CO GB 6/1 – 13 MAART 2026 – De rechtgevende kinderen bedoeld in artikel 25 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag
Betreft: de rechtgevende kinderen bedoeld in artikel 25 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag
1. Inleiding: context
In artikel 25 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag zijn de vereiste voorwaarden uit hoofde van het kind vastgelegd om kinderbijslag krijgen.
De kinderbijslag wordt ambtshalve aan het rechtgevende kind toegekend tot 31 augustus van het kalenderjaar in de loop waarvan het de leeftijd van 18 jaar bereikt (artikel 25, § 1).
Na die periode en tot zijn 25e verjaardag (uiterste toekenningsdatum) moet het kind, om kinderbijslag te blijven krijgen, zich in een van de volgende situaties bevinden:
- verbonden zijn door een leerovereenkomst (artikel 25, § 2, eerste lid, a)1Besluit van 9 juli 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van kinderen die verbonden zijn door een leerovereenkomst.;
- lessen volgen of een opleiding doorlopen waarvoor studiepunten worden toegekend in de bachelor-masterstructuur (artikel 25, § 2, eerste lid, b)2Besluit van 9 juli 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen.;
- een stage volgen om in een ambt te kunnen worden benoemd (artikel 25, § 2, eerste lid), b)3Besluit van 9 juli 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van de kinderen die een stage volgen om in een ambt te kunnen worden benoemd.;
- een eindverhandeling voor hoger studies voorbereiden (artikel 25, § 2, eerste lid, c)4Besluit van 9 juli 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat een eindverhandeling voor hogere studies voorbereidt.;
- ingeschreven zijn als werkzoekende en studies of een leerovereenkomst beëindigd hebben (artikel 25, § 2, eerste lid), d)5Besluit van 24 oktober 2019 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de kinderbijslag voor jongeren ingeschreven als werkzoekende..
De bepalingen met betrekking tot een winstgevende activiteit6De ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt in artikel 25, § 2, tweede lid, dat de volgende activiteiten niet als een winstgevende activiteit wordt beschouwd: vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, het verrichten van een vrijwillige dienst van collectief nut in de zin van de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut en het verrichten een vrijwillige militaire inzet in de zin van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet tot de eerste dag van de achtste kalenderweek die volgt op de week waarin de militair de dienstneming aangaat. , het ontvangen van een sociale uitkering of de ziekte van het kind, worden in deze omzendbrief toegelicht.
De volgende algemene en gemeenschappelijke regels zijn van toepassing op alle kinderen:
- de winstgevende activiteit mag worden uitgeoefend voor zover ze niet meer dan 240 uur per kwartaal bedraagt. Dat wordt de norm voor de toekenning van de kinderbijslag in geval van een winstgevende activiteit, een activiteit in loondienst of een zelfstandige activiteit;
Elke inlichting waaruit blijkt dat het aantal uren activiteit meer dan 240 uur per kwartaal bedraagt, wordt in overweging genomen (attest, gegevensstroom, enz.).
Daarnaast, als de uitgeoefende activiteit een zelfstandige activiteit is die leidt tot een onderwerping aan het sociaal statuut van zelfstandige in hoofdberoep, wordt deze activiteit geacht te zijn uitgeoefend gedurende meer dan 240 uur per kwartaal.. Er mag geen bewijs van het tegendeel worden geleverd (onweerlegbaar vermoeden);
- het ontvangen van sociale uitkeringen die voortvloeien uit een toegelaten winstgevende activiteit vormt geen beletsel voor de kinderbijslag. Inschakelingsuitkeringen van de werkloosheid blijven echter onverenigbaar met de toekenning van kinderbijslag;
- als de lessen/opleiding die de jongeren volgen, worden onderbroken na een ziekte of ongeval, blijven ze gedurende maximaal een jaar recht hebben op kinderbijslag. Als de hervatting van de lessen/opleiding ten minste dertig kalenderdagen duurt, blijft de kinderbijslag verschuldigd voor een nieuwe maximale duur van een jaar als het kind opnieuw afwezig is wegens ziekte of ongeval.
En, meer specifiek voor jonge werkzoekenden komen daar nog de volgende regels bij7BVC van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de kinderbijslag voor jongeren ingeschreven als werkzoekende.:
- alle uitkeringen van de werkloosheidssector zijn onverenigbaar met kinderbijslag;
- de periode van 360 kalenderdagen (toekenningsperiode) wordt verlengd met de periode van ziekte of ongeval op voorwaarde dat het kind zich onmiddellijk8Cf. artikel 3, eerste lid van het BVC van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de kinderbijslag voor jongeren ingeschreven als werkzoekende. Er wordt onder een onmiddellijke inschrijving een inschrijving binnen vijf werkdagen na het einde van de ziekte verstaan. opnieuw inschrijft als werkzoekende na de ziekte of het ongeval;
2. De door de BVC vastgestelde toekenningsvoorwaarden voor de kinderbijslag
2.1 Kinderen met een leerovereenkomst
Kinderbijslag is verschuldigd voor de duur van de leerovereenkomst of- verbintenis. De leerovereenkomst- of verbintenis moet erkend en gecontroleerd zijn.
Op grond van artikel 2, derde lid, van het BVC van 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van kinderen die verbonden zijn door een leerovereenkomst, worden de volgende activiteiten niet als winstgevende activiteit beschouwd:
a) een activiteit die wordt uitgeoefend in het kader van de leerovereenkomst of- verbintenis;
b) een andere activiteit die wordt uitgeoefend tijdens het derde kwartaal dan die bedoeld in de leerovereenkomst of- verbintenis op voorwaarde dat na afloop van dat kwartaal, het kind opnieuw de hoedanigheid heeft van rechtgevend kind en niet van werkzoekende.
De kinderbijslag wordt ook toegekend voor een periode van drie maanden die volgt, ofwel op de datum van de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning ofwel op de datum van verbreking van de leerovereenkomst of -verbintenis, op voorwaarde dat het kind tijdens die periode geen winstgevende activiteit uitoefent, de leergangen van de basisopleiding in de leertijd blijft volgen en niet uitgesloten is van het voordeel van een latere erkenning. Bij wijze van uitzondering wordt in die bijzondere context elke activiteit beschouwd als een winstgevende activiteit, met inbegrip van de hierboven vermelde activiteiten uit artikel 2, derde lid, van het BVC.
2.2 Kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen
Het BVC van 9 juli 20199BVC 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen. legt voorwaarden vast in verband met het volgen van lessen of de opleiding
De activiteit (in loondienst of als zelfstandige) uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde vormt voor de toekenning van een diploma en deze die wordt gepresteerd in het kader van het deeltijds onderwijs worden niet beschouwd als winstgevende activiteiten. De in dit kader gepresteerde uren worden niet verrekend in de norm van 240 uur per kwartaal.
Als de norm tijdens het derde kwartaal (zomervakantie) wordt overschreden en er geen daadwerkelijke hervatting is van het schoolbezoek of van een nieuwe opleiding via inschrijving in een onderwijsinstelling, dan is er een beletsel voor het recht op kinderbijslag.
Wanneer een student een sociale uitkering krijgt op grond van een Belgische of buitenlandse regeling voor ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekten, werkloosheid10BVC van 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen (art. 12, § 2, eerste lid). of een loopbaanonderbrekingsuitkering krijgt, leidt die sociale uitkering tot een schorsing van de toekenning van kinderbijslag voor de volledige desbetreffende maand, indien deze uitkering voortvloeit uit een niet-toegelaten winstgevende activiteit (of een winstgevende activiteit die gedurende meer dan 240 uur per kwartaal is uitgeoefend).
De inschakelingsuitkering bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering leiden echter altijd tot de schorsing van ambtswege van de toekenning van kinderbijslag.
Opmerkingen:
- De overeenkomst voor tewerkstelling van studenten
Elke tewerkstelling als student, zelfs deze die tot het betalen van beperkte socialezekerheidsbijdragen leidt, vormt een winstgevende activiteit als een ander waarvan de uren moeten worden verrekend in het totaal van de 240 uur per kwartaal.
- Student met winstgevende activiteit in de deeleconomie11Dienstbrief 999/189 van 22 juni 2018 - de gegevensvergaring voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen.
De winstgevende activiteit in het kader van de deeleconomie moet in aanmerking worden genomen voor de norm van 240 uur per kwartaal. Het BVC verwijst immers naar de winstgevende activiteit in de algemene zin en beoogt bijgevolg elke soort winstgevende activiteit. Een winstgevende activiteit zoals het vervoer via Uber moet in rekening worden gebracht.
De regels die voor de zelfstandige activiteit worden toegepast, zijn bijgevolg van toepassing op de activiteit in de deeleconomie12Tenzij het kind verbonden is door een arbeidsovereenkomst..
2.3 Kinderen die een eindverhandeling voor hogere studies voorbereiden
Het BVC13BVC van 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat een eindverhandeling voor hogere studies voorbereidt bepaalt dat de student die een eindverhandeling voorbereidt als voorwaarde voor het verkrijgen van een door een bevoegde overheid erkend diploma, ten hoogste een jaar een recht op kinderbijslag kan krijgen tijdens de periode die na de laatste zomervakantie begint tot de eindverhandeling is ingediend.
2.4 Kinderen die een stage vervullen om in een ambt te kunnen worden benoemd
14BVC van 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten voordele van de kinderen die een stage volgen om in een ambt te kunnen worden benoemdHet recht wordt toegekend voor de stageperiode voor zover die onbezoldigd is en onontbeerlijk voor de benoeming.
2.5 Werkzoekenden
Het recht wordt geopend door de inschrijving als werkzoekende waarmee de beroepsinschakelingstijd aanvangt na een opleiding (in de ruime zin) die de toekenning van de kinderbijslag toeliet.
In dat kader bedraagt de toekenningsperiode 360 kalenderdagen, die in voorkomend geval wordt verlengd met de periode van opschorting wegens ziekte en de periode van verlenging van de beroepsinschakelingstijd. Zie punt 3.4.5 hieronder.
3. Gegevensverzameling
3.1 Kinderen met een leerovereenkomst
Sinds 1 september 2015 vervangt de alternerende overeenkomst in de Franse Gemeenschap tezelfdertijd de leerovereenkomst van het IFAPME/de SFPME en de overeenkomst voor socioprofessionele inschakeling van de CEFA's15Zie dienstbrief 996/117 van 18 september 2015 - De alternerende overeenkomst - Hervorming in het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap..
In de Vlaamse Gemeenschap vervangt de overeenkomst alternerende opleiding vanaf 1 september 2016 de leerovereenkomst van SYNTRA en de overeenkomst voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Vlaamse Gemeenschapscommissie-VGC). Vanaf het schooljaar 2016-2017 zette Vlaanderen eveneens een proefproject op voor opleiding op de werkvloer met als titel "Schoolbank op de werkplek,", waarbij duale studierichtingen worden georganiseerd in zowel het voltijdsonderwijs, als het deeltijds onderwijs en de leertijd.
3.2 Kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen
Hierna wordt de huidige procedure toegelicht om controleformulieren te verzenden.
Overzicht verzending formulieren en modules per gemeenschap16Dienstbrief 999/182 van 29 juni 2017 - De gegevensvergaring voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen: aanpassing van het formulier P7 academiejaar 2017-2018 - bijlagen.
| Vlaamse Gemeenschap |
|
| Franse/Duitstalige Gemeenschap |
|
Opmerkingen:
Voor de jongeren met een alternerende overeenkomst in de Franse Gemeenschap zal door de opleidingsoperatoren nog gewerkt worden met het verkort attest P7 dat wordt aanvaard als geldig studiebewijs18Dienstbrief 999/182 van 29 juni 2017 - De gegevensvergaring voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen: aanpassing van het formulier P7 academiejaar 2017-2018 - bijlagen..
Voor de jongeren met een alternerende overeenkomst in het voltijds of deeltijds onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap worden de opleidingen geregistreerd volgens de respectievelijke administratieve groepen in flux D06219Zie ook dienstbrief 999/178 van 5 juli 2016 - Aanpassing van de procedure voor de controle van de jongeren die onderwijs volgen..
Voor jongeren met een overeenkomst alternerende opleiding (OAO) in het kader van de leertijd bij SYNTRA wordt de informatie gevraagd via formulier P7, aangezien dit niet wordt gecommuniceerd met flux D062.
3.2.1 Opvolging van de winstgevende activiteit in loondienst uitgeoefend door het kind dat lessen volgt of een opleiding doorloopt
De gegevens voor de controle van de kwartaalnorm van 240 werkuren worden voornamelijk verzameld aan de hand van RIP- en DmfA-berichten en andere relevante fluxen20Met name flux D047 in het geval van een zelfstandige activiteit., ongeacht het soort onderwijs dat het kind volgt.
Ter herinnering, als de activiteit de urennorm overschrijdt (> 240 uur) in de loop van een kwartaal waarvoor de kinderbijslag in debet werd gebracht, worden de volgende kwartalen van het desbetreffende academiejaar (met inbegrip van de volgende vakantieperiode) niet meer provisioneel uitbetaald. Er moet worden gewacht op het DmfA-bericht betreffende een kwartaal vooraleer de kinderbijslag van dat kwartaal kan worden toegekend, behalve als voldoende kan worden aangetoond dat de desbetreffende activiteit die de overschrijding van de norm veroorzaakte, in de loop van het vorige kwartaal ten einde liep of de werkhoeveelheid verminderde (< 240 uur).
Als de activiteit valt onder de norm van 240 uur per kwartaal worden de betalingen hervat en provisioneel voortgezet in het kwartaal volgend op de ontvangst van het DmfA-bericht of andere volgende relevante fluxen.
Voorbeeld:
Een student die ingeschreven is in het hoger onderwijs voor het academiejaar 2020--2021 oefent een winstgevende activiteit uit van 15 januari 2021 tot 30 mei 2021.
Het RIP-bericht leidt niet tot een schorsing. De betalingen worden voortgezet tot aan de ontvangst van de DmfA met betrekking tot het eerste kwartaal 2021 (ontvangen op 15 mei 2021).
De betalingen werden dus tot eind april 2021 uitgevoerd (uitbetaling op 8 mei 2021). Als de DmfA meer dan 240 uur aangeeft voor het eerste kwartaal van 2021 wordt het niet-verschuldigde bedrag met betrekking tot januari, februari en maart 2021 betekend. April 2021 blijft in onderzoek in afwachting van de DmfA met betrekking tot het tweede kwartaal van 2021 en de uitbetalingen van de kinderbijslag worden geschorst vanaf 1 mei 2021. Mei en juni 2021 moeten worden geregulariseerd als de op 20 augustus 2021 ontvangen DmfA minder dan 240 uur vermeldt. Juli moet eveneens worden geregulariseerd en de betalingen worden voortgezet tot de volgende DmfA wordt ontvangen (onder voorbehoud dat de studies na de vakanties worden hervat of voortgezet).
3.2.2 Opvolging van de zelfstandige winstgevende activiteit door het kind dat lessen volgt of een opleiding doorloopt
Sinds 1 januari 2017 kan de student die een zelfstandige activiteit uitoefent, het statuut van student-zelfstandige aanvragen.
In het ARZA zijn de codes van de aan dit statuut verbonden bijdragereeksen gebundeld.
Drie bijdragecodes worden vermeld in de fluxen A301 en L302 (D047 en P061 in de terminologie van het Kadaster):
- reeks 1: de student-zelfstandige is geen sociale bijdrage verschuldigd of is enkel een voorlopige bijdrage op een forfaitair inkomen verschuldigd aan het begin van de activiteit;
- reeks 2: de student-zelfstandige is een verminderde bijdrage verschuldigd op een inkomen vanaf de helft van het minimuminkomen voor zelfstandigen in hoofdberoep;
- reeks 3: de student-zelfstandige is een bijdrage verschuldigd als zelfstandige in hoofdberoep.
Overeenkomstig de norm van de 240 uur is er enkel bij de eerste reeks een vermoeden dat de norm van de 240 uur niet wordt overschreden. De betalingen worden voortgezet.21Omzendbrief 1386/2018 van 9 februari 2018 - Jaarlijkse evaluatie van de behoeften aan informatie met elektronische en papieren dragers: Actualisering van de richtlijnen in verband met controle door formulieren - pagina 52.
Voor een onderwerping met reeksen 2 en 3 worden de betalingen geschorst en moet de periode worden herzien. Voor de situaties van reeks 2 kan een verklaring op eer over de niet-overschrijding van de uren activiteit aan het fonds worden bezorgd. Als die verklaring echter niet met de werkelijkheid overeenstemt, wordt het dossier herzien.
Voor de situaties van reeks 3 kan noch een bewijs van het tegendeel noch een verklaring op eer medebepalend zijn.
3.2.3 Bijzondere gevallen: beroepsinlevingsovereenkomst- individuele beroepsopleiding en instapstage
22Omzendbrief 1386/2018 van 9 februari 2018. 23Dienstbrief 999/169 van 5 juli 2013 - Aanpassing van de procedure voor de controle van jongeren die onderwijs volgen.
De programmawet van 2 augustus 2002 heeft de mogelijkheid geschept voor studenten om een beroepsinlevingsovereenkomst24Het gaat om een overeenkomst waarmee een student bepaalde kennis of vaardigheden bij een werkgever verwerft in het kader van zijn opleiding door arbeidsprestaties te verrichten. te sluiten.
De activiteit in het kader van de beroepsinlevingsovereenkomst wordt niet in aanmerking genomen om de norm van 240 uur te beoordelen, voor zover er geen enkel DmfA-bericht prestatiecode 1 of 301 vermeldt.
Wat betreft de individuele beroepsopleiding of de instapstage is er tijdens de opleidingsperiode geen RSZ-aangifte. Omdat het hier niet gaat om een arbeidsovereenkomst, moeten de in het kader van de opleiding gepresteerde uren voor de norm van 240 uur niet in aanmerking worden genomen.
3.2.4 Overzicht gegevensinzameling per onderwijsvorm
25Aangepaste tabel van dienstbrief 999/176 van 3 juli 2015.| Onderwijstype | Toegelaten activiteit | Formulier / flux / DMFA |
| Voltijds hoger en secundair | Maximum 240 uur | P7, D062 DMFA code 1 en 301 |
| “Master en alternance” (Franse Gemeenschap) | tot maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van de stage die een voorwaarde is voor het behalen van een diploma niet meegeteld) | P7-B
DMFA voor controle van de 240 uur (uren te verrekenen in geval van DFMA met prestatiecode 1 of 301 (CO 1386/2018, bladzijde 53) |
| Opleiding ondernemingshoofd | maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is voor het behalen van een diploma niet meegeteld) | Vraag 5 op P7A P9bis DMFA voor controle op 240 uur |
| deeltijds gewoon= alternerende student industriële leerovereenkomst | maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is voor het behalen van een diploma en die gepresteerd in het kader van deeltijds onderwijs niet meegeteld) | Vraag 21 op P7B code 312 + 312 D062 DMFA voor controle op 240 uur |
| Erkende opleiding bedoeld in artikel 2 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht | maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is voor het behalen van een diploma en die gepresteerd in het kader van deeltijds onderwijs niet meegeteld) | Vraag 22 op P7B DMFA voor controle op 240 uur |
| Buitengewoon onderwijs | Maximum 240 uur | Vraag 61 op P7B code 321 D062 DMFA |
| Leerovereenkomst | maximum 240 uur (uren activiteit uitgeoefend in het kader van een stage die een voorwaarde is voor de leerovereenkomst of -verbintenis niet meegeteld) | DMFA voor controle op de 240 uur |
3.2.5 Ontvangen van een sociale uitkering voortvloeiend uit een toegelaten winstgevende activiteit
Het BVC bepaalt dat het ontvangen van een sociale uitkering (op grond van een Belgische of buitenlandse regeling voor ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekten, werkloosheid of van een toelage voortvloeiend uit een loopbaanonderbreking bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen), voortvloeiend uit een niet-toegelaten winstgevende activiteit de schorsing van het recht op kinderbijslag voor de volledige desbetreffende maand tot gevolg heeft.
"Voor de volledige desbetreffende maand" moet worden geïnterpreteerd als: voor de hele maand van toekenning van deze sociale uitkering.
De uitgeoefende winstgevende activiteit die aanleiding geeft tot de sociale uitkering, is de activiteit die is uitgeoefend tijdens het kwartaal dat voorafgaat aan het kwartaal waarin de uitkering is ontvangen.
Ter herinnering, het ontvangen van een inschakelingsuitkering bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering brengt de schorsing van de kinderbijslag met zich mee.
Voorbeeld:
Een student is ingeschreven in het hoger onderwijs voor het academiejaar 2020-2021. Hij werkt sinds 20 oktober 2020 en kreeg van 20 februari 2021 tot 2 mei 2021 een ziekte-uitkering. Het vierde kwartaal van 2020 presteerde hij meer dan 240 uur en minder dan 240 uur in het eerste kwartaal van 2021 wegens ziekte, en meer dan 240 uur in het tweede kwartaal 2021 als gevolg van de werkhervatting vanaf 3 mei 2021.
De winstgevende activiteit van het vierde kwartaal 2020 vormt een belemmering voor het recht op kinderbijslag omdat er meer dan 240 uur in het kwartaal werd gepresteerd. De voor februari tot mei 2021 gekregen sociale uitkering die wordt beschouwd als een uitkering voortvloeiend uit de winstgevende activiteit uitgeoefend in het vorige kwartaal vormt dus een belemmering voor de toekenning van de kinderbijslag voor de maanden waarvoor de student die uitkering ontvangt, ofwel van februari tot mei 2021. Er is eveneens geen recht voor juni 2021 als gevolg van de overschrijding van die 240 uur in het tweede kwartaal 2021.
Hieruit volgt dat enkel januari 2021 nog verschuldigd is (minder dan 240 uur voor het eerste kwartaal 2021).
3.2.6 De student volgt lessen in het buitenland
Omdat de buiten het Rijk gevolgde opleiding moet worden bewezen met een officieel document van de onderwijsinstelling, zullen de formulieren P7A + P7 EUR, het bilaterale formulier of het formulier P7-int voor studies in het buitenland buiten een lidstaat van de EER of Zwitserland nog steeds worden gebruikt voor studenten in het buitenland.
Hierbij zijn immers internationale akkoorden van toepassing die voorrang hebben op de binnenlandse wetgeving.
De betalingen vinden pas plaats na ontvangst van één van de voormelde formulieren, naar behoren ingevuld en ondertekend of van een officieel document van de instelling dat de cursushoeveelheden (niet-hoger onderwijs) of vastgestelde studiepunten (hoger onderwijs) aantoont. Het formulier P7-A dat nog zou ontbreken en op de situatie niet meer van toepassing is, moet dus niet meer worden opgevolgd.
Aangezien de opvolging van een winstgevende activiteit van studenten in het buitenland niet via de fluxen kan gebeuren, wordt een beroep gedaan op andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring op eer.
3.2.7 De student is ziek
De kinderbijslag wordt nog maximaal een jaar doorbetaald aan zieke studenten of studenten die een ongeval hebben gehad, op basis van een medisch attest.
De ziekte wordt niet geacht te zijn onderbroken als het gezin een nieuw medisch attest voorlegt na een hervatting van de lessen of opleiding, indien die hervatting minder dan dertig dagen duurt.
In elk geval, als de student onmogelijk de lessen of de opleiding kan volgen, moet hij na de 180e dag ziekte door het Centrum voor evaluatie van de autonomie en de handicap (CEAH) onderzocht worden.
Bovendien, als de hervatting van de lessen/opleiding ten minste dertig dagen duurt, blijft de kinderbijslag verschuldigd voor een nieuwe periode van ten hoogste één jaar die start na het begin van een eventuele nieuwe afwezigheid wegens ziekte of ongeval.
3.3 Kinderen die een eindverhandeling voor hogere studies voorbereiden
Kinderbijslag kan worden toegekend voor een kind dat zich in een voorbereidingsjaar voor een eindverhandeling bevindt, tot de indiening ervan (of voor een periode van maximaal een jaar).
Het kind dat zijn eindverhandeling al in de eerste zittijd heeft ingediend, maar niet geslaagd is en zijn eindverhandeling in de tweede zittijd opnieuw moet indienen, heeft recht op kinderbijslag tot aan de tweede indiening, die als definitief wordt beschouwd. Een verklaring van de ouders waaruit blijkt dat de jongere een tweede zittijd heeft, volstaat om de betaling te verantwoorden.26Omzendbrief 1386/2018 van 9 februari 2018 - Procedure voor de thesisstudent.
Om elke onduidelijkheid te vermijden over het recht op kinderbijslag op basis van indieningsdatum van de thesis werd de briefmodule thesisstudent2, vervolledigd met de aankruisoptie "tweede indiening in tweede zittijd".
Voorbeeld:
Een student die de cursussen van zijn master eind juni 2020 heeft beëindigd, begint op 15 september 2020 met een nieuw academiejaar met het doel zijn eindverhandeling voor te bereiden; hij is ziek van 20 oktober 2020 tot 12 december 2021 en dient vervolgens zijn eindverhandeling in op 25 januari 2022.
De ziekteperiode waarin de student zijn recht behoudt, eindigt op 20 oktober 2021 (einde van het recht eind oktober in toepassing van artikel 28). Op 12 december 2021 (het recht vangt aan op 1 januari 2022 in toepassing van artikel 28) wordt de oorspronkelijke toekenningsperiode die werd geschorst wegens ziekte verlengd met de potentiële resterende toekenningsperiode. Hij ontvangt echter tot eind januari 2022 kinderbijslag omdat de indieningsdatum van de eindverhandeling de uiterste toekenningsdatum vormt.
3.4 Werkzoekenden:
De kinderbijslag wordt toegekend aan jongeren waarvan de beroepsinschakelingstijd (BIT)aanvangt na een inschrijving als werkzoekende.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de flux A200 (D043 in de terminologie van het kadaster) die inschrijving als werkzoekende meedeelt, wordt het formulier P20 verzonden aan de bijslagtrekkende. Met die verzending wordt de gezinnen geïnformeerd aangaande voorwaarden voor het recht op kinderbijslag tijdens de toekenningsperiode als werkzoekende schoolverlater en wordt gevraagd het formulier uit eigen beweging terug te sturen bij een van de volgende situaties.
- Een stopzetting van de studies of de opleiding voor het einde van de school- of academische activiteiten of van de opleiding ;
- Een hervatting van de studies ;
- Deelname aan een tweede examenzittijd ;
- Een begin van een winstgevende activiteit als zelfstandige of in het buitenland ;
- Een onderbreking van de inschrijving wegens langdurige ziekte ;
- Het volgen van een ondernemersopleiding
De stap past in het kader van een informatieprocedure om onverschuldigde betalingen te vermijden. Het formulier moet niet verder worden opgevolgd.
3.4.1 Procedure voor de opvolging van de winstgevende activiteit
De norm van de 240 uur per kwartaal moet worden toegepast. Bijgevolg wordt de DmfA een belangrijke factor voor de evaluatie van het recht voor de werkzoekende (alsook andere relevante elektronische fluxen zoals flux D047 en het ARZA voor de zelfstandige activiteit).
De opvolging van de winstgevende activiteit is strikter voor een jonge werkzoekende dan voor een student, aangezien zijn doelstelling het zoeken naar werk is, terwijl de doelstelling van een student het volgen van lessen is. Het risico op het overschrijden van de norm van de 240 uur is dus groter in het geval van de jonge werkzoekende.
Om in de mate van het mogelijke onverschuldigde betalingen te vermijden, moet men, indien mogelijk, nauwlettender zijn bij de opvolging van de winstgevende activiteit.
Het einde van het recht wordt in elk geval gecontroleerd bij ontvangst van de laatste DmfA of de laatste relevante flux van het kwartaal dat volgt op het einde van de toekenningsperiode.
- Activiteit in loondienst
De opvolging van de winstgevende activiteit is gebaseerd op de RIP/DmfA-berichten en de betaling van de kinderbijslag zal nauw verbonden zijn met de DmfA. Wanneer men een RIP IN-bericht ontvangt, worden de betalingen geschorst in afwachting dat de overeenstemmende DmfA bevestigt of er al dan niet recht is op kinderbijslag voor het desbetreffende kwartaal (K).
Als de activiteit die leidt tot de schrapping van het recht voor K nog lopende is, of als het fonds een nieuwe RIP IN ontving zonder einde van de tewerkstelling op het ogenblik dat de DmfA van kwartaal K wordt verwerkt, blijven de betalingen geschorst. Die worden pas geregulariseerd op basis van de gegevens van de volgende DmfA (K+1) die de niet-overschrijding van de norm bevestigt.
Zolang een activiteit aan de gang is (doorlopend of opeenvolging van activiteiten) wordt de provisionele betaling geschorst en vindt de eventuele regularisatie pas plaats als de overeenstemmende DmfA van het kwartaal bevestigt dat de norm van 240 uur is nageleefd.
In dit geval bevestigt het fonds het recht op kinderbijslag van dat kwartaal K of verklaart hij het nietig bij ontvangst van de DmfA van kwartaal K, die ten vroegste de tweede maand van kwartaal K+1 plaatsvindt, en verstuurt het fonds de overeenstemmende motivatiebrief (toekenning/geen toekenning). De motivatiebrief vermeldt eveneens de niet-hervatting van de toekomstige provisionele betalingen en geeft aan dat bij een onveranderde situatie de betalingen niet provisioneel worden voortgezet tenzij voldoende wordt aangetoond dat de norm niet overschreden is of dat de activiteit was stopgezet.
Wanneer men echter een DmfA voor een kwartaal K ontving en de activiteit in kwartaal K was stopgezet en er geen activiteit werd hervat, kan de provisionele betaling van het lopende kwartaal K+1 worden hervat. Op dat ogenblik is immers het risico nagenoeg onbestaande dat de norm van dat kwartaal is overschreden.
Voorbeeld 1: Een werkzoekende die in augustus 2020 ingeschreven is, oefent een winstgevende activiteit uit van 6 oktober 2020 tot 10 mei 2021. De DmfA van het vierde kwartaal van 2020 (ontvangen op 18 februari 2021) vermeldt minder dan 240 uur. De DmfA van het eerste kwartaal van 2021 (ontvangen op 18 mei 2021) vermeldt minder dan 240 uur.
De acties zijn:
- de kinderbijslag schorsen bij ontvangst van de RIP die het begin van de activiteit in oktober meldt, en de schorsingsmodule naar het gezin sturen. Het gezin wordt verwittigd dat het recht voortaan op basis van de DmfA wordt onderzocht
- regularisatie in februari 2021 (na ontvangst van de DmfA) van de kinderbijslag voor het vierde kwartaal van 2020. Betalingen van het eerste kwartaal van 2021 tot de ontvangst van de volgende DmfA in mei 2021 worden noch geregulariseerd noch hervat, behalve als voldoende wordt aangetoond dat de norm onder de 240 uur per kwartaal blijft (bijvoorbeeld RIP OUT of verantwoordingsstukken);
- regularisatie in mei 2021 van de kinderbijslag van januari tot maart 2021 en de betalingen voor het tweede kwartaal van 2021 worden noch geregulariseerd noch hervat, zelfs als bij de verwerking van de DmfA de stopzetting van de activiteit op 10 mei 2021 al gekend is (de hoeveelheid werk voor het volledige tweede kwartaal is niet gekend).
Voorbeeld 2: De werkzoekende, ingeschreven in augustus 2020, oefent een winstgevende activiteit uit van 6 oktober 2020 (RIP IN ontvangen op 8 oktober 2020) tot 24 december 2020. Op 28 december 2020 wordt een RIP OUT van de stopzetting van de activiteit ontvangen. De DmfA van het vierde kwartaal 2020 (ontvangen op 18 februari 2021) vermeldt meer dan 240 uur voor dat kwartaal en geeft het einde van de tewerkstelling aan op 24 december.
De acties zijn:
- de kinderbijslag wordt geschorst vanaf 1 oktober 2020 (geen betaling op 8 november 2020) en de motiveringsmodule om de betalingen te schorsen, wordt naar het gezin gestuurd. Het gezin wordt verwittigd dat het recht voortaan op basis van de DmfA wordt onderzocht
- naar aanleiding van de ontvangst van de DmfA op 18 februari 2021 waarin vermeld staat dat de tewerkstelling op 24 december 2021 ten einde loopt en aangezien er geen RIP IN werd ontvangen tussen de eerste dag van het kwartaal en de verwerkingsdatum van de DmfA , worden de uitbetalingen voor het eerste kwartaal van 2021 hervat (januari wordt geregulariseerd en de provisionele betaling wordt voortgezet tot het begin van een eventuele nieuwe activiteit).
Voorbeeld 3: De werkzoekende, ingeschreven in augustus 2020, oefent een winstgevende activiteit uit van 6 oktober 2020 (RIP IN ontvangen op 8 oktober 2020) tot 24 december 2020. Op 28 december 2020 wordt een RIP OUT van de stopzetting van de activiteit ontvangen. De DmfA van het vierde kwartaal van 2020 (ontvangen op 18 februari 2021) vermeldt meer dan 240 uur voor dat kwartaal en geeft het einde van de tewerkstelling aan op 24 december 2020.
Een RIP IN met vermelding van het begin van een nieuwe tewerkstelling op 1 maart 2021 wordt op 5 maart 2021 ontvangen, na de verwerking van de DmfA.
De acties zijn:
- de kinderbijslag wordt geschorst vanaf 1 oktober 2020 (geen betaling op 8 november 2020) en de module met de motivatie voor de schorsing, wordt naar het gezin gestuurd. Het gezin wordt verwittigd dat het recht voortaan op basis van de DmfA wordt onderzocht
- naar aanleiding van de ontvangst van de DmfA op 18 februari 2021 waarin vermeld staat dat de tewerkstelling op 24 december 2020 ten einde liep en aangezien er geen RIP IN werd ontvangen tussen de eerste dag van het kwartaal en de verwerkingsdatum van de DmfA , worden de uitbetalingen voor het eerste kwartaal van 2021 hervat (januari wordt geregulariseerd en de provisionele betaling wordt voortgezet);
- naar aanleiding van de ontvangst van de RIP IN waarin vermeld staat dat de tewerkstelling op 1 maart 2021 aanvangt, wordt de kinderbijslag niet meer toegekend vanaf 1 april 2021 in afwachting van de DmfA met betrekking tot het eerste kwartaal van 2021 die in mei 2021 zou moeten worden ontvangen.
- Zelfstandige activiteit:
Voor werkzoekenden die een zelfstandige activiteit uitoefenen, worden de betalingen onderbroken zodra het fonds via eender welk rechtsmiddel is verwittigd van het begin van de activiteit (verklaring of flux D047, enz.).
Als de flux D047 een code A van de bijdragereeks laat zien die duidt op een hoofdactiviteit, wordt de activiteit geacht meer dan 240 uur per kwartaal te worden uitgeoefend. Er mag geen bewijs van het tegendeel worden geleverd (onweerlegbaar vermoeden).
Anderzijds moet altijd rekening worden gehouden met alle andere codes van de bijdragereeksen en verantwoordingsstukken (waaronder een verklaring op eer van het gezin) waaruit blijkt dat het aantal uren van de activiteiten minder dan 240 uur bedraagt en die ertoe kunnen leiden dat de voorlopige betaling wordt hervat.
3.4.2 Procedure voor werkzoekenden in individuele beroepsopleiding of instapstage
Als er een bericht RIP-IBO (FPI) of een bericht RIP-TRI wordt ontvangen, krijgen de betrokken jongeren een uitkering van de RVA en zal een bericht D042 worden verstuurd (type werkloosheid 11 voor een opleidingsuitkering of een uitkering voor voltijdse beroepsinschakeling of type werkloosheid 31 voor een opleidingsuitkering of een uitkering voor een deeltijdse beroepsinschakeling). Dit vormt een belemmering om de kinderbijslag toe te kennen. Zodra deze berichten worden ontvangen, moet de kinderbijslag onmiddellijk worden geschorst. Een brief wordt verstuurd en het recht moet worden herzien.
Wanneer uit de Dimona-aangifte blijkt dat de jongere onder de STG-code werkt (met name in het kader van een "Stage First"-overeenkomst), vormt deze activiteit geen winstgevende activiteit in de zin van de regelgeving inzake gezinsbijslag, aangezien deze niet onderworpen is aan socialezekerheidsbijdragen. Bovendien wordt de stage-uitkering die in dit kader wordt ontvangen niet gelijkgesteld aan een sociale uitkering die wordt toegekend in het kader van een werkloosheidsregeling.
Zodra dus een Dimona-aangifte met de STG-code is ontvangen, wordt bijgevolg het recht op kinderbijslag hersteld voor de betrokken jonge werkzoekende(n), op voorwaarde dat nog steeds aan de andere toekenningsvoorwaarden is voldaan.
3.4.3. Werkzoekenden in het buitenland
Zoals voor de studenten, dient te worden gebruik gemaakt van andere bewijsmiddelen ,waaronder verklaring op eer, omdat de opvolging van de tewerkstelling voor die jongeren in het buitenland niet via de fluxen kan gebeuren.
3.4.4. Procedure voor jonge werkzoekenden in beroepsinschakelingstijd (BIT)
Overeenkomstig het BVR van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de kinderbijslag ten behoeve van kinderen die als werkzoekenden zijn ingeschreven, vangt de toekenningsperiode aan tijdens de in artikel 1, § 2, bepaalde periodes en strekt zij zich in beginsel uit over 360 kalenderdagen. De aanpassingen die werden ingevoerd naar aanleiding van de hervorming betreffende de beroepsinschakelingstijd hebben geen invloed op deze duur noch op het aanvangspunt ervan.
Vanaf 1 maart 2026 wordt de duur van de beroepsinschakelingstijd vastgelegd op 156 dagen.
Tijdens deze beroepsinschakelingstijd wordt de werkzoekende door Actiris geëvalueerd op het actief zoeken naar werk volgens het volgende nieuwe tijdschema:
- een eerste evaluatie twee en een halve maand (10e week) na zijn inschrijving;
- een tweede evaluatie vier en een halve maand (18e week) na zijn inschrijving.
Als de jongere geen twee positieve evaluaties heeft gekregen, kan hij, enkel op eigen initiatief, een derde evaluatie aanvragen tijdens de vijfde maand van de beroepsinschakelingstijd.
Als er na 156 dagen BIT nog geen twee positieve evaluaties zijn verkregen, kan de werkzoekende, steeds op eigen initiatief, nieuwe evaluaties blijven aanvragen (ten vroegste na een maand), tot de tweede positieve evaluatie is verkregen die nodig is om het recht te openen op een inschakelingsuitkering.
Elke bijkomende evaluatie gebeurt uitsluitend op initiatief van de jongere. Actiris organiseert niet automatisch bijkomende evaluaties als de werkzoekende er niet uitdrukkelijk om verzoekt.
Als de werkzoekende aan het einde van de 156 dagen beroepsinschakelingstijd twee positieve evaluaties verkrijgt, kan hij bij de bevoegde instantie een aanvraag tot inschakelingsuitkeringen indienen.
Zodra de jongere daadwerkelijk inschakelingsuitkeringen begint te ontvangen, informeert de flux D042 de kinderbijslaginstellingen. De ontvangst van deze flux leidt tot de schorsing van het recht op kinderbijslag.
Na ontvangst van de flux D042, wordt module 18 (einde van het recht) verstuurd aan het gezin om de nieuwe situatie van de jongere te bevestigen en aldus het recht op kinderbijslag te beëindigen.
Tot slot is geldt de werkloosheidsregelgeving de voorwaarde met betrekking tot het diploma/getuigschrift om in aanmerking te komen voor een evaluatie in het kader van de BIT.
Als niet aan die diplomavoorwaarde wordt voldaan, wordt het recht op kinderbijslag behouden op basis van de inschrijving als werkzoekende, wat de BIT doet ingaan voor de maximale toekenningsperiode van 360 dagen. Aan het einde van die periode vervalt het recht op kinderbijslag aangezien de jongere niet kan worden geëvalueerd in het kader van zijn beroepsinschakelingstijd, waardoor hij dus ook geen verlenging van het recht op basis hiervan kan aanvragen.
3.4.5.Verlenging van de toekenningsperiode
- Ziekte tijdens de toekenningsperiode:
Ter herinnering en overeenkomstig het BVC van 24 oktober 2019 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de kinderbijslag voor jongeren ingeschreven als werkzoekende, kan de toekenningsperiode worden verlengd wanneer de beroepsinschakelingstijd wegens ziekte wordt onderbroken. De verlenging wordt namelijk toegekend voor de periode waarin de inschrijving van de jongere als werkzoekende werd geschorst wegens ziekte of ongeval. De jongere moet zich bovendien binnen vijf werkdagen na het einde van de ziekteperiode opnieuw als werkzoekende inschrijven bij Actiris om zijn recht op kinderbijslag te behouden.
Voorbeeld: een jongere schrijft zich op 1 augustus 2026 in als werkzoekende bij Actiris. De toekenningsperiode begint op deze datum en eindigt in principe op 31 juli 2027. De jongere is arbeidsongeschikt wegens ziekte van 1 december 2026 tot en met 31 januari 2027, d.w.z. een periode van twee maanden, met bewijs van een medisch attest. Hij moet zich binnen vijf werkdagen na het einde van zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw bij Actiris inschrijven. De toekenningsperiode wordt daarom verlengd met twee maanden, in overeenstemming met de duur van de ziekte. De nieuwe einddatum van het recht wordt vastgelegd op 30 september 2027, voor zover aan de andere toekenningsvoorwaarden voldaan blijft.
- De werkzoekende heeft geen twee positieve evaluaties en de laatste evaluatie dateert van minder dan drie maanden geleden:
Voor alle werkzoekende schoolverlaters die mogelijk nog steeds rechtgevend zijn op kinderbijslag aan het einde van de toekenningsperiode van 360 dagen, wordt de briefmodule BIT_1 naar de bijslagtrekkende gestuurd en wordt de betaling van de kinderbijslag geschorst in afwachting van het onderzoek van de verlengingsvoorwaarden.
De toekenningsperiode wordt verlengd als de jongere een evaluatie kan voorleggen die minder dan drie maanden oud is. Als er geen recente evaluatie (minder dan drie maanden oud) wordt voorgelegd, blijven de betalingen geschorst tot het kinderbijslagfonds een evaluatie ontvangt. De jongere wordt dus gevraagd om contact op te nemen met Actiris om een nieuwe evaluatie te verzoeken.
Na ontvangst van het ingevulde BIT_1 formulier en de voormelde evaluatie, kan de kinderbijslaginstelling de betaling aan de bijslagtrekkende hervatten vanaf de datum van de evaluatie, waarbij ze aan de hand van de brief BIT_2_YES bevestigt dat de voorlopige betaling van de kinderbijslag wordt hernomen op basis van de voorgelegde evaluatie, totdat een nieuwe evaluatie wordt verkregen. Het is aan het gezin om zelf een kopie van elk van de volgende evaluaties naar de kinderbijslaginstelling te sturen. De kinderbijslag kan provisioneel worden verder betaald gedurende maximaal 3 maanden gerekend vanaf de laatste evaluatie.
Voorbeeld: Op 12 augustus 2026 bezorgt de bijslagtrekkende de kinderbijslaginstelling het naar behoren ingevulde BIT_1 formulier met de laatste evaluatie die dateert 25 van juni 2026. Hierdoor kan de kinderbijslag provisioneel worden doorbetaald tot de ontvangst van de volgende evaluatie en uiterlijk tot 30 september 2026.
Als de bezorgde evaluatie meer dan drie maanden geleden plaatsvond, is niet voldaan aan de voorwaarden voor verlenging en blijft de betaling van de kinderbijslag geschorst. De kinderbijslaginstelling stuurt dan de module BIT_2_NO om het gezin op de hoogte te brengen dat de voorgelegde evaluatie geen hervatting van de betalingen toelaat en dat een nieuwe evaluatie bij Actiris nodig is om het recht opnieuw te onderzoeken.
Als de kinderbijslaginstelling drie maanden na de vorige evaluatie, op basis waarvan de toekenningsperiode verlengd werd, nog steeds geen bewijs van het resultaat van het volgende evaluatiegesprek heeft ontvangen, schorst het de voorlopige betalingen en vraagt het aan de hand van de briefmodule BIT_3 een kopie van het resultaat/de resultaten van de evaluatiegesprekken van de afgelopen drie maanden.
Als het gezin niet reageert en als er geen reactie komt op de herinnering, dan beschouwt de kinderbijslaginstelling, tot bewijs van het tegendeel, dat er geen recht op kinderbijslag bestaat. In dat geval moet de voorlopige kinderbijslag die de afgelopen drie maanden werd betaald, teruggevorderd worden.
Een module BIT_4 wordt dan naar de bijslagtrekkende gestuurd om deze op de hoogte te brengen van de beslissing om de onverschuldigde kinderbijslag terug te vorderen.
Gelet op het engagement van het gezin om alle resultaten van de evaluatiegesprekken spontaan aan het kinderbijslagfonds op te sturen, ligt de bewijslast van het tegendeel bij het gezin. Het is niet aan de kinderbijslaginstellingen om deze informatie rechtstreeks op te vragen bij de gewestelijke arbeidsbemiddelingsdiensten.
Ik dank u voor uw medewerking.
Hoogachtend,
Tania Dekens
Directeur-generaal