432,00 | 20.849,00 | 22.940,00 | 22.940,00 |
| 25 | 19.523,00 | 19.786,00 | 21.203,00 | 23.445,00 | 23.445,00 |
| 26 | 19.523,00 | 19.786,00 | 21.446,00 | 23.445,00 | 23.445,00 |
| 27 | 19.867,00 | 20.140,00 | 21.810,00 | 23.950,00 | 23.950,00 |
| 28 | 19.867,00 | 20.140,00 | 21.810,00 | 23.950,00 | 23.950,00 |
| 29 | 20.211,00 | 20.494,00 | 22.174,00 | 24.455,00 | 24.455,00 |
| 30 | 20.211,00 | 20.494,00 | 22.174,00 | 24.455,00 | 24.455,00 |
| 31 | 20.555,00 | 20.848,00 | 22.538,00 | 24.960,00 | 24.960,00 |
| 32 | 20.555,00 | 20.848,00 | 22.538,00 | 24.960,00 | 24.960,00 |
| 33 | 20.899,00 | 21.202,00 | 22.902,00 | 25.465,00 | 25.465,00 |
| 34 | 20.899,00 | 21.202,00 | 22.902,00 | 25.465,00 | 25.465,00 |
| 35 | 21.243,00 | 21.556,00 | 23.266,00 | 25.970,00 | 25.970,00 |
| 36 | 21.243,00 | 21.556,00 | 23.266,00 | 25.970,00 | 25.970,00 |
| 37 | 21.587,00 | 21.910,00 | 23.630,00 | 26.475,00 | 26.475,00 |
]278
Art. N2/1
(Bijlage in beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-11-2023, p. 104848)
<BESL 2023-09-14/20, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 1 <BESL 2019-11-21/08, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 2 <BESL 2019-11-21/08, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 3 <Ingevoegd bij BESL 2024-07-04/18, art. 20, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 4 <BESL 2024-07-04/18, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 5 <BESL 2024-07-04/18, art. 22, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 6 <BESL 2019-11-21/08, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 7 <BESL 2023-09-14/20, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 8 <BESL 2024-07-04/18, art. 23, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 9 <BESL 2024-07-04/18, art. 24, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 10 <BESL 2024-07-04/18, art. 25, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 11 <BESL 2024-07-04/18, art. 26, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 12 <BESL 2024-07-04/18, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 13 <BESL 2024-07-04/18, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 14 <BESL 2019-11-21/08, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
- 15 <BESL 2024-07-04/18, art. 29, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 16 <BESL 2019-11-21/08, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 17 <BESL 2021-02-11/38, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
- 18 <BESL 2024-07-04/18, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 19 <BESL 2024-07-04/18, art. 31, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 20 <Ingevoegd bij BESL 2024-07-04/18, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 21 <BESL 2024-07-04/18, art. 33, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 22 <BESL 2019-11-21/08, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 23 <BESL 2024-07-04/18, art. 34, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
- 24 <BESL 2022-05-12/14, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 30-04-2022>
- 25 <BESL 2022-09-22/09, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 06-11-2022>
- 26 <BESL 2019-11-21/08, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 27 <BESL 2023-09-14/20, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2024>
- 28 <BESL 2019-11-21/08, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 29 <BESL 2019-11-21/08, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 30 <BESL 2019-11-21/08, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 01-02-2020>
- 31 <VARIA 2019-05-07/05, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2019 + erratum van 19-11-2019>
- [32] <BESL 2025-10-24, art. 1; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [33] <BESL 2025-10-24, art. 2; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [34] <BESL 2025-10-24, art. 3; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [35] <BESL 2025-10-24, art. 4; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [36] <BESL 2025-10-24, art. 5; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [37] <BESL 2025-10-24, art. 6; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [38] <BESL 2025-10-24, art. 7; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [39] <BESL 2025-10-24, art. 8; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [40] <BESL 2025-10-24, art. 9; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [41] <BESL 2025-10-24, art. 10; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [42] <BESL 2025-10-24, art. 11; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [43] <BESL 2025-10-24, art. 12; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [44] <BESL 2025-10-24, art. 13; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [45] <BESL 2025-10-24, art. 14; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [46] <BESL 2025-10-24, art. 15; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [47] <BESL 2025-10-24, art. 16; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [48] <BESL 2025-10-24, art. 17; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [49] <BESL 2025-10-24, art. 18; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [50] <BESL 2025-10-24, art. 19; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [51] <BESL 2025-10-24, art. 20; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [52] <BESL 2025-10-24, art. 21; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [53] <BESL 2025-10-24, art. 22; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [54] <BESL 2025-10-24, art. 23; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [55] <BESL 2025-10-24, art. 24; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [56] <BESL 2025-10-24, art. 25; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [57] <BESL 2025-10-24, art. 26; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [58] <BESL 2025-10-24, art. 27; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [59] <BESL 2025-10-24, art. 28; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [60] <BESL 2025-10-24, art. 29; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [61] <BESL 2025-10-24, art. 30; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [62] <BESL 2025-10-24, art. 31; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [63] <BESL 2025-10-24, art. 32; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [64] <BESL 2025-10-24, art. 33; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [65] <BESL 2025-10-24, art. 34; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [66] <BESL 2025-10-24, art. 35; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [67] <BESL 2025-10-24, art. 36; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [68] <BESL 2025-10-24, art. 37; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [69] <BESL 2025-10-24, art. 38; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [70] <BESL 2025-10-24, art. 39; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [71] <BESL 2025-10-24, art. 40; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [72] <BESL 2025-10-24, art. 41; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [73] <BESL 2025-10-24, art. 42; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [74] <BESL 2025-10-24, art. 43; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [75] <BESL 2025-10-24, art. 44; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [76] <BESL 2025-10-24, art. 45; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [77] <BESL 2025-10-24, art. 46; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [78] <BESL 2025-10-24, art. 47; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [79] <BESL 2025-10-24, art. 48; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [80] <BESL 2025-10-24, art. 49; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [81] <BESL 2025-10-24, art. 50; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [82] <BESL 2025-10-24, art. 51; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [83] <BESL 2025-10-24, art. 52; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [84] <BESL 2025-10-24, art. 53; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [85] <BESL 2025-10-24, art. 55; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [86] <BESL 2025-10-24, art. 56; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [87] <BESL 2025-10-24, art. 57; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [88] <BESL 2025-10-24, art. 58; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [89] <BESL 2025-10-24, art. 59; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [90] <BESL 2025-10-24, art. 60; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [91] <BESL 2025-10-24, art. 61; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [92] <BESL 2025-10-24, art. 62; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [93] <BESL 2025-10-24, art. 63; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [94] <BESL 2025-10-24, art. 64; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [95] <BESL 2025-10-24, art. 65; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [96] <BESL 2025-10-24, art. 66; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [97] <BESL 2025-10-24, art. 67; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [98] <BESL 2025-10-24, art. 68; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [99] <BESL 2025-10-24, art. 69; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [100] <BESL 2025-10-24, art. 70; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [101] <BESL 2025-10-24, art. 71; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [102] <BESL 2025-10-24, art. 72; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [103] <BESL 2025-10-24, art. 73; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [104] <BESL 2025-10-24, art. 74; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [105] <BESL 2025-10-24, art. 75; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [106] <BESL 2025-10-24, art. 76; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [107] <BESL 2025-10-24, art. 77; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [108] <BESL 2025-10-24, art. 78; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [109] <BESL 2025-10-24, art. 79; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [110] <BESL 2025-10-24, art. 80; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [111] <BESL 2025-10-24, art. 81; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [112] <BESL 2025-10-24, art. 82; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [113] <BESL 2025-10-24, art. 83; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [114] <BESL 2025-10-24, art. 84; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [115] <BESL 2025-10-24, art. 85; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [116] <BESL 2025-10-24, art. 86; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [117] <BESL 2025-10-24, art. 87; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [118] <BESL 2025-10-24, art. 88; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [119] <BESL 2025-10-24, art. 89; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [120] <BESL 2025-10-24, art. 90; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [121] <BESL 2025-10-24, art. 91; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [122] <BESL 2025-10-24, art. 92; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [123] <BESL 2025-10-24, art. 93; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [124] <BESL 2025-10-24, art. 94; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [125] <BESL 2025-10-24, art. 95; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [126] <BESL 2025-10-24, art. 96; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [127] <BESL 2025-10-24, art. 97; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [128] <BESL 2025-10-24, art. 98; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [129] <BESL 2025-10-24, art. 99; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [130] <BESL 2025-10-24, art. 100; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [131] <BESL 2025-10-24, art. 101; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [132] <BESL 2025-10-24, art. 102; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [133] <BESL 2025-10-24, art. 103; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [134] <BESL 2025-10-24, art. 104; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [135] <BESL 2025-10-24, art. 105; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [136] <BESL 2025-10-24, art. 106; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [137] <BESL 2025-10-24, art. 107; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [138] <BESL 2025-10-24, art. 108; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [139] <BESL 2025-10-24, art. 109; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [140] <BESL 2025-10-24, art. 110; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [141] <BESL 2025-10-24, art. 111; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [142] <BESL 2025-10-24, art. 112; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [143] <BESL 2025-10-24, art. 113; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [144] <BESL 2025-10-24, art. 114; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [145] <BESL 2025-10-24, art. 115; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [146] <BESL 2025-10-24, art. 116; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [147] <BESL 2025-10-24, art. 117; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [148] <BESL 2025-10-24, art. 118; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [149 <BESL 2025-10-24, art. 119; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [150] <BESL 2025-10-24, art. 120; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [151] <BESL 2025-10-24, art. 121; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [152] <BESL 2025-10-24, art. 122; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [153] <BESL 2025-10-24, art. 123; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [154] <BESL 2025-10-24, art. 124; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [155] <BESL 2025-10-24, art. 125; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [156] <BESL 2025-10-24, art. 126; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [157] <BESL 2025-10-24, art. 127; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [158] <BESL 2025-10-24, art. 128; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [159] <BESL 2025-10-24, art. 129; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [160] <BESL 2025-10-24, art. 130; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [161] <BESL 2025-10-24, art. 131; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [162] <BESL 2025-10-24, art. 132; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [163] <BESL 2025-10-24, art. 133; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [164] <BESL 2025-10-24, art. 134; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [165] <BESL 2025-10-24, art. 135; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [166] <BESL 2025-10-24, art. 136; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [167] <BESL 2025-10-24, art. 137; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [168] <BESL 2025-10-24, art. 138; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [169] <BESL 2025-10-24, art. 139; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [170] <BESL 2025-10-24, art. 140; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [171] <BESL 2025-10-24, art. 141; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [172] <BESL 2025-10-24, art. 142; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [173] <BESL 2025-10-24, art. 143; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [174] <BESL 2025-10-24, art. 144; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [175] <BESL 2025-10-24, art. 145; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [176] <BESL 2025-10-24, art. 146; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [177] <BESL 2025-10-24, art. 147; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [178] <BESL 2025-10-24, art. 148; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [179] <BESL 2025-10-24, art. 149; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [180] <BESL 2025-10-24, art. 150; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [181] <BESL 2025-10-24, art. 151; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [182] <BESL 2025-10-24, art. 152; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [183] <BESL 2025-10-24, art. 153; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [184] <BESL 2025-10-24, art. 155; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [185] <BESL 2025-10-24, art. 156; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [186] <BESL 2025-10-24, art. 157; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [187] <BESL 2025-10-24, art. 158; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [188] <BESL 2025-10-24, art. 159; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [189] <BESL 2025-10-24, art. 160; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [190] <BESL 2025-10-24, art. 161; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [191] <BESL 2025-10-24, art. 162; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [192] <BESL 2025-10-24, art. 163; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [193] <BESL 2025-10-24, art. 164; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [194] <BESL 2025-10-24, art. 165; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [195] <BESL 2025-10-24, art. 166; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [196] <BESL 2025-10-24, art. 167; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [197] <BESL 2025-10-24, art. 168; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [198] <BESL 2025-10-24, art. 169; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [199] <BESL 2025-10-24, art. 170; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [200] <BESL 2025-10-24, art. 171; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [201] <BESL 2025-10-24, art. 172; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [202] <BESL 2025-10-24, art. 173; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [203] <BESL 2025-10-24, art. 174; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [204] <BESL 2025-10-24, art. 175; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [205] <BESL 2025-10-24, art. 176; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [206] <BESL 2025-10-24, art. 177; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [207] <BESL 2025-10-24, art. 178; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [208] <BESL 2025-10-24, art. 179; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [209] <BESL 2025-10-24, art. 180; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [210] <BESL 2025-10-24, art. 181; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [211] <BESL 2025-10-24, art. 182; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [212] <BESL 2025-10-24, art. 183; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [213] <BESL 2025-10-24, art. 184; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [214] <BESL 2025-10-24, art. 185; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [215] <BESL 2025-10-24, art. 186; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [216] <BESL 2025-10-24, art. 187; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [217] <BESL 2025-10-24, art. 188; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [218] <BESL 2025-10-24, art. 189; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [219] <BESL 2025-10-24, art. 190; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [220] <BESL 2025-10-24, art. 191; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [221] <BESL 2025-10-24, art. 192; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [222] <BESL 2025-10-24, art. 193; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [223] <BESL 2025-10-24, art. 194; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [224] <BESL 2025-10-24, art. 195; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [225] <BESL 2025-10-24, art. 196; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [226] <BESL 2025-10-24, art. 197; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [227] <BESL 2025-10-24, art. 198; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [228] <BESL 2025-10-24, art. 199; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [229] <BESL 2025-10-24, art. 200; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [230] <BESL 2025-10-24, art. 201; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [231] <BESL 2025-10-24, art. 202; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [232] <BESL 2025-10-24, art. 203; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [233] <BESL 2025-10-24, art. 204; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [234] <BESL 2025-10-24, art. 205; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [235] <BESL 2025-10-24, art. 206; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [236] <BESL 2025-10-24, art. 207; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [237] <BESL 2025-10-24, art. 208; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [238] <BESL 2025-10-24, art. 209; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [239] <BESL 2025-10-24, art. 210; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [240] <BESL 2025-10-24, art. 211; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [241] <BESL 2025-10-24, art. 212; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [242] <BESL 2025-10-24, art. 213; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [243] <BESL 2025-10-24, art. 214; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [244] <BESL 2025-10-24, art. 215; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [245] <BESL 2025-10-24, art. 216; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [246] <BESL 2025-10-24, art. 217; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [247] <BESL 2025-10-24, art. 218; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [248] <BESL 2025-10-24, art. 219; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [249] <BESL 2025-10-24, art. 220; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [250] <BESL 2025-10-24, art. 221; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [251] <BESL 2025-10-24, art. 222; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [252] <BESL 2025-10-24, art. 223; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [253] <BESL 2025-10-24, art. 224; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [254] <BESL 2025-10-24, art. 225; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [255] <BESL 2025-10-24, art. 226; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [256] <BESL 2025-10-24, art. 227; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [257] <BESL 2025-10-24, art. 228; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [258] <BESL 2025-10-24, art. 229; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [259] <BESL 2025-10-24, art. 230; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [260] <BESL 2025-10-24, art. 231; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [261] <BESL 2025-10-24, art. 232; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [262] <BESL 2025-10-24, art. 233; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [263] <BESL 2025-10-24, art. 234; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [264] <BESL 2025-10-24, art. 235; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [265] <BESL 2025-10-24, art. 236; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [266] <BESL 2025-10-24, art. 237; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [267] <BESL 2025-10-24, art. 238; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [268] <BESL 2025-10-24, art. 239; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [269] <BESL 2025-10-24, art. 240; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [270] <BESL 2025-10-24, art. 241; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [271] <BESL 2025-10-24, art. 242; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [272] <BESL 2025-10-24, art. 243; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [273] <BESL 2025-10-24, art. 244; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [274] <BESL 2025-10-24, art. 246; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [275] <BESL 2025-10-24, art. 247; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [276] <BESL 2025-10-24, art. 248; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [277] <BESL 2025-10-24, art. 249; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [278] <BESL 2025-10-24, art. 250; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [279] <BESL 2025-12-11, art. 3; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [280] <BESL 2025-12-11, art. 4; Inwerkingtreding: 01-01-2026>
- [281] <BESL 2025-12-11, art. 5; Inwerkingtreding: 01-01-2026>