18 JANUARI 2024 – Besluit tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor de groeperingen en fusies van voorzieningen

TITEL II. - ALGEMENE NORMEN

HOOFDSTUK II. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen, met uitzondering van de woningen voor ouderen en de serviceresidenties in mede-eigendom

Art. 38.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder "voorziening" worden verstaan elke voorziening in de zin van artikel 1, 8°, met uitzondering van de woningen voor ouderen en de serviceresidenties in mede-eigendom.

Afdeling 1. - Veiligheids- en architectonische normen

Onderafdeling 1. - Veiligheidsnormen

Art. 39.

Onverminderd de in de Titels III, VI en VIII bedoelde specifieke veiligheidsnormen, is de voorziening verzekerd tegen brand.

Het in het eerste lid bedoelde verzekeringscontract bevat een clausule van afstand van verhaal ten voordele van de oudere.

Art. 40.

De voorziening beschikt over een geldig brandveiligheidsattest waaruit blijkt dat de voorziening voldoet of onder voorbehoud voldoet aan de voor haar geldende brandveiligheidsnormen.

Onderafdeling 2. - Architectonische normen

Art. 41.

Elke voorziening wordt gevestigd in een veilige omgeving die aangepast is aan de behouden capaciteiten van de ouderen en die toelaat om hun levenskwaliteit, hun psychisch, fysiek en sociaal welzijn, hun zelfredzaamheid en hun onafhankelijkheid te waarborgen.

De voorziening is aangepast aan visueel-ruimtelijke stoornissen om het vrije verkeer van de ouderen te waarborgen.

De voorziening en het meubilair zijn zodanig ingericht dat de ouderen zich niet opgesloten voelen.

Art. 42.

Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de ouderen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven.

Art. 43.

Ongeacht de weersomstandigheden, zowel 's nachts als overdag, moet in de verwarming, ventilatie en verlichting van alle lokalen worden voorzien. Alle voor de ouderen bereikbare plaatsen moeten voldoende verlicht zijn; de verlichting is aan de in de lokalen uitgeoefende activiteiten aangepast.

Art. 44.

In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 22 ° C in de kamers, leefruimten en badkamers of douches.

In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 18 ° C in de lokalen die niet vervat zitten in het eerste lid.

Alle passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de temperatuur in alle voor de bewoners toegankelijke lokalen maximaal 26 ° C is of, in geval van een hittegolf, dat de binnentemperatuur lager is dan de buitentemperatuur.

Art. 45.

De oppervlakte van de ruiten in de leefruimte en de kamers moet ten minste 1/6 van de netto-vloeroppervlakte bedragen.

De hoogte van de vensterbanken moet voor iemand die neerzit en voor zich uitkijkt, een zicht op de buitenwereld mogelijk maken, evenwel zonder gevaar voor ongevallen.

Art. 46.

§ 1. De gemeenschappelijke en individuele toiletten moeten over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met ten minste één muurleuning die toegankelijk en aangepast is aan de oudere, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare toiletpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak.

In afwijking van het eerste lid moeten toiletten voor personen met een beperkte mobiliteit uitgerust zijn met twee toegankelijke steunstangen.

§ 2. De deuren van de gemeenschappelijke en individuele toiletten gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend.

Art. 47.

Het bad of de douche is aangepast aan de opgevangen ouderen. Deze installaties moeten met een antislipbodem en steunstangen worden uitgerust.

Voor gemeenschappelijk en individueel sanitair moeten alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen worden getroffen zodat de watertoevoer geen ongevallen kan veroorzaken. De temperatuur van de mengkranen wordt door een thermostaat zó geregeld dat de ouderen zich niet kunnen verbranden.

De straal van de douche is richtbaar.

Art. 48.

De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat moet worden aangetoond door een berekeningsnota conform voormelde norm of door simulatie.

Bij gebrek aan voormelde nota is per aangesneden schijf van 40 ouderen minstens één lift vereist.

Ten minste één lift moet minstens 2,1 m bij 1,1 m zijn om een draagberrie te kunnen vervoeren. Die lift moet alle verdiepingen bedienen die lokalen hebben die voor de ouderen toegankelijk zijn.

Afdeling 2. - Overeenkomst tussen de voorziening en de oudere

Art. 49.

§ 1. Vóór de opname of opvang wordt tussen de voorziening en de oudere een overeenkomst afgesloten die verplicht het volgende bepaalt:

1° de algemene en bijzondere voorwaarden voor de huisvesting of opvang in de voorziening, in voorkomend geval met inbegrip van de duur en de voorwaarden van het door de voorziening toegepaste promotieaanbod;

2° overeenkomstig bijlage I van dit besluit, de elementen die gedekt zijn door de dagprijs en de kosten die duidelijk en beperkend kunnen worden gefactureerd, ofwel als toeslagen, ofwel als voorschotten aan derden, bovenop de dagprijs. De eenheidsprijs van de kosten die aan toeslagen onderworpen kunnen zijn, wordt duidelijk vermeld;

3° de betalingswijzen:

a) in geval van betaling via de bank, het bankrekeningnummer van de voorziening;

b) in geval van contante betaling moet een ontvangstbewijs worden afgeleverd;

4° als er een voorschot vereist is, zal het bedrag ervan afgetrokken worden van de factuur die betrekking heeft op de eerste maand van opvang of huisvesting;

5° de duur en de voorwaarden inzake de ontbinding van de overeenkomst;

6° de wijze van toepassing van het koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers. De door de apotheker eventueel toegekende korting moet op een geïndividualiseerde wijze en gedeeltelijk onder een collectieve vorm aan de oudere worden teruggegeven. Uit de boekhouding moet duidelijk blijken welk gebruik er werd gemaakt van de onder collectieve vorm toegekende korting.

§ 2. Bij een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de oudere afgesloten.

§ 3. Als de oudere niet in staat is een schriftelijke overeenkomst te sluiten, moet de voorziening zijn vertegenwoordiger raadplegen of de wettelijke bepalingen bedoeld in Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek naleven.

Art. 50.

§ 1. Ieder ontwerp van modelovereenkomst of iedere wijziging ervan wordt voorafgaandelijk aan de goedkeuring van de ministers voorgelegd.

Zij beschikken over negentig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het document om te beslissen.

Als er binnen deze termijn geen goedkeuring volgt, wordt de modelovereenkomst of de wijziging ervan geacht te zijn goedgekeurd.

Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van de overeenkomst en van elke wijziging ervan, wordt bij het vertrouwelijke dossier gevoegd.

Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn.

§ 2. De ministers en de dienst Controle en Begeleiding kunnen op elk moment verzoeken om overlegging van elke met een oudere gesloten overeenkomst.

TITEL IV. - Specifieke normen voor gewone serviceresidenties

HOOFDSTUK I. - Algemeen

Art. 68.

§ 1. Onverminderd de algemene normen in Titel II, moeten gewone serviceresidenties voldoen aan de bepalingen van deze titel.

§ 2. Voor de toepassing van deze titel moet onder "voorziening" worden verstaan een gewone serviceresidentie in de zin van artikel 1, 9°.

HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de huisvestingsovereenkomst en het vertrouwelijke dossier

Afdeling 1. - Huisvestingsovereenkomst

Onderafdeling 1. - Duur van de huisvestingsovereenkomst

Art. 69.

De overeenkomst wordt voor onbepaalde duur gesloten; waarbij de eerste maand dient als proefperiode.

Onderafdeling 2. - Ontbinding van de huisvestingsovereenkomst

Art. 70.

§ 1. Vóór de opname mag de bewoner de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de beheerder hiervan verwittigt, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van de overeenkomst.

§ 2. Gedurende de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden op voorwaarde dat een opzegtermijn van zeven dagen wordt nageleefd.

§ 3. Na de proefperiode kan de overeenkomst op elk moment ontbonden worden, op voorwaarde dat een opzegtermijn wordt nageleefd die niet korter is dan drie maanden in geval van ontbinding door de beheerder en twee maanden in geval van ontbinding door de bewoner.

§ 4. De ontbinding gebeurt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzegtermijn.

§ 5. Als de bewoner de voorziening verlaat tijdens de opzegperiode gegeven door de beheerder, is hij niet verplicht deze opzeg tot op het einde te presteren.

§ 6. De bewoner die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzegtermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de maandelijkse huurprijs die de duur van de vastgestelde opzegtermijn dekt, met uitsluiting van eventuele toeslagen.

§ 7. In geval van ontbinding om medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzegtermijn voor de bewoner niet langer zijn dan dertig dagen.

In geval van overlijden van de bewoner begint een opzegtermijn van dertig dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden.

In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzegtermijn in te korten en de verplichting om de huurprijs te betalen te beperken tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen.

Onderafdeling 3. - Plaatsbeschrijving, waarborg en nummer van de woning

Art. 71.

De plaatsbeschrijving van de woning die de bewoner betrekt, wordt door hem en de directeur ondertekend en bij de overeenkomst gevoegd.

Als er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgesteld, wordt de bewoner geacht het gehuurde goed in dezelfde staat te hebben ontvangen als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder.

Art. 72.

De overeenkomst vermeldt het bedrag van de eventueel gestorte waarborg:

1° wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een individuele rekening geplaatst, geopend op naam van de bewoner bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming: "waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bewoner".

2° de interesten van de aldus geplaatste som worden gekapitaliseerd. Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bewoner of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen;

3° in ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord gesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het afsluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing wordt overgelegd.

Art. 73.

Het bedrag van de waarborg mag niet hoger zijn dan twee keer de maandelijkse huurprijs die in de overeenkomst bepaald is.

Art. 74.

De overeenkomst vermeldt het nummer van de betrokken woning.

Onderafdeling 4. - Huisvestingskosten

Art. 75.

De overeenkomst vermeldt de maandelijkse huurprijs en de prijs van de huisvestingslasten.

De maandelijkse huisvestingskosten omvatten minstens:

1° het gebruik van de individuele woning;

2° het gebruik van de gemeenschappelijke ruimten, met inbegrip van de liften, overeenkomstig het huishoudelijk reglement;

3° het gewone onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke ruimten, materiaal en producten inbegrepen;

4° de herstellingen van de woning die uit een gewoon huurgebruik voortvloeien;

5° het gebruik van het meubilair van de gemeenschappelijke ruimten;

6° de afvalverwijdering;

7° de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten en hun onderhoud;

8° het gebruik van alle gemeenschappelijke sanitaire installaties;

9° de elektrische installaties van de gemeenschappelijke ruimten, het onderhoud ervan en elke wijziging ervan en het elektriciteitsverbruik van de gemeenschappelijke ruimten;

10° het gebruik van de installaties voor de bewaking, de bescherming tegen brandgevaar en intercom;

11° in voorkomend geval, het gebruik van de openbare telefoontoestellen, met uitsluiting van de kostprijs van persoonlijke gesprekken;

12° de kosten voor de organisatie van de permanentie bepaald in artikel 95;

13° de verzekeringen, die de beheerder is aangegaan overeenkomstig de wetgeving, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bewoner.

Art. 76.

De kosten van het water-, elektriciteits- en verwarmingsverbruik van de privéwoning worden door de bewoner betaald, hetzij rechtstreeks bij de distributiefirma, hetzij bij de beheerder, op basis van een individuele meter.

Art. 77.

Wanneer de bewoner bezit neemt van de woning in de loop van de maand, is hij voor de eerste maand een bedrag verschuldigd dat evenredig is met het resterende deel van de maand.

Art. 78.

Wat de in hoofdstuk III bedoelde diensten betreft, vermeldt de overeenkomst de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoetkoming van de bewoner in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen.

Art. 79.

In alle gevallen blijft de verplichting tot betaling van de maandelijkse huisvestingsprijs van toepassing zolang de woning niet is vrijgegeven.

Afdeling 2. - Vertrouwelijk dossier

Art. 80.

Een vertrouwelijk dossier wordt voor elke bewoner opgemaakt bij zijn opname. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, hun behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek.

Dit vertrouwelijke dossier omvat:

1° een afschrift van de individuele fiche of een document dat de daarin vervatte informatie bevat;

2° een exemplaar van de overeenkomst, ondertekend door de beheerder of de directeur en de bewoner;

3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, ondertekend door de beheerder of de directeur en de bewoner;

4° de plaatsbeschrijving en de inventaris van de goederen bij de aankomst, ondertekend door de beheerder of de directeur en de bewoner;

5° in voorkomend geval, de bepalingen over de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde;

6° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de huisvestingsprijs verschuldigd is (de bewoner, zijn vertegenwoordiger, het OCMW, enz.) en de inlichtingen over de betaling.

Onverminderd het door de dienst Controle en Begeleiding uitgeoefende toezicht mag het vertrouwelijke dossier, dat door de bewoner werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk moment door de bewoner worden geraadpleegd.

Het vertrouwelijke dossier van elke bewoner wordt door de voorziening gedurende minstens drie jaar na zijn overlijden of vertrek bewaard.

HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de verplicht aangeboden diensten waarop de bewoners vrij een beroep kunnen doen

Art. 81.

De door de gezins- of huishoudelijke hulpen gepresteerde diensten en de verpleegkundige zorgen waarop de bewoners een beroep kunnen doen, maken het voorwerp uit van een bijzondere overeenkomst, die in geen geval aan de bewoner mag worden opgelegd.

Art. 82.

De voorziening moet minstens één warme maaltijd per dag aan de bewoner die dit wenst bezorgen, 's middags of 's avonds, die gemeenschappelijk kan worden genuttigd.

Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen twee menu's zijn.

Art. 83.

Het menu wordt aan de bewoners meegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aangebracht.

Het in het eerste lid bedoelde menu wordt gedurende ten minste twee maanden bewaard voor raadpleging door de dienst Controle en Begeleiding.

Art. 84.

De in dit hoofdstuk bedoelde diensten maken het voorwerp uit van een afzonderlijke maandelijkse facturatie.

HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de hygiëne en de voeding

Art. 85.

Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn; het is aangepast aan de bewoners.

Diëten op medisch voorschrift moeten in acht worden genomen.

De voorziening beschikt over het document van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen waaruit blijkt dat de bederfelijke eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne.

Art. 86.

De voorziening moet aan Iriscare het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire heffing aan het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

Art. 87.

De keukens en waslokalen moeten zo zijn ingericht dat hun geuren, dampen en geluiden de bewoners niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een ventilatiesysteem.

Art. 88.

Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, noch tot de lokalen waar het voedsel wordt bewaard.

Art. 89.

De gemeenschappelijke lokalen beantwoorden aan hun bestemming en worden in een perfecte staat van netheid gehouden; zij worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vochtigheid of insijpeling.

HOOFDSTUK V. - Architectonische normen

Art. 90.

Elke woning moet ten minste bestaan uit een leefruimte, een kookruimte uitgerust met een elektrisch fornuis met oven, een dampkap, een magnetron en een koelkast, een slaapkamer en een van de andere lokalen gescheiden toilet, watafel en een bad of douche, aangepast aan de bewoners.

Elke woning moet over een aansluiting op de telefoonlijn, de kabeltelevisie en het internet beschikken.

Art. 91.

De totale netto-oppervlakte van de leefruimte, de kookruimte en de slaapkamer bedraagt minstens 32 m2 voor 1 persoon en 40 m2 voor 2 personen.

Wanneer de slaapkamer zich in een aparte ruimte bevindt, bedraagt de netto-oppervlakte van de slaapkamer ten minste 12 m2.

Art. 92.

Als de voorziening geen functionele band heeft met een rusthuis dat vlakbij ligt, moeten de lokalen en gemeenschappelijke uitrustingen ten minste het volgende bevatten:

1° een polyvalente zaal die kan dienen als eetzaal en woonkamer, die beschikt over kabeltelevisie en een internetaansluiting;

2° een toilet dat toegankelijk is voor personen met een beperkte mobiliteit, in de nabijheid van de polyvalente zaal;

3° een washok met wasmachine en droger.

De gemeenschappelijke lokalen zijn uitgerust met een systeem waardoor het dienstdoende personeel kan worden opgeroepen.

Art. 93.

Voor de bewoners en het personeel moet voorzien worden in gescheiden sanitaire installaties, die degelijk en voldoende in aantal zijn. Deze laatste zijn uitgerust met een handenwasser.

Art. 94.

De verlichting van het gebouw en van de belangrijkste herkenningspunten moet aan de in de lokalen ontwikkelde activiteiten en aan de situatie van de bewoner aangepast zijn.

In de gemeenschappelijke ruimten en de toiletten is het verboden schakelaars met vertragingsfunctie te gebruiken, tenzij deze over een sensorsysteem beschikken.

HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het personeel en de directeur

Art. 95.

Een personeelslid moet steeds, dag en nacht, in de voorziening aanwezig zijn, om onverwijld elke oproep van een oudere te kunnen beantwoorden. Het beschikt ten minste over een opleiding als EHBO'er, waarvan de geldigheidsdatum niet overschreden is.

Als de voorziening een functionele band heeft met een rusthuis dat in de onmiddellijke nabijheid ligt en op voorwaarde dat een systeem het hem mogelijk maakt oproepen van bewoners te ontvangen, kan het in het eerste lid bedoelde personeelslid in dat rusthuis aanwezig zijn zodat het onverwijld elke oproep van een bewoner van de serviceresidenties kan beantwoorden. In dat geval is de norm voor het nachtpersoneel de in artikel 208 bedoelde RH-norm en wordt die volgens het totale aantal bewoners van de verschillende voorzieningen berekend.

Art. 96.

Op verzoek van Iriscare legt de beheerder, voor hemzelf, voor ieder personeelslid en voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een uittreksel uit het strafregister voor aan Iriscare.

Art. 97.

Bij de aanwerving van een nieuw personeelslid eist de directeur de overlegging van een uittreksel uit het strafregister dat minder dan een maand oud is.

Art. 98.

De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan minstens een uur na achttien uur. Die informatie wordt aangebracht op een plaats die voor iedereen toegankelijk is.

Art. 99.

Onverminderd artikel 205, § 1, mag de directeur de directeur zijn van een andere voorziening voor ouderen, zoals bedoeld in artikel 2, 4° van de ordonnantie, voor zover de voorzieningen zich op dezelfde vestigingsplaats bevinden en worden beheerd door dezelfde beheerder.

Art. 100.

§ 1. De directeur die na 1 januari 2010 voor de eerste keer in functie treedt, moet, vóór zijn indiensttreding, ten minste houder zijn van een diploma hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 250 uur volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie.

In afwijking van het eerste lid zijn de titularissen van een kwalificatie erkend voor de uitoefening van de directeursfunctie van een rusthuis en de houders van een diploma van een universitaire opleiding in management in de gezondheidszorg vrijgesteld van een bijkomende opleiding.

§ 2. De volgende personen zijn vrijgesteld van de in paragraaf 1 bedoelde vereisten:

1° de directeurs in functie vóór 1 januari 2010 die voor die datum hebben voldaan aan de toegangsvoorwaarden tot het beroep gesteld bij het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten moeten voldoen;

2° de directeurs die de opleiding hebben gevolgd die is opgelegd door een voor 1 januari 2010 betekende ministeriële beslissing;

3° de directeurs die vóór 1 januari 2010 een aanvraag tot afwijking hebben ingediend bij de ministers, overeenkomstig artikel 68 van het bovengenoemde besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en voor een maximumduur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen.

§ 4. De directeur in functie van een rusthuis of een serviceresidentie erkend door de bevoegde overheid in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte wordt geacht te beschikken over de in paragraaf 1 bedoelde opleiding.

§ 5. Er wordt aan de voorwaarden van paragraaf 1 voldaan als uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en de vereiste opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet.

Voor de toepassing van het eerste lid moet onder relevante ervaring worden verstaan de ervaring opgedaan in de sectoren van de huisvesting van ouderen, van de rust- en verzorgingstehuizen, van de ziekenhuizen of van de huisvesting van personen met een handicap, voor zover het een verantwoordelijke functie betreft.

Art. 101.

De succesvolle afronding van de in artikel 100 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de leidend ambtenaar van Iriscare of zijn afgevaardigde wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid.

Art. 102.

De directeur moet deelnemen aan een voortgezette opleiding van minstens 24 uur per jaar. Het programma van die opleiding moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de leidend ambtenaar van Iriscare of zijn afgevaardigde worden erkend.