18 JANUARI 2024 – Besluit tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor de groeperingen en fusies van voorzieningen
TITEL II. - ALGEMENE NORMEN
HOOFDSTUK II. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen, met uitzondering van de woningen voor ouderen en de serviceresidenties in mede-eigendom
Art. 38.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder "voorziening" worden verstaan elke voorziening in de zin van artikel 1, 8°, met uitzondering van de woningen voor ouderen en de serviceresidenties in mede-eigendom.
Afdeling 1. - Veiligheids- en architectonische normen
Onderafdeling 1. - Veiligheidsnormen
Art. 39.
Onverminderd de in de Titels III, VI en VIII bedoelde specifieke veiligheidsnormen, is de voorziening verzekerd tegen brand.
Het in het eerste lid bedoelde verzekeringscontract bevat een clausule van afstand van verhaal ten voordele van de oudere.
Art. 40.
De voorziening beschikt over een geldig brandveiligheidsattest waaruit blijkt dat de voorziening voldoet of onder voorbehoud voldoet aan de voor haar geldende brandveiligheidsnormen.
Onderafdeling 2. - Architectonische normen
Art. 41.
Elke voorziening wordt gevestigd in een veilige omgeving die aangepast is aan de behouden capaciteiten van de ouderen en die toelaat om hun levenskwaliteit, hun psychisch, fysiek en sociaal welzijn, hun zelfredzaamheid en hun onafhankelijkheid te waarborgen.
De voorziening is aangepast aan visueel-ruimtelijke stoornissen om het vrije verkeer van de ouderen te waarborgen.
De voorziening en het meubilair zijn zodanig ingericht dat de ouderen zich niet opgesloten voelen.
Art. 42.
Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de ouderen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven.
Art. 43.
Ongeacht de weersomstandigheden, zowel 's nachts als overdag, moet in de verwarming, ventilatie en verlichting van alle lokalen worden voorzien. Alle voor de ouderen bereikbare plaatsen moeten voldoende verlicht zijn; de verlichting is aan de in de lokalen uitgeoefende activiteiten aangepast.
Art. 44.
In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 22 ° C in de kamers, leefruimten en badkamers of douches.
In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 18 ° C in de lokalen die niet vervat zitten in het eerste lid.
Alle passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de temperatuur in alle voor de bewoners toegankelijke lokalen maximaal 26 ° C is of, in geval van een hittegolf, dat de binnentemperatuur lager is dan de buitentemperatuur.
Art. 45.
De oppervlakte van de ruiten in de leefruimte en de kamers moet ten minste 1/6 van de netto-vloeroppervlakte bedragen.
De hoogte van de vensterbanken moet voor iemand die neerzit en voor zich uitkijkt, een zicht op de buitenwereld mogelijk maken, evenwel zonder gevaar voor ongevallen.
Art. 46.
§ 1. De gemeenschappelijke en individuele toiletten moeten over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met ten minste één muurleuning die toegankelijk en aangepast is aan de oudere, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare toiletpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak.
In afwijking van het eerste lid moeten toiletten voor personen met een beperkte mobiliteit uitgerust zijn met twee toegankelijke steunstangen.
§ 2. De deuren van de gemeenschappelijke en individuele toiletten gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend.
Art. 47.
Het bad of de douche is aangepast aan de opgevangen ouderen. Deze installaties moeten met een antislipbodem en steunstangen worden uitgerust.
Voor gemeenschappelijk en individueel sanitair moeten alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen worden getroffen zodat de watertoevoer geen ongevallen kan veroorzaken. De temperatuur van de mengkranen wordt door een thermostaat zó geregeld dat de ouderen zich niet kunnen verbranden.
De straal van de douche is richtbaar.
Art. 48.
De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat moet worden aangetoond door een berekeningsnota conform voormelde norm of door simulatie.
Bij gebrek aan voormelde nota is per aangesneden schijf van 40 ouderen minstens één lift vereist.
Ten minste één lift moet minstens 2,1 m bij 1,1 m zijn om een draagberrie te kunnen vervoeren. Die lift moet alle verdiepingen bedienen die lokalen hebben die voor de ouderen toegankelijk zijn.
Afdeling 2. - Overeenkomst tussen de voorziening en de oudere
Art. 49.
§ 1. Vóór de opname of opvang wordt tussen de voorziening en de oudere een overeenkomst afgesloten die verplicht het volgende bepaalt:
1° de algemene en bijzondere voorwaarden voor de huisvesting of opvang in de voorziening, in voorkomend geval met inbegrip van de duur en de voorwaarden van het door de voorziening toegepaste promotieaanbod;
2° overeenkomstig bijlage I van dit besluit, de elementen die gedekt zijn door de dagprijs en de kosten die duidelijk en beperkend kunnen worden gefactureerd, ofwel als toeslagen, ofwel als voorschotten aan derden, bovenop de dagprijs. De eenheidsprijs van de kosten die aan toeslagen onderworpen kunnen zijn, wordt duidelijk vermeld;
3° de betalingswijzen:
a) in geval van betaling via de bank, het bankrekeningnummer van de voorziening;
b) in geval van contante betaling moet een ontvangstbewijs worden afgeleverd;
4° als er een voorschot vereist is, zal het bedrag ervan afgetrokken worden van de factuur die betrekking heeft op de eerste maand van opvang of huisvesting;
5° de duur en de voorwaarden inzake de ontbinding van de overeenkomst;
6° de wijze van toepassing van het koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers. De door de apotheker eventueel toegekende korting moet op een geïndividualiseerde wijze en gedeeltelijk onder een collectieve vorm aan de oudere worden teruggegeven. Uit de boekhouding moet duidelijk blijken welk gebruik er werd gemaakt van de onder collectieve vorm toegekende korting.
§ 2. Bij een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de oudere afgesloten.
§ 3. Als de oudere niet in staat is een schriftelijke overeenkomst te sluiten, moet de voorziening zijn vertegenwoordiger raadplegen of de wettelijke bepalingen bedoeld in Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek naleven.
Art. 50.
§ 1. Ieder ontwerp van modelovereenkomst of iedere wijziging ervan wordt voorafgaandelijk aan de goedkeuring van de ministers voorgelegd.
Zij beschikken over negentig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het document om te beslissen.
Als er binnen deze termijn geen goedkeuring volgt, wordt de modelovereenkomst of de wijziging ervan geacht te zijn goedgekeurd.
Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van de overeenkomst en van elke wijziging ervan, wordt bij het vertrouwelijke dossier gevoegd.
Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn.
§ 2. De ministers en de dienst Controle en Begeleiding kunnen op elk moment verzoeken om overlegging van elke met een oudere gesloten overeenkomst.
TITEL VI. - Bijzondere normen die van toepassing zijn op rusthuizen
HOOFDSTUK IX. - Specifieke normen voor rust- en verzorgingstehuizen
Art. 228.
§ 1. Onverminderd artikel 129 tot en met 224 moeten de rust- en verzorgingstehuizen voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk.
§ 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder "voorziening" worden verstaan een rust- en verzorgingstehuis in de zin van artikel 1, 11°.
Art. 229.
Het rust- en verzorgingstehuis is bestemd voor de bewoners die sterk afhankelijk zijn van de hulp van derden om de handelingen van het dagelijks leven te kunnen verrichten en die beantwoorden daarnaast aan een van de afhankelijkheidscriteria zoals bepaald in artikel 148, 3°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art. 230.
De voorziening beschikt over ten minste vijfentwintig plaatsen.
Art. 231.
De voorziening omvat:
1° een polyvalente zaal uitgerust voor de collectieve praktijk van de ergotherapie en voor de collectieve activiteiten;
2° een zaal uitgerust voor de collectieve praktijk van de kinesitherapie.
Art. 232.
§ 1. De voorziening beschikt over voldoende verpleegkundig, verzorgend, paramedisch en psychosociaal personeel om voortdurend, zowel overdag als `s nachts, voor de begeleiding en de zorg van de ouderen in te staan.
Hiertoe, en onverminderd § 2 en de artikelen 233, 235 en 236, beschikt zij over het personeel opgelegd door het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rustoorden en in de rust- en verzorgingstehuizen voor bejaarden.
§ 2. De voorziening beschikt over ten minste 5 VTE's verpleegkundigen, waaronder een hoofdverpleegkundige.
Onverminderd het eerste lid beschikt de voorziening over:
1° een bijkomende hoofdverpleegkundige als de voorziening tussen 46 en 75 bewoners telt;
2° een bijkomende hoofdverpleegkundige als de voorziening tussen 76 en 105 bewoners telt;
3° een bijkomende hoofdverpleegkundige als de voorziening tussen 106 en 135 bewoners telt;
4° een bijkomende hoofdverpleegkundige als de voorziening tussen 136 en 165 bewoners telt;
5° een bijkomende hoofdverpleegkundige als de voorziening tussen 166 en 200 bewoners telt.
Art. 233.
Als de voorziening meer dan vijfenzeventig plaatsen telt, moet een van de hoofdverpleegkundigen afgevaardigd worden als coördinerend hoofdverpleegkundige, waarvan de functie en de vereiste minimumopleiding worden bepaald door de ministers.
Art. 234.
De hoofdverpleegkundige vervult de volgende taken:
1° de dagelijkse leiding over het verpleegkundig en verzorgend personeel;
2° de multidisciplinaire werking coördineren van het verpleegkundig en paramedisch personeel, het personeel voor reactivering, de kinesitherapeuten en de zorgkundigen;
3° de opname van nieuwe bewoners organiseren, met name door zoveel mogelijk gegevens te verzamelen over hun gezondheidstoestand en hun medisch-sociale situatie;
4° ervoor zorgen dat het verpleegkundige, paramedische, kinesitherapeutische en psychosociale dossier van de bewoners bijgewerkt wordt;
5° in samenspraak met het multidisciplinaire team de voedingsstatus van de bewoner evalueren en voedingsadviezen en voorstellen formuleren voor een voedingsbeleid dat de voedingsbehoeften verzoent met het eetplezier;
6° in samenspraak met het multidisciplinair team voorstellen formuleren over de manier waarop bewoners met cognitieve stoornissen moeten worden behandeld, met name wat betreft de niet-medicamenteuze benadering en de revalidatietechnieken, in voorkomend geval in samenwerking met de referentiepersoon dementie.
7° de coördinerend en raadgevend arts bijstaan bij de uitoefening van zijn functie;
8° ervoor zorgen dat de behoeften van de bewoners op het gebied van kinesitherapie, ergotherapie en logopedie die zijn opgenomen in het zorgplan zo snel mogelijk worden ingevuld.
Vanaf 1 januari 2026 moet elk van de in het eerste lid bedoelde hoofdverpleegkundigen aantonen dat hij of zij ten minste 24 uur voortgezette opleiding heeft gevolgd op het gebied van teammanagement, efficiëntie en welzijn op het werk.
Art. 235.
Een verpleegkundige is zowel overdag als `s nachts aanwezig in de voorziening.
Art. 236.
§ 1. In elke voorziening wijst de beheerder een coördinerend en raadgevend arts aan die huisarts is en die uiterlijk twee jaar na zijn aanwijzing houder is van een attest verkregen na een specifieke opleidingscyclus te hebben gevolgd die toegang geeft tot de functie van coördinerend en raadgevend arts.
Het attest dat toegang verleent tot de functie van coördinerend en raadgevend arts kan worden verkregen na een opleidingscyclus met vrucht te hebben gevolgd van minstens 24 uur gespreid over maximaal twee jaar en die is erkend door Iriscare.
Deze opleidingscursus omvat minstens de volgende onderdelen:
1° de regelgevingen voor de voorzieningen voor ouderen, met inbegrip van de rust- en verzorgingstehuizen;
2° de specifieke kenmerken van de geriatrische geneeskunde;
3° de preventie van infecties en het beheer van de antibiotherapie;
4° de communicatietechnieken.
In de rust- en verzorgingstehuizen die zich op meerdere vestigingsplaatsen bevinden of waarvan de omvang de activiteit van meerdere coördinerend en raadgevend artsen vereist, wordt één van de coördinerend en raadgevend artsen aangeduid als leidinggevend coördinerend en raadgevend arts. Er wordt regelmatig overleg georganiseerd tussen de coördinerend en raadgevend artsen. De taakverdeling tussen de verschillende coördinerend en raadgevend artsen wordt schriftelijk vastgelegd.
§ 2. In overleg met de hoofdverpleegkundige(n) vervult de coördinerend en raadgevend arts de volgende taken:
1° het multidisciplinair overleg organiseren dat minstens om de twee maanden plaatsvindt; de aan de voorziening verbonden zorgverstrekkers nemen hieraan deel en de behandelend artsen worden uitgenodigd;
2° een beleid opzetten rond de beheersing van de zorginfecties, de preventie van doorligwonden en chronische wonden, mond- en tandzorg, incontinentie en palliatieve zorg;
3° de procedures bepalen inzake immobilisatie- en/of afzondering;
4° de medische activiteit coördineren in geval van gezondheidsrisico's voor de bewoners en het personeel, met inbegrip van de opsporings- en vaccinatieprogramma's;
5° het overleg organiseren met de klinisch apotheker en de hoofdverpleegkundige over de medicamenteuze behandeling van de bewoners om advies te geven aan de behandelend arts;
6° meewerken aan de organisatie van activiteiten inzake opleiding en voortgezette opleiding in het domein van de gezondheidszorg voor het personeel van het rust- en verzorgingstehuis en voor de betrokken behandelend artsen.
§ 3. De coördinerend en raadgevend arts staat, in samenwerking met de hoofdverpleegkundige(n), de directeur bij, met name bij:
1° het in artikel 217 bedoelde actieplan ter verbetering van de praktijken;
2° de betrekkingen met de behandelend artsen en met de huisartsenvereniging van het grondgebied waar het rust- en verzorgingstehuis is gevestigd.
§ 4. De coördinerend en raadgevend arts wordt als volgt aangeduid:
1° wanneer een functie van coördinerend en raadgevend arts vacant is, brengt de directeur onverwijld de Federatie van de Brusselse Huisartsenverenigingen en de Brusselse Huisartsenkring op de hoogte, en ook de huisartsen die er de bewoners verzorgen;
2° de kandidaten hebben ten minste dertig dagen de tijd om hun kandidatuur in te dienen;
3° binnen dertig dagen na de aanduiding door de beheerder brengt de directeur van het rust- en verzorgingstehuis de betrokken huisartsenvereniging, de dienst Controle en Begeleiding van Iriscare, de bewoners, de personeelsleden en de hoofdarts van het ziekenhuis of de ziekenhuizen waarmee het rust- en verzorgingstehuis een functionele band heeft, ervan op de hoogte;
4° minstens 75% van de prestaties van de coördinerend en raadgevend arts moeten worden uitgevoerd in het rust- en verzorgingstehuis. Tijdens zijn prestatie-uren mag hij de functie van behandelend arts niet vervullen.
§ 5. Als de coördinerend en raadgevend arts afwezig is, moet hij, in samenspraak met de directeur, voor vervanging zorgen om de continuïteit van zijn functie te verzekeren. Bij langdurige afwezigheid zonder vervanging neemt de directeur contact op met de Federatie van de Brusselse Huisartsenverenigingen en de Brusselse Huisartsenkring om een nieuwe coördinerend en raadgevend arts te vinden.
§ 6. Om zijn kwalificatie als coördinerend en raadgevend arts te behouden, moet de betrokken arts tijdens elke periode van twee jaar een voortgezette opleiding volgen van minstens 12 uur. Daarin moeten onderwerpen aan bod komen in verband met geriatrie, palliatieve zorg, het levenseinde, crisisbeheer of veranderingen in de regelgeving met betrekking tot deze onderwerpen.
Art. 237.
Ter ondersteuning van de zorg aan het levenseinde in de voorziening zijn de coördinerend en raadgevend arts en de hoofdverpleegkundige(n) verantwoordelijk voor de volgende zaken:
1° een palliatieve zorgcultuur ontwikkelen en het personeel bewust maken van de noodzaak ervan;
2° adviezen inzake palliatieve zorg formuleren voor het verpleegkundig, zorgkundig en paramedisch personeel, het personeel voor reactivering en de kinesitherapeuten;
3° de kennis van de in punt 2 bedoelde personeelsleden over palliatieve zorg bijwerken;
4° zorgen voor de naleving van de wetgeving inzake euthanasie en palliatieve zorg, en de naleving van de wilsbeschikking van de bewoner met betrekking tot zijn levenseinde en/of zijn wilsverklaring inzake euthanasie.
TITEL VII. - Normen betreffende de centra voor dagopvang
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. 238.
§ 1. Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moet het centrum voor dagopvang, in de zin van artikel 2, 4°, e), van de ordonnantie, voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk II tot en met VII van deze titel.
§ 2. Voor de toepassing van deze titel moet onder "voorziening" worden verstaan een centrum voor dagopvang in de zin van artikel 2, 4°, e), van de ordonnantie.
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijke dossier
Afdeling 1. - Overeenkomst
Art. 239.
Vóór de opname wordt er tussen de voorziening en de oudere een overeenkomst afgesloten die verplicht vermeldt:
1° de algemene en bijzondere voorwaarden voor de opvang, met inbegrip van de aanwezigheidsdagen en het uurrooster van elke oudere;
2° de samenwerkingsvoorwaarden met de zorg- en dienstverleners die de oudere thuis verzorgen;
3° de dagprijs van de opvang en de inbegrepen diensten; het middagmaal is begrepen in deze prijs.
Art. 240.
Naargelang de behoeften van de oudere wordt de overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde duur gesloten.
Als de overeenkomst voor onbepaalde duur wordt gesloten, geldt de eerste maand als proefperiode.
Art. 241.
§ 1. Vóór de opname mag de oudere de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de directeur hiervan verwittigt, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van de overeenkomst.
§ 2. Op het einde van de proefperiode kan de overeenkomst op elk moment worden ontbonden, op voorwaarde dat een opzegtermijn van zeven dagen wordt nageleefd, ongeacht welke partij kennisgeeft van deze opzegging.
§ 3. De ontbinding gebeurt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzegtermijn.
De door de beheerder gegeven opzegtermijn is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd.
Art. 242.
De voorziening mag geen enkele waarborg eisen.
Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement
Art. 243.
Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende vermeldingen:
1° de voorwaarden voor het gebruik en het genot van de lokalen, uitrustingen en gemeenschappelijke diensten van de voorziening waarover de ouderen kunnen beschikken;
2° de openingsdagen en -uren van de voorziening: de voorziening moet minstens vijf dagen per week en minstens zes uur elke dag tussen 9 en 17 uur toegankelijk zijn;
3° de dagelijkse organisatie van activiteiten en animaties ter bevordering van het behoud of het terugwinnen van de hoogst mogelijke onafhankelijkheid bij de ouderen;
4° de voorwaarden waaronder de oudere een beroep mag doen op het verzorgend of paramedisch personeel van zijn keuze of van de voorziening of het personeel van het rusthuis waarmee de voorziening een functionele band heeft, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tariefzekerheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorg onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde OCMW;
5° de wijze waarop de voorziening de continuïteit van de toediening van de geneesmiddelen aan de ouderen waarborgt;
6° de voorwaarden waaronder een samenwerking wordt opgezet met de diensten voor thuishulp;
7° de vrije keuze van de behandelend arts en de kinesitherapeut door de oudere;
8° de volledige bewegingsvrijheid in de voorziening en de volledige vrijheid om de voorziening te verlaten met naleving van de goede organisatie van de voorziening;
9° de vrijheid om bezoek te ontvangen of te weigeren; het verloop van deze bezoeken gebeurt met naleving van de goede organisatie van de voorziening;
10° de voorwaarden die de oudere de gelegenheid bieden om deel te nemen aan de participatieraad van het rusthuis waarin de voorziening zich bevindt of waarmee ze een functionele band heeft;
11° de nadere regels voor de indiening en het onderzoek van de suggesties of opmerkingen bedoeld in artikel 21 en de klachten bedoeld in artikel 16; ze vermelden onder meer de plaats waar de naam van de persoon wordt aangebracht aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden bezorgd;
12° de opzegtermijn die van toepassing is in geval van beëindiging van de overeenkomst door de beheerder of de bewoner ;
13° het feit dat de voorziening gedekt is door een verzekering die de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening dekt;
14° in voorkomend geval, de nadere regels voor de organisatie van de verplaatsingen.
Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier
Art. 244.
Een vertrouwelijk dossier wordt voor elke oudere opgemaakt bij zijn opname. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, hun behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig, artikel 458 van het Strafwetboek.
Dit vertrouwelijke dossier omvat:
1° een afschrift van de individuele fiche of een document dat de daarin vervatte informatie bevat;
2° een exemplaar van de overeenkomst, ondertekend door de beheerder of de directeur en de oudere;
3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, ondertekend door de beheerder of de directeur en de oudere;
4° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de prijs van de opvang verschuldigd is en de inlichtingen betreffende de betaling.
Onverminderd het door de dienst Controle en Begeleiding uitgeoefende toezicht mag het vertrouwelijke dossier, dat door de oudere werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld.
Het kan op elk moment door de oudere worden geraadpleegd.
Het vertrouwelijke dossier van elke oudere wordt door de voorziening gedurende minstens drie jaar na zijn overlijden of, in voorkomend geval, zijn vertrek bewaard.
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne en de zorg
Afdeling 1. - Voeding
Art. 245.
§ 1. De voorziening beschikt over het document van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen waaruit blijkt dat de eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne.
De voorziening is verplicht ten minste maandelijks gevarieerde maaltijden te verstrekken.
§ 2. Het voedsel moet gezond, gevarieerd en kwaliteitsvol zijn, en aangepast aan de voedingsbehoeften van de ouderen; de textuur moet aangepast zijn aan de gezondheidstoestand van de ouderen. Het wordt bereid op een wijze die het zelfstandig eten door de oudere bevordert.
§ 3. De voorziening beschikt over een schriftelijk voedingsbeleid dat de voedingsbehoeften verzoent met eetplezier, en dat onder meer gedocumenteerde procedures of protocollen bevat die toegepast worden voor de vroegtijdige opsporing van ondervoeding en uitdroging en de opvolging van ondervoede en uitgedroogde ouderen.
§ 4. Diëten op medisch voorschrift moeten worden nageleefd zonder bijkomende kosten.
Art. 246.
Wanneer de maaltijden ter plaatse worden bereid, moet de voorziening aan Iriscare het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire heffing aan het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.
Art. 247.
Het menu wordt aan de ouderen meegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aangebracht.
Het moet ten minste twee maanden bewaard worden voor raadpleging door de dienst Controle en Begeleiding.
Art. 248.
De warme maaltijd mag niet vóór 11.30 uur worden opgediend. Er moet een keuze zijn tussen minstens twee menu's.
Halverwege de voor- en namiddag worden een tussendoortje en een drankje aangeboden. Die tussendoortjes en drankjes zijn begrepen in de dagprijs of de prijs voor een halve dag opvang.
Afdeling 2. - Hygiëne
Art. 249.
Als de voorziening beschikt over keukens worden die zo ingericht en ingeplant dat hun geuren, dampen en geluiden de ouderen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een ventilatiesysteem.
Art. 250.
Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, de lokalen waar het voedsel wordt bewaard, noch tot de verzorgingslokalen of de lokalen waar de verdeling van geneesmiddelen wordt voorbereid.
Art. 251.
Alle passende hygiënische voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen met betrekking tot de vuile was, die weg moet blijven uit de voor de ouderen toegankelijke lokalen en, in voorkomend geval, de keukens en de lokalen waar het voedsel wordt bewaard.
Art. 252.
Het gebruik van toiletstoelen is verboden.
Art. 253.
De ouderen moeten, indien nodig, dagelijks een douche kunnen gebruiken.
Art. 254.
De lokalen moeten steeds schoon worden gehouden en in overeenstemming zijn met hun bestemming.
Afdeling 3. - Hulpverlening en zorg
Art. 255.
De nodige hulp wordt geboden aan de ouderen die niet in staat zijn de handelingen van het dagelijkse leven alleen te verrichten. De geboden hulp moet de zelfredzaamheid, de onafhankelijkheid en de sociale en gemeenschapsparticipatie van elke oudere bevorderen en ondersteunen op basis van zijn behouden capaciteiten.
Art. 256.
§ 1. Voor elke oudere wordt een individueel gezondheidsdossier bijgehouden met onder meer de bezoekdatum van de behandelend arts, zijn richtlijnen, de toe te dienen geneesmiddelen en de te verlenen zorg en de eventueel voorgeschreven diëten worden vermeld.
In voorkomend geval vermeldt dit dossier ook alle prestaties van het verpleegkundig en paramedisch personeel dat door de oudere werd geraadpleegd, met het oog op de continuïteit van de zorgverlening in de voorziening. Het bevat ook de opmerkingen van het personeel dat deze prestaties heeft verricht en de kennisgeving ervan aan de door de oudere gekozen dienstverleners.
§ 2. Het individuele gezondheidsdossier wordt uiterlijk op de dag van opname samengesteld, in samenwerking met de oudere.
§ 3. Het individuele gezondheidsdossier is onderworpen aan het beroepsgeheim en aan de bepalingen van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 22 augustus 2022 betreffende de rechten van de patiënt.
De oudere mag het hem betreffende dossier inkijken overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van patiënten.
Als het individuele gezondheidsdossier gedigitaliseerd is, worden die gegevens zo beveiligd dat ze in overeenstemming zijn met de in het derde lid bedoelde wettelijke bepalingen, terwijl ze toegankelijk blijven voor de oudere overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
§ 4. De voorziening moet de individuele gezondheidsdossiers bewaren gedurende minimaal drie jaar volgend op het vertrek of het overlijden van de oudere. Na deze termijn wordt het medisch gedeelte van het individuele gezondheidsdossier, zoals bedoeld in § 3, 2°, door de behandelende arts van de bewoner gedurende de toepasselijke wettelijke termijn bewaard.
In geval van vertrek van de oudere naar een andere voorziening worden het individuele gezondheidsdossier en de voor de zorgcontinuïteit noodzakelijke gegevens aan de oudere of aan zijn behandelend arts meegedeeld of, op verzoek van de oudere of de behandelend arts, doorgegeven aan de directeur van die andere voorziening, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van de gegevens.
Art. 257.
De voorziening stelt een register op, met op de eerste bladzijde de telefoonnummers:
1° van de directeur;
2° van de behandelend artsen en de dienstdoende artsen;
3° van het dichtstbijzijnde ziekenhuis of het ziekenhuis waarmee een overeenkomst werd ondertekend;
4° van de ambulancedienst of de dienst waarmee een overeenkomst werd ondertekend;
5° van de brandweer;
6° van de politie.
Het in het eerste lid bedoelde register vermeldt, per dag, de volgende inlichtingen:
1° de opmerkingen over de ouderen;
2° in voorkomend geval, elk beroep op een arts, een verpleegkundige of de directeur en de instructies van die personen.
Art. 258.
Alle verpleegkundige handelingen gedefinieerd door en krachtens de federale wetgeving, met inbegrip van de verdeling en toediening aan de oudere van de door de behandelend arts voorgeschreven geneesmiddelen, worden uitgevoerd door verpleegkundigen.
Art. 259.
In voorkomend geval worden de geneesmiddelen, gedurende de aanwezigheid van de oudere, onder de verantwoordelijkheid van de verpleegkundige, bewaard in een afgesloten aangepast meubel of een lokaal dat uitsluitend daartoe is voorbehouden.
Art. 260.
De behandelend arts moet op elk moment de juiste toediening van de voorgeschreven geneesmiddelen kunnen controleren.
Afdeling 4. - Activiteiten
Art. 261.
§ 1. De voorziening stelt een programma van individuele en collectieve activiteiten op, dat tot doel heeft de levenskwaliteit van de ouderen in de voorziening te bevorderen.
§ 2. Het in § 1 bedoelde activiteitenprogramma omvat sociale activiteiten, gemeenschapsactiviteiten, activiteiten van het dagelijkse leven en vrijetijdsactiviteiten, die zowel binnen als buiten door de voorziening worden georganiseerd.
De activiteiten zijn zinvol voor de ouderen. Ze staan in het teken van hun welzijn en hun fysieke en psychologische gezondheid.
De activiteiten bevorderen niet alleen de deelname van de ouderen aan het sociale en gemeenschapsleven binnen en buiten de voorziening en in het lokale leven, maar ook het delen van ervaringen, met oog voor de persoonlijke hechting van de ouderen.
Bij de activiteiten wordt een beroep gedaan op de behouden capaciteiten van de ouderen. Ze bieden de ouderen de kans om hun kennis te delen en in te spelen op hun leerbehoeften of -wensen.
Het houden van de in artikel 262 bedoelde participatieraad maakt in ieder geval deel uit van het in het eerste lid bedoelde activiteitenprogramma.
Voor de organisatie van de in het eerste lid bedoelde activiteiten kan de voorziening een beroep doen op de medewerking van externe diensten of instellingen.
§ 3. Het in § 1 bedoelde activiteitenprogramma wordt uitgewerkt onder de verantwoordelijkheid van de directeur, in samenwerking met het personeel en de participatieraad. Bij de uitwerking ervan wordt rekening gehouden met de wensen en voorkeuren van de ouderen.
Dat programma wordt ten minste eenmaal per halfjaar geëvalueerd in de participatieraad en telkens als een bewoner dat wenst. Het wordt desgevallend aangepast.
§ 4. Het in paragraaf 1 bedoelde activiteitenprogramma wordt regelmatig aan elke oudere meegedeeld.
HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de participatie van de ouderen
Art. 262.
De voorziening richt een participatieraad op, tenzij de voorziening is gevestigd in een rusthuis of op dezelfde vestigingsplaats als een rusthuis.
Als ze niet over een eigen participatieraad beschikt, zorgt de voorziening ervoor dat de ouderen kunnen deelnemen aan de in het eerste lid bedoelde participatieraad van het rusthuis.
HOOFDSTUK V. - Architectonische normen
Art. 263.
De voorziening omvat minstens de volgende lokalen:
1° een verblijfsruimte voor de opvang, de ontspanning en, eventueel, de catering, als de maaltijden niet worden opgediend in het restaurant van het rusthuis waar de voorziening zich bevindt of waarmee ze een functionele band heeft.
Als de voorziening zich niet in een rusthuis bevindt, een kitchenette met ten minste een gootsteen, oven, koelkast en kookplaat;
2° een aparte rustzaal die aan de ouderen de mogelijkheid biedt zich af te zonderen en uit te rusten en die over voldoende relaxfauteuils beschikt. Alle maatregelen moeten worden genomen zodat de ouderen er in alle intimiteit kunnen worden verzorgd;
3° het centrum stelt evenveel kleerkasten ter beschikking van de ouderen als de erkende capaciteit.
De in het eerste lid, 1° en 2° bedoelde lokalen zijn toegankelijk voor alle ouderen.
Art. 264.
Voor de bewoners en het personeel moet voorzien worden in gescheiden toiletten, die schoon en voldoende in aantal zijn.
Ten minste een van de in het eerste lid bedoelde toiletten is toegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit.
De in het eerste lid bedoelde toiletten zijn uitgerust met een systeem dat aangeeft of ze al dan niet bezet zijn en met een handenwasser.
Art. 265.
De in artikel 263, eerste lid, 1° en 2° bedoelde lokalen en de toiletten zijn uitgerust met een oproepsysteem.
Art. 266.
De voorziening beschikt over een douche die toegankelijk is voor personen met een beperkte mobiliteit.
Art. 267.
De gangen en trappen zijn voldoende breed en de gangen zijn toegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit. De ouderen moeten bij hun verplaatsingen in het gebouw gebruik kunnen maken van leuningen en handgrepen aan beide zijden.
Om het risico op vallen te voorkomen, moeten de eerste en de laatste trede, net als elke afzonderlijke trede, een boord hebben waarvan de kleur duidelijk tegen de vloerbekleding afsteekt.
HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur
Art. 268.
De directeur en het personeel van de voorziening dragen, in het kader van het leefproject van de voorziening, bij tot de onafhankelijkheid, de zelfredzaamheid, de ontplooiing en de levenskwaliteit van de ouderen door hun toegang tot een dynamisch sociaal leven te bevorderen, een beroep te doen op hun creatief potentieel en door de deelname en de communicatie te vergemakkelijken.
Art. 269.
De voorziening beschikt over voldoende personeel, zowel kwantitatief als kwalitatief, om de hulpverlening bij het dagelijkse leven en de deelname aan de activiteiten, zoals bepaald in artikel 268, te waarborgen.
De aanwezigheid van minstens één loontrekkend personeelslid wordt voortdurend gewaarborgd.
Alle personeelsleden moeten minstens beschikken over het EHBO-brevet.
Art. 270.
Wanneer het personeel gemeenschappelijk is aan de voorziening en het rusthuis waarin ze gevestigd is, wordt het personeel dat de prestaties verricht voor de voorziening duidelijk geïdentificeerd en wordt de tijd die aan deze prestaties wordt besteed perfect geëvalueerd in voltijdsequivalenten.
Art. 271.
De voorziening beschikt over een directeur.
Wanneer de voorziening in een rusthuis is gevestigd, en onverminderd artikel 205, § 1, tweede lid, is de in het eerste lid bedoelde directeur de directeur van het betrokken rusthuis.
Art. 272.
Als de directeur alleen verbonden is aan de voorziening, moet hij minstens houder zijn van een diploma hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens honderd uur volgen.
In afwijking van het eerste lid en voor een maximumduur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen.
Er wordt aan de voorwaarden van het eerste lid voldaan als uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en de vereiste opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet.
Voor de toepassing van het vorige lid moet onder relevante ervaring worden verstaan de ervaring opgedaan in de sectoren van de huisvesting van ouderen, van de rust- en verzorgingstehuizen, van de ziekenhuizen of van de huisvesting van personen met een handicap, voor zover het een verantwoordelijke functie betreft.
Art. 273.
De succesvolle afronding van de in artikel 272, eerste lid, bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de leidend ambtenaar van Iriscare of zijn afgevaardigde wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid.
De ministers kunnen de kandidaat-directeur of de directeur in functie geheel of gedeeltelijk vrijstellen van die opleidingen, rekening houdend met zijn diploma's of met zijn opgedane ervaring.
Art. 274.
Voor elk personeelslid, de directeur inbegrepen, wordt een register opgemaakt met alle administratieve stukken, afschriften van diploma's en bekwaamheidsattesten of attesten van nuttige ervaring, de arbeids- of ondernemingsovereenkomsten, het verzekeringscontract voor burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening en alle wettelijk voorgeschreven verzekeringen.
Dit in het eerste lid bedoelde register en de staten van de driemaandelijkse aangiften die bestemd zijn voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid staan ter beschikking van de dienst Controle en Begeleiding, die op eenvoudige aanvraag een afschrift ervan kan bekomen.
Art. 275.
Op verzoek van Iriscare legt de beheerder, voor hemzelf en voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een uittreksel uit het strafregister voor aan Iriscare.
Art. 276.
Bij de aanwerving van een nieuw personeelslid eist de directeur de overlegging van een uittreksel uit het strafregister dat minder dan een maand oud is.
Art. 277.
§ 1. Onverminderd de specifieke opleidingsverplichtingen voor bepaalde personeelsleden moeten alle personeelsleden over een periode van twee jaar ten minste 16 uur voortgezette opleiding volgen, met een minimum van vier uur per jaar.
In afwijking van het eerste lid moet het verzorgend personeel en het personeel voor reactivering een voortgezette opleiding volgen van ten minste 40 uur per periode van twee jaar, met een minimum van acht uur per jaar.
§ 2. Behalve in door de voorziening met redenen omklede uitzonderingsgevallen, maakt de in de paragraaf 1 bedoelde opleiding deel uit van het in artikel 278 bedoelde plan voor voortgezette opleiding.
§ 3. Voor personeelsleden die drie vierden van een voltijds equivalent of minder presteren, wordt de in paragraaf 1 bedoelde opleidingsverplichting evenredig aangepast aan de werkelijke arbeidstijd.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde opleidingen moeten door de leidend ambtenaar van Iriscare of zijn afgevaardigde zijn erkend.
De in het eerste lid bedoelde erkenning kan aan een instelling worden verleend voor alle opleidingen die ze verstrekt.
Opleidingen die worden georganiseerd door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een door de Franse Gemeenschap, de Franse Gemeenschapscommissie of de Vlaamse Gemeenschap erkend opleidingscentrum, opleidingen die worden georganiseerd door de fondsen voor bestaanszekerheid, opleidingen die worden georganiseerd door de ziekenhuisdiensten, de platformen voor palliatieve zorg en het federaal platform voor ziekenhuishygiëne, en opleidingen die worden georganiseerd door een personeelslid dat in het thema is gespecialiseerd, worden geacht te zijn erkend in de zin van het eerste lid.
§ 5. Multidisciplinaire vergaderingen worden niet beschouwd als opleidingsuren in de zin van paragraaf 1.
§ 6. Behalve in door de voorziening met redenen omklede uitzonderingsgevallen, mag maximaal de helft van de verplichte opleidingsuren online worden georganiseerd.
§ 7. Maximaal een derde van de verplichte opleidingsuren mag door een personeelslid van de voorziening worden gegeven.
Art. 278.
§ 1. Voor de uitvoering van de in artikel 277, § 1, bedoelde opleidingsverplichtingen, stelt de voorziening, in samenwerking met de personeelsleden en hun vertegenwoordigers, voor elke personeelscategorie een plan voor voortgezette opleiding op.
Het in het eerste lid bedoelde plan voor voortgezette opleiding is gespreid over twee jaar. Het bevat ten minste het thema en de beschrijving van de geplande opleidingen, de categorieën van personeelsleden die de opleiding krijgen, de nagestreefde doelstellingen en de redenen voor de invoering van die opleidingen.
Het plan voor voortgezette opleiding is aangepast aan de functie en de behoeften van het personeel. Bij de opstelling ervan wordt rekening gehouden met het leefproject van de voorziening of de problemen die zijn vastgesteld in de voorziening.
§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde plan voor voortgezette opleiding omvat in ieder geval regelmatige opleidingen over:
1° de goede behandeling van ouderen en de betrekkingen met de ouderen;
2° de diversiteit, met name multiculturaliteit, genderidentiteit en seksuele geaardheid;
3° de zorgkwaliteit en het proces van voortdurende verbetering;
4° de begeleiding en participatie van ouderen;
5° de interne betrekkingen binnen de teams.
Het in paragraaf 1 bedoelde plan voor voortgezette opleiding kan talenopleidingen omvatten.
De ministers kunnen de in het eerste lid bedoelde lijst van opleidingsthema's nader omschrijven en aanvullen. Ze kunnen ook een lijst van verplichte opleidingsthema's per personeelscategorie vaststellen.
§ 3. Het plan voor voortgezette opleiding wordt om de twee jaar, op een door Iriscare te bepalen datum, en voor het eerst vanaf 1 juni 2024 bij Iriscare ingediend.
§ 4. De voorziening houdt een overzicht bij van het aantal uren en de opleidingen die elk personeelslid heeft gevolgd.
Art. 279.
§ 1. De directeur moet deelnemen aan een voortgezette opleiding van minstens 24 uur per jaar.
De in het eerste lid bedoelde opleiding omvat regelmatige opleidingen over:
1° de goede behandeling van ouderen en de betrekkingen met de ouderen;
2° de diversiteit, met name multiculturaliteit, genderidentiteit en seksuele geaardheid;
3° de zorgkwaliteit en het proces van voortdurende verbetering;
4° de begeleiding en participatie van ouderen;
5° het management.
§ 2. De ministers kunnen de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde thema's nader omschrijven en de lijst ervan aanvullen.
HOOFDSTUK VII. - Normen betreffende de functionele band met een rusthuis
Art. 280.
De voorziening moet een samenwerkingsovereenkomst sluiten met een rusthuis, met of zonder bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis.
Als de voorziening op dezelfde vestigingsplaats gelegen is als het rusthuis, vormt ze een afzonderlijke eenheid ervan.
Als de voorziening op dezelfde vestigingsplaats gelegen is als het rusthuis, kunnen alle verstrekkingen worden verricht door gemeenschappelijke diensten, voor zover elke voorziening afzonderlijk beantwoordt aan de normen die op haar van toepassing zijn.
Als de voorziening niet op dezelfde vestigingsplaats gelegen is als het rusthuis, bepaalt de voorziening samen met het rusthuis waarmee ze verbonden is, hun gemeenschappelijke verplichtingen, die, wat het rusthuis betreft, minimaal de prioritaire huisvesting van de in de voorziening opgevangen personen omvatten, voor zover die dat wensen.
De in het vorige lid bedoelde overeenkomst wordt aan de dienst Controle en Begeleiding bezorgd.