CO GB 28 – 11 DECEMBER 2025 – De bijslagtrekkende

CO GB 28

Betreft: De bijslagtrekkende


INLEIDING

Deze thematische omzendbrief licht de aanduiding van de bijslagtrekkende toe voor de toepassing van de Brusselse gezinsbijslagregeling.

Achteraan deze omzendbrief vindt men een gedetailleerde inhoudstafel.

Punt 1 van deze instructie heeft betrekking op de definitie van het begrip bijslagtrekkende.

In punt 2 wordt de aanduiding van de bijslagtrekkende voor de gezinsbijslag besproken.

Punt 2.1 heeft betrekking op de aanduiding van de bijslagtrekkende van de kinderbijslag.

Het vertrekpunt daartoe is de uitbetaling aan de moeder of de oudste ouder van gelijk geslacht (punt 2.1.1.). Wanneer deze persoon het kind niet opvoedt, wordt er uitbetaald aan de persoon die deze rol wel uitoefent (punt 2.1.2).

Punt 2.1.3 heeft betrekking op de aanduiding van de bijslagtrekkende van de kinderbijslag indien de niet-samenwonende ouders het ouderlijk gezag samen uitoefenen.

In de gevallen besproken in punt 2.1.4 is het kind bijslagtrekkende voor zichzelf.

De plaatsing in een instelling wordt toegelicht in punt 2.1.5 en de plaatsing in een pleeggezin in punt 2.1.6.

Ten slotte wordt de aanduiding van de bijslagtrekkende van de kinderbijslag voor ontvoerde kinderen (punt 2.1.7), verdwenen kinderen (2.1.8) en gedetineerde kinderen (punt 2.1.9) toegelicht.

Punt 2.2 bespreekt de aanduiding van de bijslagtrekkende voor het kraamgeld, terwijl punt 2.3 hetzelfde doet voor de adoptiebijslag. De aanduiding van de bijslagtrekkende voor forfaitaire bijslag voor de plaatsing bij een privépersoon wordt geduid in punt 2.4.

In punt 3 wordt verwezen naar de omzendbrief CO GB 26 over de betaling te goeder trouw aan de schijnbare bijslagtrekkende.

De verandering van bijslagtrekkende wordt toegelicht in punt 4.

Punt 5 geeft een omstandige toelichting bij de gerechtelijke gedingen over de aanduiding van de bijslagtrekkende. In hetzelfde punt worden ook de sommendelegaties ten gunste van een andere persoon dan de bijslagtrekkende besproken.

Tot slot verwijst punt 6 naar de bestaande omzendbrief CO GB 18 over de aansluiting van de bijslagtrekkende bij een kinderbijslaginstelling.

De voorliggende omzendbrief treedt in werking op 1 februari 2026.

Aangezien deze omzendbrief op bepaalde punten afwijkt van de eerder geldende instructies, en met het oog op de stabiliteit van het dossierbeheer, mag men in de bestaande gevallen de betaling voortzetten op grond van de eerder geldende instructies, en dit totdat er zich een wijziging in de aanwijzing van de bijslagtrekkende of de begunstigde van de sommendelegatie voordoet.

De bestaande federale instructies zullen worden opgeheven via dienstbrief.

Voor verdere vragen kunt u contact opnemen met Iriscare via admin.ctrl@iriscare.brussels.

1. BEGRIP BIJSLAGTREKKENDE

In de gezinsbijslagregelgeving is de bijslagtrekkende de natuurlijke persoon waaraan de gezinsbijslag moeten worden betaald1Art. 3, 5°, van de ordonnantie van 25 april 2019., in toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag2BS 8 mei 2019, hierna ordonnantie van 25 april 2019 genoemd., of de natuurlijke persoon aangewezen door een overheid in toepassing van de voormelde ordonnantie, met uitsluiting van de begunstigde van een sommendelegatie3Personen aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald omwille van een betaalmodaliteit, zoals bijvoorbeeld de door de bijslagtrekkende aangewezen persoon die deel uitmaakt van zijn gezin bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, hebben evenmin de hoedanigheid van bijslagtrekkende. (zie daartoe punten 5.3 en 5.4).

Bij geplaatste rechtgevende kinderen kan er daarnaast ook een deel van de kinderbijslag worden betaald aan de bijslagtrekkende met rechtspersoonlijkheid bedoeld in de artikelen 14, derde en vierde lid, of 20, eerste en tweede lid, van dezelfde ordonnantie (zie punt 2.1.5).4Voor de volgende aspecten van de toekenning van de kinderbijslag voor het kind dat geplaatst is in een instelling wordt de situatie in aanmerking genomen van de bijslagtrekkende die een natuurlijke persoon is en aan wie het saldo is verschuldigd, en niet de situatie van de rechtspersoon: - de hoedanigheid van eenoudergezin in de zin van art. 3, 8°, van de ordonnantie van 25 april 2019; - de berekening van het aantal gezinsleden waarmee rekening gehouden wordt voor de berekening van het jaarlijks gezinsinkomen of de kadastrale inkomens van het gezin voor de toekenning van de sociale toeslagen (gezinsleden vermeld in art. 3, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019); - de bepaling van de gezinsgrootte (aantal rechtgevende kinderen bedoeld in art. 11 van de ordonnantie van 25 april 2019); - wat betreft de voorwaarde inzake de hoedanigheid van bijslagtrekkende voor de overgangsregeling zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019. Dit geldt eveneens voor de bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag voor plaatsing bij een privépersoon waarvan de eigen situatie niet in aanmerking wordt genomen voor de toekenning of de berekening van de kinderbijslag ten gunste van de bijslagtrekkende van de eigenlijke kinderbijslag.

Aangezien de gezinsbijslagen ertoe strekken om bij te dragen aan de kost voor het onderhoud en de opvoeding van het rechtgevend kind5Parl. St. Senaat, 2012-2013, nr. 2240/1, p. 1, met verwijzing naar arrest GwH, nr. 53/2011 van 6 april 2011., moeten ze in principe toekomen aan de persoon die deze taken op zich neemt.

De correcte aanduiding van de bijslagtrekkende is niet altijd voor de hand liggend. In wat volgt, worden de voorwaarden en modaliteiten toegelicht die toelaten om in elke situatie de persoon aan te duiden die als bijslagtrekkende moet worden beschouwd voor een bepaald kind.

2. DE BIJSLAGTREKKENDE VOOR DE GEZINSBIJSLAGEN

In wat volgt wordt toelichting gegeven bij de bijslagtrekkende voor de kinderbijslag (punt 2.1) het kraamgeld (punt 2.2), de adoptiebijslag (punt 2.3) en de forfaitaire bijslag voor kinderen geplaatst bij een privépersoon (punt 2.4).

2.1. Bijslagtrekkende voor de kinderbijslag

In de volgende punten wordt toelichting gegeven bij de bijslagtrekkende voor de kinderbijslag.

2.1.1. Principe: betaling aan de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht

2.1.1.1. Algemene bepalingen - wettelijk vermoeden

Overeenkomstig artikel 19, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt de kinderbijslag voor het rechtgevend kind in principe betaald aan zijn moeder of aan de oudste ouder in geval van volle adoptie6De regel van de oudste ouder geldt niet in geval van een gewone adoptie van het kind of van het geadopteerde kind (door volle adoptie) van de echtgenoot of samenwonende partner van hetzelfde geslacht. van het kind door twee personen van hetzelfde geslacht of in geval van volle adoptie door één persoon van het kind of het adoptiekind van zijn echtgenoot of samenwonende van hetzelfde geslacht of in geval van meemoederschap (zie punt 2.1.1.2).

Er bestaat dus een wettelijk vermoeden dat de hierboven vermelde persoon het rechtgevende kind opvoedt en in principe de bijslagtrekkende moet zijn.

Het bovenstaande vermoeden geldt niet voor andere personen, zoals de echtgenote met wie de vader is hertrouwd7Hetzelfde geldt ingeval van wettelijk of feitelijk samenwonen., na echtscheiding of het overlijden van de moeder van het rechtgevende kind.

Dat vermoeden kan echter worden weerlegd. Aangezien kinderbijslag bedoeld is om bij te dragen aan de kosten van het onderhouden en opvoeden het rechtgevend kind8Parl. St. Senaat, 2012-2013, nr. 2240/1, p. 1, met verwijzing naar arrest GwH, nr. 53/2011 van 6 april 2011., moet die principieel toekomen aan de persoon die deze rol daadwerkelijk vervult.

Punt 2.1.1.2 geeft daarom aan in welke gevallen niet meer kan worden uitbetaald aan de moeder of aan de oudste ouder van hetzelfde geslacht.

Voorbeeld 1:

Een moeder is de bijslagtrekkende voor haar 15-jarig rechtgevend kind, dat ze alleen opvoedt.

De moeder begint een relatie met een vrouw die ouder is dan zij, met wie ze trouwt.

Op dit moment blijft artikel 19, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 van toepassing ten gunste van de moeder: zij blijft de kinderbijslag ontvangen als bijslagtrekkende.

Vervolgens adopteert de echtgenote het rechtgevende kind volledig.

Vanaf dat moment moeten de kinderbijslagen dus worden betaald aan de oudste van de twee echtgenoten.

Voorbeeld 2:

Een 16-jarige rechtgevende universiteitsstudente heeft volgens de gegevens van het Rijksregister dezelfde hoofdverblijfplaats als haar moeder, die bijslagtrekkende is.

Ze verblijft tijdelijk bij een derde.

Ondanks die situatie is artikel 19, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019 niet van toepassing omdat uit de gegevens van het Rijksregister blijkt dat de moeder en haar dochter dezelfde hoofdverblijfplaats hebben, zodat de moeder de bijslagtrekkende blijft zolang er niet wordt aangetoond dat ze haar kind niet langer opvoedt (zie punt 2.1.1.2).

2.1.1.2. Weerlegging van het wettelijke vermoeden

Het wettelijke vermoeden is van toepassing zolang de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht het kind daadwerkelijk opvoedt.

Echter, een ziekenhuisopname of een opname gedurende de eerste zes maanden in een psychiatrische instelling hebben niet tot gevolg dat de in punt 2.1.1.1 bedoelde persoon zijn opvoedingsrol niet meer vervult. Andere toepassingsgevallen moeten aan de regulator worden voorgelegd via admin.ctrl@iriscare.brussels.

Concreet - en uitgezonderd de gevallen waarbij artikel 19, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 niet van toepassing is9Zie punt 2.1.2 infra. Het gaat om toepassingsgevallen van art. 14 van de ordonnantie van 25 april 2019 of van art. 19, § 1, derde, vierde lid of vijfde lid, paragraaf 2, of paragraaf 3 van dezelfde ordonnantie. (en de niet samenwonende ouders hun minderjarige kind dus bv. niet in co-ouderschap opvoeden10Toepassing artikel 19, § 1, derde of vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.) - wordt de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht niet langer geacht het rechtgevend kind op te voeden, indien:

  • deze persoon niet identificeerbaar is of overleden (m.b.t. het overlijden, zie punt 4.5);
  • de andere ouder het ouderlijk gezag op exclusieve wijze uitoefent;
  • deze persoon is ontzet van het ouderlijk gezag11Art. 32-35 Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, BS 15 april 1965. ;
  • er met alle middelen van recht wordt aangetoond dat deze persoon het kind niet (meer) opvoedt, zoals door een vonnis of door een vaststelling door de sociale inspectie van Iriscare;
  • het kind zijn hoofdverblijfplaats volgens de gegevens afkomstig uit het Rijksregister - of bij gebreke daaraan volgens een officieel document12Nadat in toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 de bewijskracht van de informatie verkregen bij het Rijksregister is weerlegd, blijkt dat het kind die volgens het Rijksregister bij de moeder of bij de oudste ouder van gelijk geslacht verblijft, daadwerkelijk hoofdzakelijk bij een andere persoon verblijft. De weerlegging moet gebaseerd zijn op minstens één officieel document van een overheidsinstantie overeenkomstig de procedure die werd meegedeeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 (incl. temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1). - niet (langer) bij de voormelde persoon heeft.

Met het oog op debetpreventie, moeten de betalingen aan de moeder worden geschorst indien de aangifte van de wijziging van de hoofdverblijfplaats van het kind wordt meegedeeld aan de kinderbijslaginstelling via een Model 2.13Ontvangstbewijs van de aangifte waarin voorzien is bij artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.

Ingeval van een wijziging van de hoofdverblijfplaats zoals bedoeld onder het laatste bovenstaande streepje, is de volgende procedure van toepassing, die kan worden opgedeeld in 2 FASES:

FASE I

  • Vanaf de wijziging van de hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister, moet de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht worden ingelicht via de module STOP ART 19 §1, al.1
  • Totdat een derde (dus een andere persoon dan de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht) een aanvraag heeft ingediend om de kinderbijslag aan hem te betalen (te dateren overeenkomstig artikel 4 van het BVC van 22 januari 2022)14Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 22 januari 2022 betreffende de aansluiting van de bijslagtrekkende bij een kinderbijslaginstelling, BS 1 februari 2022., kan de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht schriftelijk verklaren dat ze het kind dat op een andere hoofdverblijfplaats verblijft alsnog blijft opvoeden. In dat geval blijft deze laatste persoon de bijslagtrekkende.

Bij ernstige en eensluidende aanwijzingen dat de door de moeder of oudste ouder van hetzelfde geslacht afgelegde verklaring frauduleus is, wordt de betaling opgeschort overeenkomstig artikel 23 van de ordonnantie van 25 april 2019 en dient de opvoedingssituatie geverifieerd te worden door de Sociale inspectie van Iriscare.

FASE II

  • Vanaf de datum van de aanvraag door de derde bij wie het kind verblijft, kunnen de betalingen aan deze persoon aanvatten, onder de voorwaarden bepaald in punt 2.1.2. De wijziging van bijslagtrekkende wordt geacht plaats te vinden op de datum waarop de hoofdverblijfplaats van het kind is gewijzigd volgens de gegevens van het Rijksregister, met toepassing van artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 4.3.1).
  • Verstreken perioden kunnen worden geregulariseerd, binnen de grenzen van de verjaring en overeenkomstig artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 4.3.1).
  • Vanaf de datum van de aanvraag door de persoon met wie het kind zijn hoofdverblijfplaats deelt, volstaat een eenvoudige verklaring van de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht niet meer en dient de verklaring te gebeuren via het formulier Decl_OP-EL (zie bijlage 2), inclusief de nodige bewijsstukken;

De betalingen die voorafgaand aan deze verklaring worden uitgevoerd aan de persoon bij wie het kind verblijft, worden in principe geacht te goeder trouw te zijn uitgevoerd overeenkomstig artikel 21 van de ordonnantie van 25 april 2019.15Zie omzendbrief CO GB nr. 26.

  • Indien de door de moeder of oudste ouder van hetzelfde geslacht afgelegde verklaring via het formulier Decl_OP-EL (zie bijlage 2) niet afdoende is, of indien de derde die de hoofdverblijfplaats deelt met het rechtgevend kind aangeeft het kind alleen op te voeden, wordt de betaling opgeschort overeenkomstig artikel 23 van de ordonnantie van 25 april 2019 en dient de opvoedingssituatie geverifieerd te worden door de Sociale Inspectie van Iriscare.

Voorbeeld 1:

De kinderbijslaginstelling krijgt een elektronisch bericht dat het rechtgevend kind van 14 jaar niet langer dezelfde hoofdverblijfplaats heeft bij de bijslagtrekkende moeder volgens de gegevens afkomstig van het Rijksregister en daarentegen een hoofdverblijfplaats deelt met een andere persoon.

De moeder wordt geïnformeerd over de stopzetting van de betaling.

De moeder verklaart echter het kind verder op te voeden vooraleer er een aanvraag wordt ingediend door een derde.

De verklaring moet in aanmerking worden genomen en de betalingen aan de moeder kunnen bijgevolg worden verdergezet.

Voorbeeld 2:

Zelfde situatie, waarbij de derde na 60 dagen de kinderbijslag aanvraagt en er, aangezien voldaan is aan de voorwaarden bepaald in punt 2.1.2, bijgevolg aan deze persoon wordt uitbetaald te goeder trouw.

Na 90 dagen verklaart de moeder alsnog haar kind op te voeden. De moeder dient haar stelling te staven aan de hand van het formulier Decl_OP-EL (zie bijlage 2) alvorens er opnieuw aan haar kan worden betaald, zij het enkel voor de toekomst.

Indien de derde persoon vervolgens aangeeft het kind alleen op te voeden dient de opvoedingssituatie geverifieerd te worden door de Sociale inspectie van Iriscare.

Indien er een einde komt aan de hierboven vermelde situatie die ervoor zorgde dat het wettelijke vermoeden ten voordele van de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht werd weerlegd, dan zal de laatst vermelde persoon opnieuw de hoedanigheid van bijslagtrekkende verwerven als er aan alle andere voorwaarden daartoe is voldaan.

Voorbeeld:

De kinderbijslag wordt op grond van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 uitbetaald aan de grootmoeder nadat het rechtgevend kind van 14 jaar het gezin van de moeder had verlaten, en dezelfde hoofdverblijfplaats had verworven als de grootmoeder (zie punt 2.1.2.2.1 infra).

Na enige tijd vervoegt het kind opnieuw het gezin van zijn moeder, met wie het opnieuw de hoofdverblijfplaats deelt. De moeder zal opnieuw de bijslagtrekkende voor de kinderbijslag worden.

2.1.2. Het kind wordt opgevoed door een andere persoon dan de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht

Artikel 19, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt dat de kinderbijslag in principe wordt betaald aan de moeder of aan de oudste ouder van hetzelfde geslacht (zie punt 2.1.1).

In de situatie zoals besproken in punt 2.1.1.2, waarin de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht het kind niet zelf opvoedt, moet worden onderzocht of de kinderbijslag kan worden betaald aan een andere persoon die deze rol vervult op basis van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Bijvoorbeeld:

De vader oefent op exclusieve wijze het ouderlijk gezag uit over zijn minderjarig rechtgevend kind dat bij hem inwoont en dat hij opvoedt. De kinderbijslag zal worden uitbetaald aan de vader op grond van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Let op: Artikel 19, § 1 tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 geldt enkel indien ook de volgende bepalingen geen toepassing vinden:

  • Artikel 19, § 1, derde en vierde lid van de ordonnantie van 25 april 2019: de niet-samenwonende ouders oefenen het ouderlijk gezag gezamenlijk uit en minstens een van hen voedt het kind op (zie punt 2.1.3);
  • Artikel 19, § 1, vijfde lid, van dezelfde ordonnantie: een van de voormelde niet-samenwonende ouders betwist de opportuniteit van de betaling van de kinderbijslag en vraagt hemzelf als bijslagtrekkende aan te wijzen, in het belang van het kind (zie punt 5.2.1);
  • Artikel 19, § 2, van dezelfde ordonnantie: de kinderbijslag wordt aan het rechtgevend kind zelf uitbetaald (zie punt 2.1.4);
  • Artikel 19, § 3, van dezelfde ordonnantie: het rechtgevend kind is ontvoerd (zie punt 2.1.7);
  • Artikel 14 van dezelfde ordonnantie: plaatsing in een instelling krachtens de regelgeving betreffende de jeugdbescherming ten laste van de bevoegde overheid waarbij een spaarrekening op naam van het rechtgevend kind is geopend om de kinderbijslag op te plaatsen (zie punt 2.1.5.3.2).

In wat volgt wordt vooreerst toegelicht welke definitie van het begrip opvoeden er geldt voor de toepassing van artikel 19van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.2.1.).

Vervolgens worden de bewijsmiddelen toegelicht die door de kinderbijslaginstellingen moeten worden aangewend om de bijslagtrekkende aan te duiden op grond van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 indien de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht deze rol niet uitoefent (zie punt 2.1.2.2.).

In uitzonderlijke situaties zal het echter niet mogelijk zijn om een bijslagtrekkende aan te duiden die het kind opvoedt en moet de betaling opgeschort worden.

Tot slot wordt er uitgelegd hoe de bijslagtrekkende wordt aangeduid indien meerdere personen het kind opvoeden ingeval de moeder deze rol niet vervult (zie punt 2.1.2.3.).

2.1.2.1. Definitie

Het begrip opvoeden wordt niet gedefinieerd in de ordonnantie van 25 april 2019 maar moet worden geïnterpreteerd overeenkomstig artikel 203 van het Oud Burgerlijk wetboek.

Het gaat om een feitelijke situatie die bestaat uit het geheel van de onderhouds- en opvoedingsplicht, meer bepaald het zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van het rechtgevend kind.

Anders gezegd verwijst het begrip opvoeden naar alles wat het rechtgevend kind voor zijn materiële bestaan nodig heeft, inclusief de kleding en de huisvesting, maar ook alles wat het kind op geestelijk en intellectueel vlak nodig heeft.

Het begrip overstijgt met andere woorden louter financiële bijdrage in de kost van de opvoeding en omvat dus zowel een materieel als een immaterieel aspect.16SENAEVE P., DECLERCK C. en WUYS T., Compendium van het personen en familierecht, Acco, 2025, 412.

Hoewel artikel 203 Oud Burgerlijk wetboek betrekking heeft op de ouderlijke opvoedingsplicht17Die moet worden vervuld in verhouding tot de financiële mogelijkheden van de ouders (Cass. 22 november 2018, AR C.18.0214.F; RABG 2019, afl. 14, 1244)., is het mogelijk dat een andere persoon (of personen) deze rol vervult en op die manier het kind opvoedt in de zin van artikel 19 van de voormelde ordonnantie.

Let op: voor de aanduiding van de bijslagtrekkende voor de forfaitaire bijslag voor de plaatsing van het rechtgevend kind bij een privépersoon geldt een afwijkende, beperktere, invulling van de opvoedingsnotie. Zie daartoe punt 2.4.

2.1.2.2. Bewijsmiddelen

In de situatie zoals besproken in punt 2.1.1.2, waarin de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht het kind niet zelf opvoedt, moet worden onderzocht welke andere persoon deze rol op zich neemt.

Daartoe dienen de kinderbijslaginstellingen de volgende bewijsmiddelen toe te passen, tenzij de bijslagtrekkende werd aangewezen in een vonnis dat tegenstelbaar is gemaakt aan de kinderbijslaginstelling overeenkomstig punt 5.6.

Het schema in de bijlage 3 biedt een schematisch overzicht van de bewijsmiddelen die door de kinderbijslaginstellingen moeten worden aangewend.

2.1.2.2.1. Vermoeden van opvoeding op grond van de gegevens uit het Rijksregister en de weerlegging van dit vermoeden

Indien het rechtgevend kind volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen - of bij gebreke daaraan volgens een officieel document18Nadat in toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 de bewijskracht van de informatie verkregen bij het Rijksregister is weerlegd, blijkt dat het kind dat volgens het Rijksregister bij de moeder of bij de oudste ouder van gelijk geslacht verblijft, daadwerkelijk hoofdzakelijk bij een andere persoon verblijft. De weerlegging moet gebaseerd zijn op minstens één officieel document van een overheidsinstantie overeenkomstig de procedure die werd meegedeeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 (incl. temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1). - dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als een andere natuurlijke en meerderjarige persoon dan de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht, dan geldt een vermoeden dat deze andere persoon het kind opvoedt in de zin van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 op voorwaarde dat deze persoon een aanvraag indient tot betaling van de kinderbijslag.

Enkel de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht moet geen aanvraag indienen, gelet op zijn of haar wettelijke opvoedingsplicht op grond van artikel 203 Oud Burgerlijk wetboek. Daarenboven geldt het vermoeden van opvoeding ook indien de vader nog minderjarig is.

Het vermoeden op grond van de gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats betreft een weerlegbaar vermoeden, waarbij zoals gezegd een onderscheid moet worden gemaakt naargelang het rechtgevend kind dezelfde hoofdverblijfplaats deelt met zijn vader of jongste ouder van hetzelfde geslacht (situatie A) of met een andere persoon (situatie B):

SITUATIE A.

Het vermoeden dat de vader of de jongste ouder het rechtgevend kind opvoedt in de zin van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 geldt concreet enkel als deze persoon het exclusief ouderlijk gezag heeft of indien het kind meerderjarig is.19Zoniet oefenen de niet samenwonende ouders het ouderlijke gezag in principe gezamenlijk uit en is art. 19, § 1, derde of vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 van toepassing (zie punt 2.1.3).

Indien dat het geval is, geldt het vermoeden ten voordele van de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht echter ook niet bij onderstaande uitzonderingen, in welk geval opvoedingsband moet worden vastgesteld overeenkomstig punt 2.1.2.2.2 (infra):

  1. de gegevens afkomstig uit het Rijksregister stemmen eenvoudigweg niet overeen met de realiteit.

De gegevens van het Rijksregister wijzen op een samenwoning op dezelfde hoofdverblijfplaats, terwijl het rechtgevend kind en de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht in realiteit op verschillende adressen wonen. De opvoedingsband kan echter nog steeds worden aangetoond overeenkomstig punt 2.1.2.2.2. (infra).

In deze hypothese moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om te trachten om in toepassing van artikel 33, § 2, van de ordonnantie van 4 april 2019 de bewijskracht van de informatie verkregen bij het Rijksregister te weerleggen.

Deze weerlegging moet gebaseerd zijn op minstens één officieel document van een overheidsinstantie overeenkomstig de procedure die werd meegedeeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 om de bewijskracht van de gegevens uit het Rijksregister te weerleggen (incl. temporeel toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1).

  1. de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht is geheel of gedeeltelijk ontzet uit het ouderlijk gezag;
  2. de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht verklaart schriftelijk dat het kind alsnog door de moeder wordt opgevoed. Deze verklaring kan worden tenietgedaan door een vaststelling door de Dienst Sociale inspectie van Iriscare;20Arbrb. Brugge, 8 december 1993, R.G. nr. 7/866.
  3. de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht verklaart het rechtgevend kind zelf op te voeden overeenkomstig punt 2.1.1.2 supra. Indien dit niet afdoende gebeurt of indien de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht beweert het kind alleen op te voeden, dient de opvoedingssituatie geverifieerd te worden door een vaststelling door de Sociale inspectie van Iriscare en worden de betalingen opgeschort.
  4. de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht verklaart schriftelijk het rechtgevend kind niet zelf op te voeden. Deze verklaring kan worden tenietgedaan door een vaststelling door de dienst Sociale inspectie van Iriscare;
  5. de Dienst Sociale inspectie van Iriscare stelt vast dat de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht het kind niet opvoedt.

SITUATIE B.

Indien het kind niet dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als zijn vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht, maar volgens de gegevens van het Rijksregister daarentegen dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als een andere meerderjarige natuurlijke persoon, dan geldt het voormelde vermoeden niet ingeval van onderstaande uitzonderingen, in welk geval opvoedingsband kan worden vastgesteld overeenkomstig 2.1.2.2.2 (infra):

  1. de gegevens afkomstig uit het Rijksregister stemmen eenvoudigweg niet overeen met de realiteit: procedure beschreven supra (SITUATION A, 1°) is van toepassing.
  2. het rechtgevend kind is ontvoogd of heeft de leeftijd van zestien jaar bereikt21Rechtgevende kinderen die gehuwd zijn of zelf bijslagtrekkende is voor een of meer van hun kinderen, zijn in elk geval bijslagtrekkende voor zichzelf, zie art. 19, § 2, ordonnantie van 25 april 2019., uitgezonderd als het kind al voorafgaand aan de ontvoogding of het bereiken van die leeftijd bij de derde verbleef. De derde kan echter steeds aantonen het kind op te voeden op grond van de bewijsmiddelen bepaald onder 2.1.2.2.2 (zie infra).
  3. de derde heeft zelf de hoedanigheid van rechtgevend kind. De opvoedingsband kan echter nog steeds worden aangetoond overeenkomstig 2.1.2.2.2. (zie infra);
  4. indien het rechtgevend kind een partnerrelatie heeft met de derde;
  5. het rechtgevend kind en de derde zijn verwanten in de zijlijn (broers, zussen, neven, nichten,…). 22In de zin van artikel 4.11 Burgerlijk wetboek. De opvoedingsband kan echter nog steeds worden aangetoond overeenkomstig punt 2.1.2.2.2 (zie infra);
  6. de derde verklaart schriftelijk dat het kind alsnog door de moeder wordt opgevoed. Deze verklaring kan worden tenietgedaan door een vaststelling door de Dienst Sociale inspectie van Iriscare;23Arbrb. Brugge, 8 december 1993, R.G. nr. 7/866.
  7. de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht toont aan het kind zelf op te voeden overeenkomstig punt 2.1.1.2 supra. Indien dit niet afdoende gebeurt of indien de derde beweert het kind alleen op te voeden, dient de opvoedingssituatie geverifieerd te worden door een vaststelling door de Sociale inspectie van Iriscare en worden de betalingen opgeschort.
  8. de derde verklaart schriftelijk het kind niet zelf op te voeden. Deze verklaring kan worden tenietgedaan door een vaststelling door de Dienst Sociale inspectie van Iriscare;
  9. de Dienst Sociale inspectie van Iriscare stelt vast dat de derde het kind niet opvoedt.
  10. de hoofdverblijfplaats afkomstig van de gegevens van het Rijksregister betreft een referentieadres;
  11. de hoofdverblijfplaats situeert zich op het adres van een rechtspersoon met als wettelijk of statutair doel, al dan niet gedeeltelijk, de huisvesting of de opvang van natuurlijke personen (plaatsing in een instelling, opvangcentrum, FEDASIL,…).

Voorbeeld 1:

Een gezin bestaande uit vijf broers en zussen die allen over de hoedanigheid van rechtgevend kind beschikken, hebben volgens de gegevens van het Rijksregister allemaal dezelfde gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats. Het gezin bestaat uit vier kinderen van 18 jaar en ouder en één kind van 17 jaar. Er zijn geen andere personen aanwezig in het huishouden.

De veronderstelling van opvoeding op basis van het Rijksregister is niet van toepassing (zie hoger – uitsluiting van zijverwanten).

Met uitzondering van de oudste, hebben alle kinderen recht op gezinsbijslag.

Overeenkomstig artikel 19, §2, b), van de ordonnantie van 25 april 2019 zijn de rechthebbende kinderen bijslagtrekkende voor zichzelf.

Het derde kind neemt echter de opvoeding op zich, inclusief de kosten voor onderhoud, van de andere rechthebbende kinderen. In dat verband vult en ondertekent dit kind het formulier Decl. OP-EL (zie bijlage 2) als bijslagtrekkende voor zijn rechtgevend broers en zussen te worden aangeduid, en voegt de vereiste bewijsstukken toe.

Gezien deze voldoende overtuigende elementen moet de kinderbijslaginstelling het derde kind als bijslagtrekkende aanwijzen voor zichzelf en zijn rechtgevende broers en zussen.

Voorbeeld 2:

Zelfde situatie, maar het gezin bestaat uit vier kinderen van 16 jaar en ouder en een jongste van 15 jaar.

Conform artikel 19, §2, b), van de ordonnantie van 25 april 2019 zijn de rechthebbende kinderen van 16 jaar en ouder bijslagtrekkende voor zichzelf. Geen enkel lid van het gezin neemt de opvoeding van een ander kind dan zichzelf op.

Bijgevolg moet elk rechthebbend kind van 16 jaar en ouder als bijslagtrekkende voor zichzelf worden beschouwd. De jongste, 15 jaar oud, kan daarentegen niet als bijslagtrekkende voor zichzelf optreden wegens de leeftijdsvoorwaarde in de voormelde bepaling.

Bij gebrek aan een persoon die daadwerkelijk de opvoeding van de jongste op zich neemt, moet de kinderbijslaginstelling op zoek gaan naar een persoon die het kind opvoedt. Daartoe moeten de bewijsmiddelen vermeld in punt 2.1.2.2.2. infra, met name het formulier Decl. OP-EL (zie bijlage 2) of een sociale inspectie worden gebruikt.

Indien er geen bijslagtrekkende voor het jongste kind kan worden aangeduid, schort de kinderbijslaginstelling de betaling van de kinderbijslag op tot de identificatie van een bijslagtrekkende voor de betrokken periode en voor de toekomst.

Het vermoeden dat is gebaseerd op de gegevens uit het Rijksregister houdt op te bestaan zodra het rechtgevend kind niet langer dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de persoon die NIET de moeder of de oudste van de ouders van hetzelfde geslacht is.24Met toepassing van artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019.

Nota bene:

Ingeval van een overgang tussen twee bijslagtrekkenden, die NIET de moeder of de oudste van de ouders van hetzelfde geslacht zijn (dus tussen twee bijslagtrekkende in de zin van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019), geldt de procedure beschreven onder punt 2.1.1.2, met uitsluiting van de (vereenvoudigde) FASE I.

Indien de initiële bijslagtrekkende in een dergelijke situatie aan de hand van formulier Decl. OP-EL (zie bijlage 2) probeert aan te tonen dat hij het kind nog steeds opvoedt, maar daar niet in slaagt, wordt de bijslagtrekkende aangeduid op basis van de hoofdverblijfplaats volgens de gegevens uit het Rijksregister.

2.1.2.2.2. De gegevens van het Rijksregister creëren geen vermoeden van de opvoedingsband - andere bewijsmiddelen die kunnen worden aangewend

Zoals toegelicht onder punt 2.1.2.1. verwijst het begrip opvoeden naar een feitelijke situatie.

Indien er geen vermoeden van een opvoedingsband blijkt uit de gegevens van het Rijksregister of uit een vonnis, bijvoorbeeld omdat men zich in één van de in punt 2.1.2.2.1 opgesomde uitzonderingen bevindt, kan de opvoedingsband worden aangetoond door alle middelen van recht.

Concreet dienen de kinderbijslaginstellingen de feitelijke situatie te verifiëren door de potentiële bijslagtrekkende te vragen om het formulier Decl. OP-EL (zie bijlage 2) in te vullen en te ondertekenen, en de gevraagde bewijsstukken toe te voegen.

Het formulier vermeldt uitdrukkelijk dat de kinderbijslaginstelling onmiddellijk op de hoogte moet worden gebracht indien de opvoedingssituatie wijzigt.

Bij twijfel of bezwaren over de interpretatie van het ingevulde formulier, moet de kinderbijslaginstelling contact opnemen met de regulator via admin.ctrl@iriscare.brussels die indien nodig de feitelijke opvoedingssituatie kan laten verifiëren door middel van een controle door de Sociale inspectie.

Voorbeeld:

Zie voorbeeld 1 onder punt 2.1.3.2.3.

2.1.2.3. Meerdere bijslagtrekkenden

Artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 bevat geen rangorde indien meerdere personen het rechtgevend kind opvoeden en de moeder of de oudste van de ouders van gelijk geslacht deze rol niet vervult.

Aangezien de opvoedingsplicht deel uitmaakt van de wettelijke ouderlijke verplichtingen (zie punt 2.1.2.1.), moet de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht die het kind samen met een andere persoon of andere personen opvoedt bij voorrang als bijslagtrekkende worden aangewezen.

De voorrang in hoofde van de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht geldt evenzeer indien de andere persoon of personen die het kind opvoeden een verwant in rechte opgaande lijn vanaf de tweede graad (grootouder) is/zijn, of stiefouder, al dan niet wettelijk samenwonende partner van de ouder, voogd, etc.

Voorbeeld:

Een gezin bestaat uit moeder vader en een rechtgevend kind van twaalf jaar oud.

De moeder verlaat het gezin waarop de vader het exclusief ouderlijk gezag verkrijgt.

Het trekt met het rechtgevend kind in bij de grootmoeder van het kind. De drie personen kregen als gevolg daarvan dezelfde hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister.

Daardoor ontstaat een vermoeden van opvoeding door zowel de vader als de grootmoeder.

Overeenkomstig artikel 203 van het oud Burgerlijk wetboek is het de vader die de hoedanigheid van bijslagtrekkende krijgt, dit tot de weerlegging van het vermoeden overeenkomstig punt 2.1.2.2.2.

Indien de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht het kind niet behoort tot de groep van personen die het kind daadwerkelijk opvoeden, moet worden aangenomen dat de rol van bijslagtrekkende wordt uitgeoefend door de persoon die de kinderbijslag aanvraagt overeenkomstig artikel 27, § 2, van de ordonnantie van 4 april 201925Ordonnantie van 4 april 2019 tot vaststelling van het betaalcircuit voor de gezinsbijslag, BS 12 april 2019..

Voorbeeld:

Nadat het rechtgevend kind van 12 jaar oud wees is geworden van zowel vaders- als moederszijde, trekt het in bij het gezin van zijn grootouders en verkrijgt er zijn hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister.

Dit leidt tot een vermoeden van opvoeding in hoofde van de beide grootouders.

Het is de grootvader die de kinderbijslag aanvraagt voor zijn kleinkind en daarbij aangeeft het rechtgevend kind op te voeden. De grootvader verkrijgt hierdoor de hoedanigheid van bijslagtrekkende.

2.1.3. Aanwijzing van de bijslagtrekkende als de ouders niet samenwonen

Om de regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende correct te kunnen toepassen, moet, als de ouders niet samenwonen, een onderscheid worden gemaakt naargelang de ouders het ouderlijk gezag over het rechtgevend kind al dan niet gezamenlijk uitoefenen.

Hieronder wordt eerst het begrip niet-samenwonen toegelicht, zoals het voorkomt in artikel 19, § 1, derde en vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.3.1).

Vervolgens wordt stilgestaan bij de tweede voorwaarde voor de toepassing van de voormelde bepalingen: de gemeenschappelijke uitoefening van het ouderlijk gezag.

Na een algemene toelichting over de stelsels van ouderlijk gezag (zie punt 2.1.3.2), worden de regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende verduidelijkt naargelang de niet-samenwonende ouders van het minderjarige kind het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen (zie punt 2.1.3.2.2) of een van de niet-samenwonende ouders van het minderjarige kind het ouderlijk gezag uitsluitend uitoefent (zie punt 2.1.3.2.3). Daartoe wordt ook toegelicht op welke wijze het toepasselijke stelsel van ouderlijk gezag moet worden vastgesteld (zie punt 2.1.3.3).

In punt 2.1.3.4. wordt ook toegelicht hoe de bijslagtrekkende wordt aangewezen als het kind van wie de ouders niet samenwonen meerderjarig wordt.

Tot slot wordt in punt 2.1.3.5 besproken hoe in toepassing van artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 2019 het aantal rechtgevende kinderen wordt vastgesteld die door de bijslagtrekkende worden opgevoed wanneer de ouders niet samenwonen.

2.1.3.1 Begrip niet-samenwonen

2.1.3.1.1. Definitie van niet-samenwonende ouders

Samenwonen wordt gedefinieerd als een feitelijke situatie waarbij twee of meer personen dezelfde verblijfplaats delen, dat wil zeggen samen onder hetzelfde dak wonen.

Er is dus sprake van niet-samenwonen wanneer de ouders van een rechtgevend kind in de praktijk niet (meer) dezelfde verblijfplaats delen.

In het licht van het voorgaande is de oorsprong van het niet-samenwonen irrelevant, of die nu voortvloeit uit een echtscheiding, een scheiding van tafel en bed, een feitelijke scheiding tussen de echtgenoten of wettelijk samenwonenden, een beëindiging van het wettelijk of feitelijk samenwonen of het feit dat de ouders nooit hebben samengewoond of een koppel hebben gevormd.

2.1.3.1.2. Bewijs dat de ouders niet samenwonen

Er wordt vermoed dat de ouders niet samenwonen wanneer ze volgens het Rijksregister op verschillende hoofdverblijfplaatsen zijn ingeschreven.

Dat vermoeden kan echter worden weerlegd, vooral als er ernstige aanwijzingen zijn dat het niet-samenwonen niet overeenstemt met de realiteit van het gezinsleven (zie voorbeeld 1 hieronder).

In dat geval kan het bewijs van het tegendeel worden geleverd door middel van een officieel document van een overheidsinstantie, overeenkomstig de in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 vastgestelde procedure voor het weerleggen van de bewijskracht van de gegevens in het Rijksregister (met inbegrip van het temporele toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1).

Omgekeerd kan dezelfde procedure worden gebruikt om het vermoeden van samenwonen te weerleggen op basis van een gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats die uit de gegevens in het Rijksregister blijkt.

Voorbeeld 1:

Een vader en zijn kind hebben volgens de gegevens van het Rijksregister dezelfde hoofdverblijfplaats die verschilt van de hoofdverblijfplaats van de moeder. Ingevolge zijn aanvraag daartoe (zie punt 2.1.3.2.2 c) wordt hij aangewezen als bijslagtrekkende en ontvangt hij ook de toeslag voor eenoudergezinnen.

Na een anonieme klacht waaruit blijkt dat de twee ouders in werkelijkheid samenwonen in de woonplaats van de vader, legt de kinderbijslaginstelling het dossier voor aan de dienst Sociale Inspectie van Iriscare zodat die een controle ter plaatse zou uitvoeren om de gezinssituatie te verifiëren.

De controle bevestigt dat beide ouders inderdaad op hetzelfde adres wonen, wat het recht op de toeslag voor eenoudergezinnen in het gedrang brengt. Het verslag van de dienst Sociale Inspectie is een officieel document dat kan worden gebruikt om de bewijskracht van de gegevens in het Rijksregister te weerleggen (overeenkomstig procedure 3.2.3 van CO GB 5/1 - zie hierboven). De moeder behoudt haar hoedanigheid van bijslagtrekkende, maar op grond van artikel 19, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.1).

Voorbeeld 2:

De vader en de moeder zijn getrouwd en wonen samen met hun rechtgevend kind op hetzelfde adres.

Later starten de echtgenoten met de procedure voor de scheiding van tafel en bed, die een getrouwd koppel in staat stelt gescheiden te leven met behoud van de huwelijksband26Art. 308 oud BW..

Die scheiding heeft tot gevolg dat de ouders in het Rijksregister op verschillende adressen zijn ingeschreven, waardoor een vermoeden van niet-samenwonen ontstaat.

Het kind behoudt zijn hoofdverblijfplaats bij zijn moeder, die het kind blijft opvoeden en aangewezen blijft als bijslagtrekkende. Door het einde van de samenwoning is de aanwijzing echter gebaseerd op artikel 19, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Voorbeeld 3:

De vader en de moeder zijn getrouwd en wonen samen met hun twee rechtgevende kinderen op hetzelfde adres. Ze staan allemaal op dezelfde hoofdverblijfplaats ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen.

Na huwelijksproblemen verlaat de moeder de gezinswoonplaats om bij een lid van haar familie te gaan wonen, maar ze behoudt haar inschrijving op het adres van de gezinswoonplaats. Een onderzoek door de dienst Sociale Inspectie van Iriscare toont echter aan dat ze het huishouden voorgoed heeft verlaten.

Bijgevolg dient de vader een verzoek in om te worden aangewezen als bijslagtrekkende op grond van artikel 19, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.3.2.2 c).

Hoewel de ouders in het Rijksregister van de natuurlijke personen op dezelfde hoofdverblijfplaats zijn ingeschreven, is op basis van de bevindingen van de dienst Sociale Inspectie vastgesteld dat ze niet samenwonen. De vader kan dus worden aangewezen als bijslagtrekkende voor de kinderbijslag voor zijn kinderen, eventueel verhoogd met de toeslag voor eenoudergezinnen, op voorwaarde dat het jaarlijks gezinsinkomen onder het toegestane grensbedrag ligt.

2.1.3.2. Het ouderlijk gezag

Als de ouders niet samenwonen, hangt de aanwijzing van de bijslagtrekkende af van het toepasselijke stelsel van ouderlijk gezag, voor zover het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een derde wordt opgevoed (zie punt 2.1.2) of voor zover het kind geen bijslagtrekkende is voor zichzelf (zie punt 2.1.4.1 en punt 2.1.4.2).

In dit deel worden eerst de algemene beginselen met betrekking tot het ouderlijk gezag uiteengezet (zie punt 2.1.3.2.1), voordat de regels voor het aanwijzen van de bijslagtrekkende worden gespecificeerd naargelang het ouderlijk gezag gezamenlijk (zie punt 2.1.3.2.2) of uitsluitend (zie punt 2.1.3.2.3) wordt uitgeoefend.

Tot slot wordt een punt gewijd aan de nadere regels voor het bewijzen van het op het rechtgevend kind toepasselijke stelsel van ouderlijk gezag (zie punt 2.1.3.3).

2.1.3.2.1. Algemene beginselen

Ouderlijk gezag verwijst naar een reeks rechten en plichten die de wet aan ouders toekent met betrekking tot hun minderjarig kind en die zowel materiële (verblijf, zorg, onderhoud) als immateriële eigenschappen (opvoeding, opleiding, persoonlijke ontwikkeling, levensbeschouwelijke of godsdienstige keuzes) van het kind betreffen.

Ouderlijk gezag stelt ouders in staat om belangrijke beslissingen te nemen over het leven van hun kind, vooral op het gebied van gezondheid, opvoeding, opleiding, ontspanning, levensbeschouwelijke en godsdienstige keuzes, enz.27artikel 374 van het oud Burgerlijk Wetboek., ongeacht de verblijfplaats van het kind.

Ouderlijk gezag geldt alleen voor minderjarige kinderen. Het eindigt bij de meerderjarigheid of ontvoogding van het kind.

Het Burgerlijk Wetboek gaat uit van het beginsel dat ouders het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen (zie punt 2.1.3.2.2), of ze nu getrouwd, samenwonend of (feitelijk) gescheiden zijn of om een andere reden niet meer samenwonen.

In bepaalde situaties kan de familierechtbank echter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan een van beide ouders (zie punt 2.1.3.2.3).

Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als er geen overeenstemming is tussen de ouders over de organisatie van de huisvesting of opleiding van het kind of andere belangrijke beslissingen over de opvoeding van het kind, of wanneer die overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind.28Art. 374, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek

Daarnaast kunnen ouders die niet samenleven, bijvoorbeeld met het oog op een echtscheiding, door onderlinge toestemming de uitoefening van het ouderlijk gezag door middel van een overeenkomst regelen en daarbij eveneens overeenkomen dat het ouderlijk gezag op uitsluitende wijze zal worden uitgeoefend.29Zie met name de overeenkomsten in het kader van overeenkomsten met het oog op de echtscheiding door onderlinge toestemming (art. 1288, tweede lid, en art. 1298 Ger.W.), van bemiddelingsakkoorden (art. 1733, tweede lid, en art. 1736, vierde lid, Ger.W.), en van collaboratief onderhandelde akkoorden (art. 1746, § 3, , Ger.W.). Zie ook SENAEVE P., DECLERCK C. en WUYTS T., Compendium van het personen- en familierecht, ACCO, Leuven, 2025, p. 391 en de aldaar vermelde referenties. Dergelijke overeenkomsten kunnen enkel in aanmerking worden genomen voor zover ze worden gehomologeerd door de rechter (zie punt 2.1.3.3 en punt 5.4.5).

2.1.3.2.2. Aanwijzing van de bijslagtrekkende in geval van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag door ouders die niet samenwonen

Als de ouders niet samenwonen en ze het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen, wordt de bijslagtrekkende anders aangewezen naargelang de ouders van verschillend of hetzelfde geslacht zijn (artikel 19, § 1, derde of vierde lid van de ordonnantie van 25 april 2019).

De voorwaarde voor de toepassing van de hieronder vernoemde regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende, is dat het kind door een van beide ouders wordt opgevoed.

Dat kan ook uitsluitend de andere ouder zijn dan degene die op grond van die regels als bijslagtrekkende wordt aangewezen.

Indien het kind echter uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere persoon dan de ouders wordt opgevoed dan is die feitelijke situatie doorslaggevend voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende (zie punt 2.1.2) en zijn de onderstaande regels niet van toepassing.

Indien het minderjarige kind, over wie het ouderlijk gezag op gezamenlijke wijze wordt uitgeoefend, door minstens één ouder wordt opgevoed, dan is de werkelijke huisvestingssituatie van het kind dat in co-ouderschap wordt opgevoed voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende niet van belang, met uitzondering van de situatie bepaald onder punt c) hieronder. Dat geldt ook als het kind afwisselend bij elke ouder verblijft, volgens een strikt gelijkmatige tijdsverdeling (ook wel gelijkmatig verdeelde huisvesting).

Dat type huisvesting komt vaak voor wanneer het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend en heeft dus geen invloed op de aanwijzing van de bijslagtrekkende voor het minderjarige rechtgevend kind.

Dat beginsel is ook van toepassing als het kind op kot woont, zolang het daar zijn hoofdverblijfplaats volgens het Rijksregister niet heeft.

We herinneren er ook aan dat de regeling ingesteld bij artikel 19, derde en vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 een dwingende bepaling is die de openbare orde raakt. De ouders mogen geen regeling treffen die afwijkt van de wettelijke bepalingen van de ordonnantie. Elke andere regeling kan niet aan de kinderbijslaginstelling worden tegengeworpen.30Zie ook in dit verband, Arbeidshof te Brussel - arrest nr. N-20140626-6 (2013/AB/1031) d.d. 26 juni 2014.

a) Ouders van verschillend geslacht

Wanneer ouders van verschillend geslacht het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen, wordt de moeder aangewezen als de wettelijk bijslagtrekkende, op voorwaarde dat een van de ouders het rechtgevend kind opvoedt.

Dat beginsel is ook van toepassing wanneer het kind uitsluitend wordt opgevoed door de vader – die het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefent met de moeder – tenzij de vader een verzoek indient in toepassing van punt c) hieronder.

b) Ouders van hetzelfde geslacht

Wanneer ouders van hetzelfde geslacht het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen, wordt de oudste ouder aangewezen als de wettelijk bijslagtrekkende, op voorwaarde dat een van de ouders het rechtgevend kind opvoedt.

Dat beginsel is ook van toepassing wanneer het rechtgevend kind uitsluitend wordt opgevoed door de jongere ouder – die het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefent met de oudste ouder – tenzij de jongere ouder een verzoek indient in toepassing van punt c) hieronder.

In beide gevallen (a en b) is die aanwijzing van rechtswege van toepassing.31Tenzij een rechterlijke beslissing uitdrukkelijk een andere bijslagtrekkende aanwijst (zie punt 5.2) of een derde het kind daadwerkelijk opvoedt (zie punt 2.1.2) of het kind bijslagtrekkende is voor zichzelf (zie punt 2.1.4) of in het geval van een plaatsing waarbij een derde van de kinderbijslag op een spaarrekening wordt gestort (zie punt 2.1.5.3.2) of bij toepassing van punt 2.1.7 (ontvoerd kind).

c) Aanwijzing van de vader of jongste ouder op zijn aanvraag

In afwijking van het bovenstaande kan de vader (bij ouders van verschillend geslacht) of de jongste ouder (bij ouders van hetzelfde geslacht) als bijslagtrekkende worden aangewezen, als aan de volgende twee cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  • hij dient hiertoe een aanvraag in;
  • hij heeft dezelfde hoofdverblijfplaats als het kind, volgens de gegevens in het Rijksregister.

Ingeval van gunstige of weigeringsbeslissing, wordt de beslissing m.b.t. de aanvraag van de vader of de jongste ouder van hetzelfde geslacht meegedeeld via de module Copar OK Père (zie bijlage 4) of Copar - afwijzing-refus père (zie bijlage 5). Ingeval van een gunstige beslissing, wordt de module Copar Info mère OK Père (zie bijlage 6) aan de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht verstuurd.

Het derde en vierde lid van artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019 bepalen duidelijk dat de ouder en het kind dezelfde hoofdverblijfplaats moeten hebben, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. De hoofdverblijfplaats is niet voor interpretatie vatbaar en mag daarom niet worden verward met andere informatie in het Rijksregister, zoals de gezinssamenstelling.

Gezien de uitdrukkelijke en beperkende vermelding in de ordonnantie is het dus niet mogelijk om de gezamenlijke hoofdverblijfplaats met andere bewijsmiddelen, zoals officiële documenten, aan te tonen. Dat wordt bevestigd door de beschikbare jurisprudentie.32In een vonnis van 21 oktober 2022 (AR nr. 2022/AL/61) herinnert het arbeidshof van Luik (afdeling Luik) eraan dat "alleen de officiële inschrijving van het kind op hetzelfde adres als de vader de betaling van kinderbijslag aan de vader kan rechtvaardigen; geen enkel ander bewijs van verblijf wordt aanvaard." Zie ook het arrest van het arbeidshof Brussel (achtste kamer), 8 september 2010 (AR nr. 2009/ BA/51.982).

Informatie over de hoofdverblijfplaats uit het Rijksregister kan echter worden weerlegd, vooral in het geval van domiciliefraude waarbij de ouder en het kind in werkelijkheid niet op hetzelfde adres blijken te verblijven.

De weerlegging van de gegevens uit het Rijksregister moet worden gebaseerd op minstens een officieel document van een overheidsinstantie, overeenkomstig de in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 meegedeelde procedure voor het weerleggen van de bewijskracht van de gegevens in het Rijksregister (met inbegrip van het temporele toepassingsgebied, zie punt 3.3.3 van CO GB 5/1).

2.1.3.2.3. Aanwijzing van de bijslagtrekkende indien het ouderlijk gezag uitsluitend door een ouder wordt uitgeoefend

Als het ouderlijk gezag uitsluitend door één ouder wordt uitgeoefend, wordt die ouder in principe verondersteld het kind daadwerkelijk op te voeden, waardoor hij de hoedanigheid van bijslagtrekkende verwerft.

Echter, wanneer het kind niet dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als deze ouder, moet worden onderzocht of het kind niet wordt opgevoed door een andere persoon dan de ouder die het ouderlijk gezag op uitsluitende wijze uitoefent. Als dat het geval is, moet de kinderbijslag worden betaald aan de persoon die het kind daadwerkelijk opvoedt.

De procedure bepaald in punt 2.1.2.2.1 of in punt 2.1.2.2.2 is van toepassing, waarbij de opvoeding door de vader desgevallend kan worden vastgesteld overeenkomstig de bewijsmiddelen uit het punt 2.1.2.2.2.

Voorbeeld 1:

De familierechtbank beslist om het exclusieve ouderlijk gezag over het rechtgevend kind van 9 jaar aan de vader toe te vertrouwen. Het rechtgevend kind heeft, volgens de gegevens uit het Rijksregister, dezelfde hoofdverblijfplaats als zijn grootmoeder. Omwille van deze gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats worden de gezinsbijslagen aan de grootmoeder uitbetaald, na haar aanvraag (zie punt 2.1.2.2.1).

Bij ontstentenis van een door de grootmoeder ingediende aanvraag richt de kinderbijslaginstelling het formulier Decl. OP-EL (bijlage 2) tot de vader.

Voorbeeld 2:

De familierechtbank beslist om het exclusieve ouderlijk gezag over het rechtgevend kind van 9 jaar aan de vader toe te vertrouwen, die gedetacheerd is in het buitenland. Het kind verblijft bij zijn tante in Brussel, en deelt met de tante dezelfde hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister. De tante vraagt echter geen kinderbijslag aan voor haar nichtje.

Bij ontstentenis van een door de tante ingediende aanvraag richt de kinderbijslaginstelling het formulier Decl. OP-EL (bijlage 2) tot de vader.

2.1.3.3. Het stelsel van ouderlijk gezag bepalen

Zoals toegelicht in het punt 2.1.3.1, wordt, indien de ouders van het rechtgevend kind niet samenwonen, de bijslagtrekkende in principe (zie punt 2.1.3.2) vastgesteld op grond van het toepasselijke stelsel van ouderlijk gezag.

In dit deel wordt uitgelegd hoe er moet worden vastgesteld welk stelsel van ouderlijk gezag van toepassing is voor het beheer van het kinderbijslagdossier.

Als de ouders niet samenwonen, past de kinderbijslaginstelling standaard het vermoeden van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag door de ouders toe, tenzij het tegendeel wordt bewezen.

Wanneer een van de ouders beweert het ouderlijk gezag uitsluitend uit te oefenen, moet hij dat bewijzen door middel van een volledige kopie van de rechterlijke beslissing waarbij die uitsluitende uitoefening wordt toegekend of door middel van een volledige kopie van de rechterlijke beslissing waarmee de rechtbank de overeenkomst heeft gehomologeerd waarin de ouders overeenkomen dat het ouderlijk gezag op uitsluitende wijze zal worden uitgeoefend (zie punt 5.4.5).

In dat laatste geval moet ook een integrale kopie van die gehomologeerde overeenkomst aan de kinderbijslaginstelling worden bezorgd.

De bewijslast ligt bij de ouder die zich beroept op de uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag. Verder moet hij moet zijn kinderbijslaginstelling zo snel mogelijk op de hoogte brengen van elke latere wijziging in het stelsel van ouderlijk gezag.

Bij gebrek aan een dergelijke beslissing of overeenkomst, blijft het vermoeden van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag van toepassing.

Tot slot onderzoekt de kinderbijslaginstelling niet langer systematisch het stelsel van ouderlijk gezag, behalve bij ernstige twijfel of als de ouders tegenstrijdige informatie aanleveren.

De gemotiveerde beslissing wordt aan beide ouders meegedeeld via de infobrief COPAR (zie bijlage 7), en hun aandacht wordt gevestigd op het feit dat alle latere wijzigingen in de uitoefening van het ouderlijk gezag zo snel mogelijk aan de kinderbijslaginstelling moeten worden gemeld.

2.1.3.4. Gevolgen van de meerderjarigheid of ontvoogding van het kind voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende

2.1.3.4.1. Principe: weerlegbaar vermoeden op grond van de gegevens in het Rijksregister

Het ouderlijk gezag eindigt bij de meerderjarigheid of ontvoogding van het rechtgevend kind. Het kind kan zijn verblijfplaats dan vrij kiezen.

De regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende die op het ouderlijk gezag zijn gebaseerd (zie punten 2.1.3.2.2 en 2.1.3.2.3), zijn vanaf de meerderjarigheid of de ontvoogding dus niet meer van toepassing.

Van zodra het rechtgevend kind meerderjarig wordt, zijn daarentegen de hierna vermelde principes van toepassing, uitgezonderd indien het rechtgevend kind zich in één van deze situaties bevindt:

  • De kinderbijslag wordt betaald aan het rechtgevend kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf op grond van artikel 19, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.4);
  • Het kind wordt door een derde opgevoed die geen ouder van het kind is (zie punt 2.1.2, Situatie B);
  • De bijslagtrekkende wordt aangeduid door een vonnis (zie punten 5.7.1 ou 7.2).
  • Het kind is geplaatst met een spaarrekening om de kinderbijslag op te betalen (art. 14 van de ordonnantie van 25 april 2019, zie punt 2.1.5.3.2).

Vanaf de meerderjarigheid van het rechtgevend kind moet voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende worden uitgegaan van de feitelijke opvoedings- en verblijfssituatie, met name op grond van het weerlegbare vermoeden dat is gebaseerd op de hoofdverblijfplaats van het kind volgens de gegevens in het Rijksregister.

Het uitgangspunt is dat de kinderbijslag voor het meerderjarige kind wordt betaald aan de ouder met wie het rechtgevend kind dezelfde hoofdverblijfplaats deelt, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

Er geldt in dat geval een weerlegbaar vermoeden dat de gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats overeenstemt met de feitelijke gezinssituatie en dat het kind door deze ouder wordt opgevoed.

Ingeval de hoofdverblijfplaats volgens het Rijksregister gemeenschappelijk is met de moeder of de oudste ouder van hetzelfde geslacht, geldt het vermoeden ten gunste van deze persoon binnen de grenzen aangegeven in punt 2.1.1.2.

Wanneer het kind daarentegen dezelfde hoofdverblijfplaats volgens het Rijksregister heeft als zijn vader of jongste ouder van hetzelfde geslacht, geldt dit vermoeden enkel voor zover men zich niet bevindt in een uitzondering vermeld onder punt 2.1.2.2.1, SITUATIE A.

De procedure bepaald in punt 2.1.2.2.2 is desgevallend van toepassing.

2.1.3.4.2. Informatieplicht

In elk dossier waarin de bijslagtrekkende tot aan de meerderjarigheid van het rechtgevend kind werd aangewezen op grond van artikel 19, § 1, derde of vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, wordt de bijslagtrekkende bij aanvang van de kalendermaand voorafgaand aan de kalendermaand waarin de jongere achttien jaar wordt, ingelicht over de aanwijzing van de bijslagtrekkende op grond van de gegevens in het Rijksregister aan de hand van de briefmodule MAJ type A (zie bijlage 8).

Ingeval deze aanwijzing ertoe leidt dat aan een andere bijslagtrekkende moet worden betaald, moet de informatie aan de bestaande bijslagtrekkende daarentegen gebeuren met de briefmodule MAJ type B (zie bijlage 9). Tegelijk moet de toekomstige bijslagtrekkende worden geïnformeerd via de briefmodule MAJ type C (zie bijlage 10).

Als de bijslagtrekkende verandert, krijgt de wijziging uitwerking in overeenstemming met punt 4.

Ter herinnering: als het gezin, op het moment dat de ouders daadwerkelijk niet samenwonen, zowel minder- als meerderjarige kinderen telt, wordt de bijslagtrekkende voor de minderjarige kinderen bepaald volgens punt 2.1.3.2.2 of 2.1.3.2.3.

2.1.3.5. De gezinsgrootte vaststellen als de ouders niet samenwonen

Overeenkomstig artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt het aantal kinderen voor de toepassing van de artikelen 733Artikel 7 van de ordonnantie van 25 april 2019 heeft betrekking op de basiskinderbijslag. en 934Artikel 9 van de ordonnantie van 25 april 2019 heeft betrekking op de sociale toeslag. van die ordonnantie vastgesteld rekening houdend met het aantal rechtgevende kinderen die door de bijslagtrekkende worden opgevoed.

Het betreft kinderen die op grond van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, het recht van de Europese Unie of de geldende internationale overeenkomsten recht hebben op kinderbijslag.

Wanneer rechtgevende kinderen worden opgevoed door verschillende bijslagtrekkenden die dezelfde hoofdverblijfplaats hebben, en op voorwaarde dat de bijslagtrekkenden echtgenoten of bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad, of verklaren dat ze een feitelijk gezin vormen, kan met die kinderen rekening worden gehouden bij het vaststellen van de gezinsgrootte.35Zie punten 2.3.2 en 4.3.2 van CO GB 25.

Bovendien wordt met sommige rechtgevende kinderen rekening gehouden bij het bepalen van de gezinsgrootte, ook al zijn ze niet fysiek aanwezig in het gezin. Het betreft vooral geplaatste kinderen (zie punt 2.1.5.2 of 2.1.5.3.1), verdwenen kinderen (zie punt 2.1.8) of ontvoerde kinderen (zie punt 2.1.7).

Voor de toepassing van artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt, indien de ouders niet samenwonen en het kind wordt opgevoed volgens een in een vonnis opgetekende gelijkmatig verdeelde huisvesting, elke gescheiden ouder geacht bijslagtrekkende te zijn voor het rechtgevend kind in kwestie, voor zover het niet door een derde wordt opgevoed.

Het vonnis moet door de beide ouders via een aangetekende brief aan de bevoegde kinderbijslaginstelling worden meegedeeld.

In dit geval wordt het kind tegelijkertijd meegeteld36Zie onder andere de arresten van het Grondwettelijk Hof van 3 februari 2022, AR nr. 13/2022, en van 21 februari 2008, AR nr. 23/2008. in het gezin van elke ouder voor de vaststelling van de gezinsgrootte, overeenkomstig artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 2019.

Die dubbele telling kan een rechtstreekse impact hebben op de grootte van de betrokken gezinnen en bijgevolg op het bedrag van de basiskinderbijslag (artikel 7 van de ordonnantie van 25 april 2019) alsook op de toekenning van de sociale toeslag (artikel 9 van dezelfde ordonnantie).

Opgelet: als een ouder of derde het ouderlijk gezag uitsluitend uitoefent, wordt alleen rekening gehouden met het kind in het gezin van de wettelijke bijslagtrekkende, namelijk de ouder die het ouderlijk gezag uitoefent (zie punt 2.1.3.2.3), tenzij het rechtgevend kind daadwerkelijk door een derde wordt opgevoed.

2.1.4. Rechtgevend kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf

In bepaalde situaties wordt de kinderbijslag uitbetaald aan het rechtgevende kind, dat dan zelf de bijslagtrekkende wordt.37Artikel 19, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019.

De verandering van bijslagtrekkende wordt meegedeeld aan het rechtgevend kind door middel van Self BT-AL (zie bijlage 16).

Hierna worden de voorwaarden verduidelijkt waaraan moet worden voldaan om een dergelijke betaling te kunnen uitvoeren, en ook de gevolgen die daaruit voortvloeien.

Daarnaast is in een overgangsmaatregel voorzien voor het rechtgevende kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf en dat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in de federale wetgeving om in zijn eigen belang een andere bijslagtrekkende aan te wijzen (zie punt 2.1.4.3 infra).

2.1.4.1. Voorwaarden

Een rechtgevend kind kan alleen bijslagtrekkende voor zichzelf worden als het zich in een van de volgende vier situaties bevindt:

  1. het kind is gehuwd;

Het moet gaan om een burgerlijk huwelijk dat geldig is onder het toepasselijke Belgische of buitenlandse recht.

  • Ter verduidelijking: als de echtgeno(o)t(e) van het rechtgevend kind ook de hoedanigheid van rechtgevend kind heeft, wordt die persoon, in voorkomend geval, ook bijslagtrekkende voor zichzelf als gevolg van het huwelijk.
  • Een interpretatie volgens dewelke de echtgenoten elkaar opvoeden kan dus niet worden toegestaan38Zoals soms werd toegestaan in een duidelijk achterhaalde administratieve praktijk.. Voor de toepassing van de artikelen 7 en 9 van de ordonnantie van 25 april 2019 moet rekening worden gehouden met de rechtgevende kinderen waarvoor de andere echtgenoot bijslagtrekkende is, op grond van artikel 11, eerste lid, van die ordonnantie, voor zover aan de in punt a) van die bepaling bedoelde voorwaarde inzake samenwoning is voldaan.
  1. het kind is ten minste zestien jaar en woont niet bij de bijslagtrekkende bedoeld in artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punten 2.1.1 -2.1.3);

Die woonvoorwaarde kan op twee verschillende manieren vastgesteld worden:

  • Ofwel zijn de verschillende verblijfplaatsen het gevolg van afzonderlijke hoofdverblijfplaatsen, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (zie punt 2.1 van CO GB 25). Dat begrip is niet voor interpretatie vatbaar en mag daarom niet worden verward met andere gegevens in het Rijksregister, zoals de gezinssamenstelling;
  • Ofwel is aan de hand van andere officiële documenten, die voor dat doel opgesteld zijn, aangetoond dat de gegevens in het Rijksregister niet (meer) overeenstemmen met de werkelijkheid. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee situaties: (CO GB 25 - punt 2.1).
  • Ten eerste kan het kind, om te bewijzen dat zijn hoofdverblijfplaats verschillend is van die van de in artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019 bedoelde bijslagtrekkende, de bewijskracht van de gegevens uit het Rijksregister weerleggen, overeenkomstig de in punt 3.2.3 van CO GB 5/1 beschreven procedure, door middel van minstens één officieel document van een overheidsinstantie (CO GB 25 - punt 2.2).
  • Ten tweede is het mogelijk dat het Rijksregister geen gegevens bevat over de hoofdverblijfplaats van het rechtgevende kind en/of de bijslagtrekkende bedoeld in artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019. In dat geval zijn de procedure en de bewijsstukken die bij de eerste situatie vermeld zijn ook van toepassing.

Met het oog op debetpreventie, moeten de betalingen aan het rechtgevend kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf op grond van een aparte hoofdverblijfplaats (artikel 19, § 2, b, van de ordonnantie van 25 april 2019) echter worden opgeschort zodra de aangifte van de wijziging van de hoofdverblijfplaats van het kind wordt meegedeeld aan de kinderbijslaginstelling via een Model 2.39Ontvangstbewijs van de aangifte waarin voorzien is bij artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.

  1. het kind is ontvoogd40Met uitzondering van de situatie van het huwelijk, die van rechtswege de ontvoogding van de minderjarige tot gevolg heeft, ongeacht zijn leeftijd, regelen de artikelen 477 tot en met 479 van het oud Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid van de ontvoogding van het kind, die in de rechtsleer wordt beschouwd als een overgangsfase tussen de minderjarigheid en de meerderjarigheid.. De woonvoorwaarde vermeld in punt 2 hierboven is ook hier van toepassing;
  2. het kind is zelf bijslagtrekkende voor een of meer van zijn kinderen.

In het verleden was er een interpretatie dat deze hypothese niet van toepassing was in de situatie waarbij de minderjarige moeder en haar rechtgevende kind voor hetwelk de minderjarige moeder bijslagtrekkende is, bij een grootouder van het kind wonen.

Die interpretatie is niet langer van toepassing, tenzij wordt vastgesteld dat de moeder haar rechtgevend kind niet zelf opvoedt, wat tot gevolg heeft dat artikel 19, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019 niet van toepassing is. Dit is met name het ingeval van een reactie door de grootouder die het kind in werkelijkheid opvoedt. De instructies in punt 2.1.2.2 moeten gevolgd worden.

2.1.4.2. Gevolgen van de status van bijslagtrekkende voor zichzelf

Als het rechtgevende kind bijslagtrekkende voor zichzelf wordt, moet daar natuurlijk rekening mee worden gehouden bij de berekening en toekenning van de kinderbijslag41Anders gezegd: de toekenning en de berekening van de bedragen van de gezinsbijslag moet gebeuren op basis van de situatie van het rechtgevende kind dat bijslagtrekkende voor zichzelf is. Dat geldt met name voor: - de vorming van een eenoudergezin in de zin van art. 3, 8°, van de ordonnantie van 25 april 2019; - de berekening van het aantal gezinsleden waarmee rekening gehouden wordt voor de berekening van het jaarlijks gezinsinkomen of de kadastrale inkomens van het gezin voor de toekenning van de sociale toeslagen (gezinsleden vermeld in art. 3, 7°, van de ordonnantie van 25 april 2019); - de berekening van de gezinsgrootte (aantal rechtgevende kinderen bedoeld in art. 11 van de ordonnantie van 25 april 2019); - de voorwaarde inzake de hoedanigheid van bijslagtrekkende voor de overgangsregeling zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019..

Als een rechtgevend kind waarvan de ouders niet samenwonen, onderworpen is aan het gezamenlijk ouderlijk gezag en bijslagtrekkende voor zichzelf wordt, wordt het geacht zichzelf op te voeden. In dat geval zijn de regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende, ingeval de ouders niet samenwonen, niet meer van toepassing. Er kan immers niet meer beschouwd worden dat het kind opgevoed wordt door een van beide ouders (zie punt 2.1.3)42Tenzij het kind vóór 1 januari 2020 gebruik heeft gemaakt van zijn recht om een andere bijslagtrekkende aan te wijzen.

Merk op dat het rechtgevende kind dat bijslagtrekkende voor zichzelf is, rechtsbekwaam is om zelf als eiser of verweerder in rechte op te treden in de geschillen betreffende de rechten op kinderbijslag. Met andere woorden, het kind beschikt over de handelingsbekwaamheid om zichzelf te vertegenwoordigen voor een bevoegde rechtbank.

Voorbeeld 1:

Een meerderjarig rechtgevend kind dat lessen volgt43Art. 1 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 9 juli 2019 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van kinderen die lessen volgen of een opleiding doorlopen, BS 8 augustus 2019., verhuist naar een kot en onderneemt de nodige stappen bij de bevoegde overheid om zijn kot in het Rijksregister te laten registreren als zijn hoofdverblijfplaats.

Zijn kinderbijslaginstelling stelt vast dat het kind volgens de gegevens van het Rijksregister voldoet aan de voorwaarden om de hoedanigheid van rechtgevend kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf te verwerven en voert de betalingen op basis daarvan uit.

Voorbeeld 2:

Een rechtgevend kind van zeventien jaar waarvan de ouders gescheiden zijn, valt onder het gezamenlijk ouderlijk gezag van die laatsten. Volgens de gegevens van het Rijksregister is zijn hoofdverblijfplaats bij zijn vader, die als bijslagtrekkende werd aangewezen nadat hij daartoe een aanvraag had ingediend (zie punt 2.1.3.2.2).

De jongere huwt en wordt zo bijslagtrekkende voor zichzelf. Als de echtgeno(o)t(e) ook de hoedanigheid van rechtgevend kind heeft, wordt die persoon ook bijslagtrekkende voor zichzelf.

Merk op dat de regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende in de zin van artikel 19, § 1, derde of vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 niet meer van toepassing zijn ten gevolge van het huwelijk van het rechtgevende kind (zie punt 2.1.3).

Voorbeeld 3:

Een rechtgevend kind van zeventien jaar wordt in een instelling geplaatst in de zin van artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.5.2). Ten gevolge van die plaatsing bevindt de hoofdverblijfplaats van het kind zich volgens de informatie van het Rijksregister in de instelling, in die zin dat het kind niet meer bij de in artikel 19, § 1, van dezelfde ordonnantie bedoelde bijslagtrekkende verblijft. Daardoor voldoet dit kind aan de voorwaarden om zijn kinderbijslag te ontvangen in de hoedanigheid van rechtgevend kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf.

Artikel 20, eerste lid, van de bovengenoemde ordonnantie bepaalt dat twee derde van de kinderbijslag wordt betaald aan de instelling waar het kind door bemiddeling of ten laste van een overheid geplaatst is, en dat het saldo wordt betaald aan de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19 van dezelfde ordonnantie.

Het resterende derde wordt dus betaald aan het rechtgevende kind overeenkomstig van artikel 19, § 2, van de bovengenoemde ordonnantie.

Voorbeeld 4:

Een dertienjarige niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV) verblijft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en woont samen met andere NBMV's. Aangezien het kind zich niet in een van de in punt 2.1.4.1 bedoelde situaties bevindt en niet de mogelijkheid heeft om een bijslagtrekkende aan te duiden die hem opvoedt, kan het recht op kinderbijslag niet worden uitbetaald.

Voorbeeld 5:

Een rechtgevend kind van zeventien jaar verkrijgt dezelfde hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister als zijn grootmoeder wonen en de kinderbijslaginstelling is ervan op de hoogte dat zij het kind opvoedt op grond van de bewijsmiddelen vermeld in punt 2.1.2.2.2.

De kinderbijslag kan niet aan het kind uitbetaald worden, omdat het rechtgevende kind niet dezelfde hoofdverblijfplaats mag hebben als de bijslagtrekkende bedoeld in artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019, die in dit geval de grootmoeder is.

2.1.4.3. Overgangsmaatregelen

De AKBW gaf het kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf de mogelijkheid om, in zijn eigen belang, een andere bijslagtrekkende aan te wijzen, op voorwaarde dat die persoon met het kind verbonden is door verwantschap of aanverwantschap in de eerste graad44Artikel 69, § 2, tweede lid, van de AKBW..

Aanvankelijk, was die mogelijkheid niet overgenomen in de ordonnantie van 25 april 2019. Bijgevolg had de persoon die door het kind in toepassing van artikel 69, § 2, tweede lid, van de AKBW als bijslagtrekkende was aangewezen bij de overgang naar de nieuwe Brusselse kinderbijslagregeling, op 1 januari 2020, zijn hoedanigheid van bijslagtrekkende moeten verliezen en had het kind opnieuw bijslagtrekkende voor zichzelf moeten worden.

Aangezien dat echter zou hebben geleid tot een vermindering van de kinderbijslag, werd artikel 39, tweede lid, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019 met terugwerkende kracht aangepast45Art. 11 Ordonnantie van 22 juli 2021 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot gezinsbijslagen, BS 4 augustus 2021. om een overgangsmaatregel in te voeren, die bepaalt dat de persoon die is aangewezen in toepassing van artikel 69, § 2, tweede lid, van de AKBW zijn hoedanigheid van bijslagtrekkende behoudt.

Bijgevolg blijft de persoon die vóór 1 januari 2020 door het kind is aangewezen als bijslagtrekkende, deze hoedanigheid bewaren zolang het kind niet terugkomt op zijn aanwijzingsbeslissing.

Voorbeeld:

Een rechtgevend kind van zeventien jaar woont bij beide ouders en de moeder is de bijslagtrekkende. Het kind trouwt en krijgt bijgevolg de hoedanigheid van bijslagtrekkende voor zichzelf.

Daardoor heeft de moeder niet langer de hoedanigheid van bijslagtrekkende.

Het kind besliste echter om zijn vader aan te duiden als bijslagtrekkende. Die laatste had niet de hoedanigheid van bijslagtrekkende, maar verkreeg die door de aanwijzing van zijn kind. De aanwijzing gebeurde op 20 november 2019.

Na 1 januari 2020 behoudt de vader zijn hoedanigheid van bijslagtrekkende op grond van artikel 39, tweede lid, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Op 15 maart 2026 beslist het rechtgevend kind zijn aanwijzing in te trekken om kinderbijslag voor zichzelf te ontvangen.

De vader verliest dan zijn hoedanigheid van aangewezen bijslagtrekkende.

2.1.5. Plaatsing van het rechtgevend kind in een instelling (art. 14 en 20 ORD)

De Brusselse kinderbijslagregeling bepaalt specifieke regels voor de verdeling van de gezinsbijslag voor kinderen die in een instelling zijn geplaatst.

Deze plaatsingen worden gekenmerkt door zeer uiteenlopende voorwaarden, afhankelijk van de sector of het type instelling. De plaatsing kan vrijwillig zijn of het gevolg zijn van een gerechtelijke of administratieve beslissing en er zijn uiteenlopende redenen voor de plaatsing, zoals een aandoening, een problematische opvoedingssituatie (jeugdhulp), jeugdcriminaliteit, etc.

Door het tweetalige karakter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gecombineerd met het feit dat de plaatsing van kinderen in instellingen tot de bevoegdheden van de gemeenschappen behoort, worden de Brusselse kinderbijslaginstellingen bovendien geconfronteerd met plaatsingen die onder de bevoegdheid van de verschillende Belgische gemeenschappen vallen.

In wat volgt worden eerst een aantal basisbegrippen toegelicht (zie punt 2.1.5.1.).

Daarna volgt een toelichting bij de verschillende betalingsregels afhankelijk van het type plaatsing, overeenkomstig de structuur van de relevante bepalingen van de ordonnantie van 25 april 2019.

Daarbij maakt de ordonnantie van 25 april 2019 in de eerste plaats een onderscheid naargelang het rechtgevend kind is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een overheid (punt 2.1.5.2.), of met toepassing van de regelgeving betreffende de jeugdbescherming (punt 2.1.5.3.). Punt 2.1.5.4 bespreekt een aantal specifieke situaties, terwijl het begin en het einde van de betalingen worden toegelicht in punt 2.1.5.5.

Na dit theoretische gedeelte wordt de praktische manier verduidelijkt waarop de gegevens tussen enerzijds de kinderbijslaginstellingen en anderzijds de overheden en de instellingen van de gemeenschappen uitgewisseld moeten worden (zie punt 2.1.5.6.)

2.1.5.1. Definities

Allereerst worden hieronder bepaalde begrippen gedefinieerd die vaak gebruikt worden in verband met plaatsingen in instellingen.

a) Geplaatst rechtgevend kind

De notie ‘geplaatst kind’ verwijst naar de situatie van het rechtgevend kind dat zich op residentiële wijze in een instelling bevindt onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van die instelling om daar opgevoed en/of verzorgd te worden46Zie L. HOFKENS en J. PUT, 'De impact van een uithuisplaatsing op de toekenning en uitbetaling van gezinsbijslagen', TSR 2025/1, 25..

De artikelen 14 en 20 van de ordonnantie van 25 april 2019 blijven van toepassing voor het rechtgevend kind47Dus op grond van artikel 25, § 2, of artikel 26 van de ordonnantie van 25 april 2019. dat meerderjarig is en in een instelling geplaatst is, voor zover de daaraan verbonden voorwaarden nageleefd worden.

Wat de kinderen betreft die zich in een situatie bevinden die een plaatsing benadert, zijn de regels van de artikelen 14 en 20 echter alleen van toepassing zolang ze minderjarig zijn (zie daartoe punt 2.1.5.4.2.).

b) Instelling

De term "instelling", in de zin van de ordonnantie van 25 april 2019, verwijst naar voorzieningen waarin kinderen worden geplaatst, ofwel met het oog op jeugdbescherming, opvoeding of sociale begeleiding, ofwel om er zorg te ontvangen.

Het kan gaan om jeugdhulp- of jeugdbeschermingsstructuren48Aangezien minderjarigen tegen wie een uithandengeving is uitgesproken en die zijn aangehouden of veroordeeld tot een gevangenisstraf in principe in een gemeenschapscentrum voor minderjarigen verblijven (zie art. 606 Sv), moeten desgevallend de regels voor geplaatste kinderen worden toegepast indien de kinderbijslaginstelling van de plaatsing op de hoogte wordt gebracht., gespecialiseerde opvangcentra of noodopvangcentra, openbare jeugdbeschermingsinstellingen, maar in sommige gevallen ook gespecialiseerde medische voorzieningen, zoals residentiële opvangdiensten.

Worden uitdrukkelijk niet als een plaatsing in een instelling beschouwd:

  1. opnames met tegemoetkoming door het RIZIV;
  2. tussenkomsten van adoptiediensten en pleegzorgdiensten;
  3. opvang in een semi-residentiële structuur, waarbij het kind alleen overdag of 's avonds, 's nachts en in het weekend thuis blijft, zoals in een dagcentrum en een semi-internaat of begeleid werken voor meerderjarigen;
  4. thuisbegeleiding van het kind en zijn gezin, deelname aan een opvoedingsproject;
  5. meerderjarige personen met een handicap die alleen wonen met ondersteuning door een niet-samenwonende privépersoon;
  6. meerderjarige jongeren die zich in een situatie bevinden die een plaatsing in een instelling benadert (zie punt 2.1.5.4.2);
  7. opvang in een centrum van Fedasil;
  8. plaatsing in een internaat waarvoor geen D227 is afgegeven;
  9. plaatsing in het kader van een preventieve sociale actie (PSA). Die plaatsingen zijn inmiddels gewijzigd in een "specifieke actie", een vorm van versnelde indicatiestelling (VIST);
  10. verblijf in een Centrum voor Integrale Gezinszorg (Kind en Gezin).

c) Overheid

Artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 is enkel van toepassing op voorwaarde dat het rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van "een overheid" geplaatst is in een instelling (zie punt 2.1.5.2.).

Onder een dergelijke overheid moet worden verstaan:

1° de hoven en rechtbanken;

2° de OCMW's;

3° de diensten voor jeugdhulp of jeugdbescherming op federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau, zoals Aide à la jeunesse (Administration générale de l'Aide à la Jeunesse et du centre pour mineurs dessaisis, Agentschap Opgroeien, ...),

4° de organisaties die belast zijn met de integratie van personen met een handicap, zoals het AVIQ (Agence pour une Vie de Qualité), de CoCoF, het VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap), enz.

d) Bevoegde overheid

De artikelen 14 en 20, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 zijn enkel van toepassing indien het rechtgevend kind is geplaatst in een instelling ten laste van de bevoegde overheid (zie punt 2.1.5.3.).

Onder deze bevoegde overheid moet worden begrepen de overheid die bevoegd is om het kind te plaatsen.

Concreet gaat het om:

1° de hoven en rechtbanken die belast zijn met de toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming;

2° de diensten voor jeugdhulp en jeugdbescherming die onder de gemeenschappen vallen.

2.1.5.2. Plaatsing in een instelling door bemiddeling of ten laste van een overheid (toepassing van artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april

A. Algemene bepalingen

In wat volgt worden de regels voor de toekenning van de kinderbijslag toegelicht wanneer een kind in een instelling wordt geplaatst door bemiddeling of ten laste van een overheid. Deze situatie wordt geregeld door artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

De plaatsing wordt geacht 'ten laste' te zijn van de overheid als die bijdraagt aan de kosten van het levensonderhoud van het kind .

Deze plaatsingen moeten strikt worden onderscheiden van plaatsingen in een instelling in toepassing van de regelgeving inzake jeugdbescherming en ten laste van de bevoegde overheid, die worden besproken in de punten 2.1.5.3.1 en 2.1.5.3.2.

De plaatsing "door bemiddeling of ten laste van een overheid" heeft meer bepaald betrekking op drie verschillende situaties:

1° het kind wordt in een instelling geplaatst door bemiddeling (administratieve tussenkomst) van een overheid zonder dat deze de plaatsing ten laste neemt;

2° het kind wordt geplaatst door een ouder, voogd, familielid, enz., ten laste van de overheid;

3° het kind wordt geplaatst door bemiddeling EN ten laste van de overheid.

Als er dus geen administratieve of geldelijke tussenkomst is van een overheid, wordt de plaatsing niet beschouwd als een plaatsing door bemiddeling of ten laste van een overheid.

Er moet op worden gewezen dat het om een gedeeltelijke ten laste neming kan gaan. Het is niet nodig dat de overheid bijvoorbeeld meer dan de helft van de onderhoudskosten bijdraagt. Het volstaat dat de overheid een deel van de onderhoudskosten van het kind ten laste neemt.

Wanneer de geldelijke of administratieve tussenkomst van de openbare overheid zich voordoet als het rechtgevend kind al is geplaatst, is artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie enkel van toepassing op de periode waarop die tussenkomst betrekking heeft.

In de praktijk ontvangt de kinderbijslaginstelling die informatie via het bericht D227 en/of het formulier P3.

Voorbeeld: een kind wordt geplaatst in een instelling die alle of een deel van de kosten draagt, zonder bemiddeling of ten laste neming door een overheid. De kinderbijslag wordt volledig betaald aan de bijslagtrekkende.

B. Verdeelsleutel en aanwijzing van de bijslagtrekkende

In geval van een plaatsing zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 worden de kinderbijslagen als volgt betaald:

  Bijslagtrekkende natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19 van de ordonnantie Instelling waar het rechtgevend kind is geplaatst
Deel van het kinderbijslagbedrag49De berekening van het bedrag van de kinderbijslag dat daadwerkelijk uitbetaald wordt tijdens de duur van de plaatsing, is verduidelijkt in deel C hieronder. dat voor het geplaatste rechtgevend kind is verschuldigd  

1/3e deel

 

2/3e deel

1/3 van de kinderbijslag wordt uitbetaald aan de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019, wat rechtspersonen uitsluit. Dat bedrag kan dus in geen geval aan de instelling worden uitbetaald.

Als het dossier geen andersluidende bepalingen bevat, wordt aangenomen dat de persoon die het rechtgevend kind vóór de plaatsing opvoedde, voor het kind blijft zorgen. In voorkomend geval moet de aanwijzing gebeuren op basis van de algemene regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende (zie punt 2.1). Onder de voorwaarden van artikel 19, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019 moet het geplaatste kind dus desgevallend aangewezen worden als rechtgevend kind dat bijslagtrekkende is voor zichzelf (zie punt 2.1.4).

Als er al eerder een rechterlijke beslissing is genomen voor de bestemming van het derde van de kinderbijslag, moet de betaling aan de door de bevoegde rechtbank aangewezen bijslagtrekkende worden voortgezet.

Er moet ook worden opgemerkt dat de aldus aangewezen natuurlijke persoon regelmatig contact moet onderhouden met het kind (bezoeken, geschenken, deelname in de kosten, enz.) en werkelijk belangstelling moet tonen voor het kind.

Wanneer is vastgesteld, met name via het formulier P3, dat de vorige bijslagtrekkende helemaal niet meer voor het kind zorgt OF in elke situatie waarin de bijslagtrekkende niet geïdentificeerd kan worden, geldt de volgende procedure:

  1. De betalingen moeten onmiddellijk opgeschort worden tot een (andere) bijslagtrekkende is aangewezen die aan de wettelijke voorwaarden voldoet.

De opschorting geldt voor het volledige bedrag, d.w.z. het derde dat verschuldigd is aan de natuurlijke persoon en de twee derden die verschuldigd zijn aan de instelling.

  1. De kinderbijslaginstelling moet zich tot de overheid richten die bemiddeld heeft bij de plaatsing.
  2. Zodra een (andere) bijslagtrekkende geïdentificeerd is, wordt het nieuwe bedrag van de kinderbijslag op basis daarvan berekend en wordt de uitbetaling van het derde uitgevoerd aan die bijslagtrekkende (zie punt C hieronder).

Het mechanisme om de bijslagtrekkende te wijzigen verloopt volgens de instructies in punt 4.

Voorbeeld:

De ouders van een rechtgevend kind wonen niet samen. De moeder heeft de hoedanigheid van wettelijke bijslagtrekkende op basis van artikel 19, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.3.2.2).

Het kind wordt vervolgens door bemiddeling of ten laste van een overheid in een instelling geplaatst omwille van gezondheidsproblemen.

Vanaf die plaatsing betaalt de kinderbijslaginstelling 1/3 van de kinderbijslag aan de moeder, die de wettelijke bijslagtrekkende is, en 2/3 aan de instelling.

Daarna vervalt het ouderlijk gezag van de moeder door een beslissing van de familierechtbank.

Aangezien de bijslagtrekkende niet (meer) bepaald is, neemt de kinderbijslaginstelling contact op met de overheid die heeft bemiddeld bij de plaatsing om de identiteit te achterhalen van de persoon die voor het kind blijft zorgen, door haar het formulier Decl. OP-EL (bijlage 2) toe te zenden.

In afwachting van de aanwijzing van een nieuwe wettelijke bijslagtrekkende schort de kinderbijslaginstelling de betaling van de kinderbijslag (3/3) op.

C. Berekening van het bedrag van de kinderbijslag

De plaatsing van een rechtgevend kind in een instelling op basis van artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 kan ook gevolgen hebben voor de berekening van het bedrag van de kinderbijslag.

Dat bedrag wordt berekend op basis van de concrete situatie van de wettelijke bijslagtrekkende (de natuurlijke persoon aan wie 1/3 van de kinderbijslag wordt betaald), en van het rechtgevend kind.

Gezinsgrootte

Het geplaatste kind wordt nog steeds in aanmerking genomen voor de grootte van het gezin, in de zin van artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 2019, van de bijslagtrekkende(n)50Als de bijslagtrekkende de overgangsmaatregel geniet waarin artikel 39, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 voorziet, wordt het kind in aanmerking genomen bij de bepaling van de rang. bij de berekening van het aantal kinderen voor de toepassing van artikel 7 en 9 van dezelfde ordonnantie (zie punt 4.3.2 van CO GB 25).

Behoud van specifieke verhogingen

Naast de bepaling van het aantal rechtgevende kinderen dat de bijslagtrekkende opvoedt, kan het bedrag van de kinderbijslag verhoogd worden met de volgende toeslagen:

  • sociale toeslag (artikel 9 van de ordonnantie van 25 april 2019), die wordt toegekend op basis van de grootte van het gezin, het gezinstype en de jaarlijkse inkomsten van het gezin van de wettelijke bijslagtrekkende die een natuurlijke persoon is;
  • toeslag voor kinderen met een aandoening (artikel 12 van de ordonnantie van 25 april 2019): toegekend naargelang de ernst van de gevolgen die voortvloeien uit de aandoening van het kind, voor zover aan de toekenningsvoorwaarden is voldaan51Art. 12, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.;
  • wezentoeslag (artikel 8 van de ordonnantie van 25 april 2019): toegekend bij overlijden van een ouder of beide ouders. Deze toeslag wordt ook doorbetaald tijdens de plaatsing van het kind, zonder wijziging in verband met zijn woonsituatie;
  • jaarlijkse leeftijdstoeslag (artikel 15 van de ordonnantie van 25 april 2019): wordt toegekend op basis van de leeftijd van het kind en het type onderwijs dat het volgt.

2.1.5.3. Plaatsing in een instelling beslist in het kader van jeugdbescherming

Als het rechtgevend kind in een instelling is geplaatst ten laste van de bevoegde overheid krachtens de regelgeving betreffende de jeugdbescherming, moet een onderscheid gemaakt worden naargelang er een spaarrekening op naam van het rechtgevend kind is geopend om er een deel van de forfaitaire bijslag op te storten (zie punt 2.1.5.3.2) of niet (zie punt 2.1.5.3.1).

2.1.5.3.1. Plaatsing in een instelling beslist in het kader van jeugdbescherming ten laste van de bevoegde overheid, zonder opening van een spaarrekening (toepassing van artikel 20, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019)

A. Algemene bepalingen

Als een kind in het kader van de jeugdbescherming in een instelling geplaatst is ten laste van de bevoegde overheid zonder dat er een spaarrekening is geopend om er de kinderbijslag op te storten, wordt de betaling van de kinderbijslag verdeeld tussen de natuurlijke persoon en de overheid die bevoegd is voor de plaatsing, volgens de nadere regels in punt B.52Art. 20, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

B. Aanwijzing van de bijslagtrekkende

  Bijslagtrekkende natuurlijke persoon aangeduid door de jeugdrechtbank of de overheid die het rechtgevend kind hebben geplaatst

 

Overheid die bevoegd is om het rechtgevend kind te plaatsen

 

Deel van het kinderbijslagbedrag53De berekening van het bedrag van de kinderbijslag dat daadwerkelijk uitbetaald wordt tijdens de plaatsing, is verduidelijkt in deel C hieronder. dat voor het geplaatste rechtgevend kind is verschuldigd  

1/3e deel

 

2/3e deel

De betaling van 1/3 van de kinderbijslag aan de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt ambtshalve beslist, naargelang het geval, door:

  • de jeugdrechtbank die de plaatsing van het rechtgevend kind in een instelling heeft opgelegd;
  • of door de overheid, aangeduid door een gemeenschap of door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, die heeft beslist om het kind te plaatsen. In dat verband behouden alle betrokkenen het recht om een vordering in te dienen bij de jeugdrechtbank van de hoofdverblijfplaats van de ouders, voogden of personen die het kind onder hun bescherming hebben overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 om de beslissing van die overheid te betwisten.

Dat bedrag mag in geen geval uitbetaald worden aan een rechtspersoon, zoals de instelling waar het kind geplaatst is.

De kinderbijslaginstelling mag nooit op eigen initiatief een andere bijslagtrekkende aanwijzen, ook niet als de aldus aangewezen natuurlijke persoon geen regelmatig contact (meer) onderhoudt met het geplaatste kind of geen belangstelling toont voor het kind.

In een dergelijke situatie moet de kinderbijslaginstelling, op grond van het beginsel van goed bestuur, het gebrek aan belangstelling van de bijslagtrekkende echter melden aan de jeugdrechtbank of aan de bevoegde overheid die door een gemeenschap is aangewezen.

Als er nog geen rechterlijke beslissing is genomen, moet de kinderbijslaginstelling de bevoegde overheid of de jeugdrechtbank bevragen over de bestemming van het saldo.

In dat laatste geval schort de kinderbijslaginstelling de integrale uitbetaling van de kinderbijslag op, d.w.z. het derde dat verschuldigd is aan de natuurlijke persoon én de twee derden die verschuldigd zijn aan de bevoegde overheid.

Zodra de bijslagtrekkende geïdentificeerd is, wordt het bedrag van de kinderbijslag op basis daarvan berekend en wordt de uitbetaling uitgevoerd aan die bijslagtrekkende.

C. Berekening van het bedrag van de kinderbijslag

De plaatsing van een rechtgevend kind in een instelling (op basis van artikel 20, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019) kan ook gevolgen hebben voor de berekening van het bedrag van de kinderbijslag.

Dat bedrag wordt berekend op basis van de concrete situatie van de wettelijke bijslagtrekkende en het rechtgevend kind.

Voor meer details, zie deel C van punt 2.1.5.2 (zie hierboven).

D. Toekenning van twee derde (2/3) van het bedrag van de kinderbijslag

Twee derde (2/3) van de kinderbijslag wordt uitbetaald aan de bevoegde overheid die de plaatsing in de instelling ten laste neemt.

E. Aanstelling van een bijzondere voogd

Indien het belang van het geplaatste kind dit vereist, kan de jeugdrechtbank van de hoofdverblijfplaats54In de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. van de ouders, de voogden of de personen die het kind onder hun hoede hebben een bijzondere voogd aanstellen55Artikel 20, vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019..

Het betreft een sommendelegatie waarbij de bijzondere voogd niet de hoedanigheid van bijslagtrekkende verwerft (zie punt 5.3.4).

Die aanstelling kan gebeuren op eenvoudig verzoek van een gezinslid.

Die voogd, die te allen tijde afzetbaar is, wordt ermee belast om over het derde (1/3) van de kinderbijslag te beschikken voor de behoeften van het kind.

De kinderbijslaginstelling is verplicht die aanstelling na te leven zodra het vonnis afdwingbaar is geworden via kennisgeving, onder voorbehoud van de voorwaarden in punt 5.6, en volgens het tijdseffect in punt 5.7.3.

Het bedrag van de kinderbijslag wordt berekend op basis van de bijslagtrekkende en/of het rechtgevend kind volgens de instructies in punt C hierboven.

2.1.5.3.2. Plaatsing in een instelling beslist in het kader van jeugdbescherming ten laste van de bevoegde overheid, met opening van een spaarrekening (toepassing van artikel 14 van de ordonnantie van 25 april 2019)

A. Algemene bepalingen

Artikel 14 van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt dat de kinderbijslag in de volgende situatie onder de vorm van forfaitaire bijslagen (zie punt B hieronder) wordt toegekend:

  1. Het rechtgevend kind is in een instelling geplaatst krachtens de regelgeving betreffende de jeugdbescherming;
  2. De plaatsing wordt ten laste genomen door de bevoegde overheid;
  3. Er is een spaarrekening op naam van het rechtgevend kind geopend om een deel van de kinderbijslag op te plaatsen;
  4. De beslissing om te betalen op die spaarrekening is genomen door:
  5. a) de jeugdrechtbank die de plaatsing in een instelling heeft opgelegd;
  6. b) de overheid, aangeduid door een Gemeenschap of door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, die heeft beslist om het kind te plaatsen. In dat verband behouden alle betrokkenen het recht om een vordering in te dienen bij de jeugdrechtbank van de hoofdverblijfplaats56In de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. van de ouders, voogden of personen die het kind onder hun bescherming hebben om die beslissing te betwisten.

B. Forfaitaire bedragen

Overeenkomstig artikel 14 van de ordonnantie van 25 april 2019 worden forfaitaire kinderbijslagbedragen toegekend. Die bedragen worden verhoogd als beide ouders van het kind overleden zijn of als de enige bekende ouder overleden is.

Daarnaast kan ook de toeslag voor kinderen met een aandoening worden toegekend, zoals bepaald in artikel 12 van de ordonnantie van 25 april 2019, als aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan.57Zie LC Proc 13.

De kinderbijslag wordt als volgt verdeeld tussen de spaarrekening op naam van het kind en de bevoegde overheid die de plaatsing ten laste neemt.

Merk op dat deze bedragen geïndexeerd worden:

  Spaarrekening geopend op naam van het rechtgevend kind Bevoegde overheid
Forfaitaire bijslag voor plaatsing (bedragen 01/2020)
Ouder(s) levend € 70 € 140
Beide ouders of enige bekende ouder overleden € 120 € 240
Toeslag voor kinderen met een aandoening
  1/3 van de toeslag 2/3 van de toeslag

C. Impact op de gezinsgrootte

Het rechtgevend kind dat aldus geplaatst wordt, wordt niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de gezinsgrootte in de zin van artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 201958Het geplaatste kind in de zin van artikel 14 van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de rang voor de toepassing van de overgangsmaatregel waarin artikel 39, tweede lid, van dezelfde ordonnantie voorziet..

Dat betekent, in voorkomend geval, dat het geplaatste rechtgevend kind niet in aanmerking kan worden genomen bij de berekening van de basiskinderbijslag of de sociale toeslagen die verbonden zijn aan het aantal kinderen in zijn oorspronkelijke gezin (zie punt 4.3.2 van CO GB 25).

2.1.5.3.3. Plaatsing in een instelling beslist in het kader van jeugdbescherming maar niet ten laste van de bevoegde overheid

Uitzonderlijk gebeurt de plaatsing in een instelling krachtens de regelgeving betreffende de jeugdbescherming, maar niet ten laste van de bevoegde overheid.

In dat geval is er niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 14 (toegelicht in punt 2.1.5.3.2 hierboven) of 20, tweede lid, (toegelicht in punt 2.1.5.3.1 hierboven) van de ordonnantie van 25 april 2019.

Bij dergelijke plaatsingen moet er worden nagegaan of artikel 20, eerste lid, (zie punt 2.1.5.2 supra) van de voormelde ordonnantie van toepassing is. Anders gezegd: er moet worden onderzocht of de plaatsing gebeurde door bemiddeling van een overheid of ten laste van een andere overheid dan degene die bevoegd is om het kind te plaatsen.

2.1.5.4. Bijzondere situaties

2.1.5.4.1. Kinderen die in het buitenland geplaatst zijn door een buitenlandse overheid

Wanneer een rechtgevend kind in het buitenland geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een buitenlandse overheid, en het recht op kinderbijslag verschuldigd is overeenkomstig een Europese verordening, bilaterale overeenkomst of algemene afwijking, moet de kinderbijslag betaald worden volgens de principes die toegelicht zijn in de punten 2.1.5.2 en 2.1.5.3.1.

Dat is een toepassing van het principe van de assimilatie van feiten (zie punt 1.3.2 van CO GB 24).

Ingeval van twijfel over de betaalregeling die op de plaatsing van het rechtgevend kind van toepassing is, kan de situatie worden voorgelegd via admin.ctrl@iriscare.brussels.

De volgende principes moeten echter worden toegepast:

- Voor de beoordeling van de hoedanigheid van "overheid" moet rekening worden gehouden met de specifieke situatie in elk land. In dat verband worden de kinderbijslaginstellingen gevraagd om de in punt 2.1.5.1 hierboven vermelde criteria naar analogie toe te passen;

- Als het rechtgevend kind in een instelling is geplaatst in het kader van de jeugdbescherming, moet de uitbetaling van 2/3 van de kinderbijslag of van de forfaitaire bedragen van 140 of 240 euro (niet geïndexeerd), bepaald in artikel 14 van de ordonnantie van 25 april 2019, om principiële en praktische redenen gebeuren aan de instelling waar het kind geplaatst is.

- Indien geen enkele Belgische rechtbank bevoegd is om te beslissen welke natuurlijke persoon het saldo van de kinderbijslag zal ontvangen, door het verblijf in het buitenland, kan de kinderbijslaginstelling beslissen om dat saldo uit te betalen op basis van de informatie waarover zij beschikt, met inbegrip van beslissingen van buitenlandse rechtbanken of overheden.

In voorkomend geval kan de integrale betaling van de kinderbijslag opgeschort worden tot de bijslagtrekkende zijn recht doet gelden.

2.1.5.4.2. Situaties die een plaatsing benaderen

A. Algemene bepalingen

Bepaalde situaties waarin de regelgeving betreffende de jeugdbescherming, jeugdhulp of bijzondere jeugdbijstand voorziet, benaderen een plaatsing en kunnen, onder de hieronder opgesomde voorwaarden, worden gelijkgesteld met een plaatsing voor de toepassing van artikel 20 van de ordonnantie van 25 april 2019.

In geval van twijfel over de betaalregeling die op de plaatsing van het rechtgevend kind van toepassing is, kan de situatie worden voorgelegd via admin.ctrl@iriscare.brussels.

Het gaat om maatregelen zoals begeleid zelfstandig wonen, tegenwoordig CBWA (contextbegeleiding in functie van autonoom wonen) genoemd, 'Trainingscentrum Kamerwonen' (TCK) of 'begeleiding in een kleinschalige wooneenheid' (KWE) binnen de Vlaamse Gemeenschap.

De jongere wordt geacht door bemiddeling of ten laste van een overheid in een instelling geplaatst te zijn, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  1. het rechtgevend kind is minderjarig.

Met andere woorden, een meerderjarige jongere die zich in een situatie bevindt die een plaatsing in een instelling benadert, kan niet meer als geplaatst beschouwd worden in de zin van artikel 20 van de ordonnantie van 25 april 2019. Dat geldt ook voor jongeren met verlengde minderjarigheid met voogd;

  1. de hulp- of ondersteuningsmaatregel die ten aanzien van de jongere wordt genomen, is vastgesteld in de toepasselijke nationale of gemeenschapsregelgeving;
  2. een overheid of een erkende instelling werd door de bevoegde overheid belast met het toezicht op of de begeleiding van de jongere.

Let op: Plaatsingen in een "semi-internaat" of "dagcentrum" vallen niet onder artikel 20 van de ordonnantie van 25 april 2019 en kunnen a fortiori niet worden beschouwd als situaties die een plaatsing benaderen zoals hier omschreven59In die gevallen wordt de kinderbijslag betaald aan de overeenkomstig artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019 aangewezen bijslagtrekkende.

In situaties die een plaatsing benaderen, moet de jongere worden beschouwd als geplaatst in de zin van artikel 20 van de ordonnantie van 25 april 2019, ook als hij niet meer fysiek in de instelling verblijft.

B. Aanwijzing van de bijslagtrekkende: Mutatis mutandis

Wanneer de jongere wordt opgevoed in een situatie die de plaatsing benadert en voldoet aan de voorwaarden bepaald in punt A, zijn de betaalregelingen vermeld onder de punten 2.1.5.2 of 2.1.5.3.1 naar analogie van toepassing.

2.1.5.4.3. Minderjarigen met een buitenlandse nationaliteit

Minderjarigen met een buitenlandse nationaliteit worden op 18 jaar als volwassen beschouwd voor de toepassing van de regelgeving inzake kinderbijslag voor geplaatste kinderen.

2.1.5.4.4. Wijziging van de plaatsingsvoorwaarden

Als de plaatsingsvoorwaarden gewijzigd worden, blijft de beslissing van de bevoegde overheid met betrekking tot het derde (1/3) van de kinderbijslag geldig.

Bijvoorbeeld:

Een rechtgevend kind word door de jeugdrechtbank achtereenvolgens geplaatst in een instelling ten laste van Agentschap Opgroeien daarna in een instelling ten laste van het VAPH. Als het tweede plaatsingsbericht geen melding maakt van de bestemming van het 1/3de, dan wordt de eerdere beslissing van de jeugdrechtbank verder toegepast.

Die beslissing kan alleen worden herzien als het belang van het kind dat vereist.

Die wijziging van de plaatsing leidt tot een aanpassing van de betaling van de twee derden (2/3). Aangezien de plaatsing niet langer ten laste van de bevoegde overheid is, wordt twee derde van de kinderbijslag aan de instelling betaald.

2.1.5.4.5. Weglopen van een kind dat in een instelling geplaatst is of in een situatie die een plaatsing benadert

Wanneer een kind in een instelling geplaatst is overeenkomstig artikel 14 of 20 van de ordonnantie van 25 april 2019, of zich in een situatie bevindt die een plaatsing benadert (op voorwaarde dat de daaraan verbonden voorwaarden worden nageleefd), blijven de verdeelsleutel – een derde (1/3); twee derde (2/3) – en de toekenningsregel (bijslagtrekkende/geopende rekening; bevoegde overheid/instelling) van toepassing zolang de plaatsingsmaatregel niet wordt opgeheven.60Cass. (derde kamer), 9 september 1996, AR nr. S.96.0008.N.

Wanneer de plaatsing echter wordt opgeheven, moet de bijslagtrekkende worden aangewezen volgens de algemene regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende zoals uitgelegd in punt 2.1.

2.1.5.4.6. Internering

De internering is een veiligheidsmaatregel, geen straf, die wordt opgelegd aan een persoon die een wanbedrijf of misdaad heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt en die op het ogenblik van de beslissing aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast.61Art. 9 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, BS 9 juli 2014.

Enerzijds strekt de internering ertoe de maatschappij te beschermen dit om te voorkomen dat de betrokken persoon meer schade aanricht in de maatschappij en/of nieuwe slachtoffers maakt.

Anderzijds wordt de interneringsmaatregel opgelegd om de betrokken persoon een gepaste behandeling te geven.

Het gaat dus niet om een detentie, zoals toegelicht in punt 2.1.9.

Zowel de internering als de eventuele voorafgaande inobservatiestelling62Wanneer iemand zich in voorlopige hechtenis bevindt, en wanneer er in het forensisch psychiatrisch onderzoek vermeld wordt dat er een observatie noodzakelijk is om zich uit te spreken over een mogelijke geestesstoornis, kan er een inobservatiestelling gevorderd worden. moeten worden beschouwd als een plaatsing in een instelling door bemiddeling of ten laste van een overheid. Deze situatie wordt geregeld door artikel 20, van de ordonnantie van 25 april 2019, zoals supra toegelicht in de punten 2.1.5.2 en 2.1.5.3.

Indien er een bewindvoerder gemachtigd wordt om het saldo (1/3e) van de kinderbijslag te ontvangen, dan moet daaraan gevolg worden gegeven overeenkomstig de modaliteiten in (punt 5.4.7)

2.1.5.5. Begin en einde van de betalingen

Een rechtgevend kind moet als geplaatst worden beschouwd zodra de plaatsingsbeslissing van kracht is geworden en zolang deze niet is opgeheven63Cass. (derde kamer), 9 september 1996, AR nr. S.96.0008.N.

Alle betalingen die verband houden met een periode waarin een recht bestaat dat onder een plaatsing valt in de zin van de ordonnantie van 25 april 2019 moeten de verdeelsleutel voor de kinderbijslag (1/3 - 2/3) en de bijbehorende betalingsvoorwaarden naleven.

Merk op dat de kinderbijslaginstelling, in voorkomend geval, het beginsel van de betaling te goeder trouw zal toepassen – als de daaraan verbonden voorwaarden vervuld zijn – voor elke betaling aan een schijnbare bijslagtrekkende, die dan als definitief en bevrijdend zal worden beschouwd (zie CO GB 26). In het andere geval kunnen de betalingen geregulariseerd worden.

De regels voor de wijziging van de bijslagtrekkende, zij het aan het begin, tijdens of aan het einde van de plaatsing, zijn verduidelijkt in punt 4.

2.1.5.6. Gegevensuitwisseling over de plaatsing van een kind in een instelling

De procedure inzake de gegevensuitwisseling i.v.m. geplaatste rechtgevende kinderen in een instelling verschilt naargelang het type plaatsing en naargelang de Gemeenschap waartoe de plaatsende overheid behoort.

2.1.5.6.1. Het geplaatst kind in een instelling in de Franse/Duitstalige Gemeenschap

A. Melding van de plaatsing

Het formulier D227 wordt ambtshalve afgeleverd door de plaatsende overheid inzake jeugdzorg voor de Franse Gemeenschap (Administration Générale de l'Aide à la Jeunesse-AGAJ) of de Duitse Gemeenschap (Ministerium der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens, Abteilung Jugendhilfedienst) aan de bevoegde kinderbijslaginstelling. De D227 heeft als bijzondere finaliteit de kinderen te signaleren voor wie ten aanzien van de plaatsende overheid een bijzondere (collectieve) betalingsmodaliteit geldt.

Het formulier D227 laat toe te bepalen of een het plaatsing betreft

  • met kosten: ten laste van de Gemeenschap (= met financiële tussenkomst van de AGAJ of de Jugendhilfedienst ) : het 2/3de wordt betaald aan de Gemeenschap.
  • zonder kosten: zonder financiële tussenkomst van een Gemeenschap (enkel door bemiddeling van de AGAJ of door bemiddeling of ten laste een andere overheid (bv. OCMW, AVIQ,..): het 2/3de wordt betaald aan de instelling.

Wanneer het kind niet ten laste is van een instelling voor jeugdzorg van de Franse of Duitstalige Gemeenschap, neemt de instelling doorgaans zelf contact op met de bevoegde kinderbijslaginstelling.

Een plaatsing kan ook gemeld worden door het gezin zelf (bij vrijwillige plaatsing).

Wanneer een kinderbijslaginstelling een plaatsingsbericht ontvangt en niet (meer) bevoegd is voor het dossier, dan wordt de informatie onverwijld doorgestuurd naar de bevoegde kinderbijslaginstelling.

B. Onderzoek van de plaatsingsvoorwaarden en bepaling van de bestemming van het 1/3de

De kinderbijslaginstelling stuurt na ontvangst van het bericht van de plaatsing een formulier P3a aan de instelling ter controle van de plaatsingsvoorwaarden (vragen 2-3-4).

Bij een plaatsing zonder kosten (=zonder financiële tussenkomst van een Gemeenschap, door bemiddeling van de gemeenschapsoverheid of door bemiddeling of ten laste van een andere overheid) wordt tevens aan de hand van de gegevens bekomen met het P3a formulier de bijslagtrekkende van het 1/3de van de kinderbijslag geverifieerd: betaling aan moeder of de natuurlijke persoon zoals bepaald in artikel 19 (vraag 5 op formulier P3a) of betaling op een spaarrekening op naam van het kind.

Bij een plaatsing met kosten (ten laste van de AGAJ of Duitstalige Gemeenschapsoverheid) wordt de bestemming van het 1/3de (natuurlijke persoon of spaarrekening op naam het kind) meegedeeld door de plaatsende overheid. Als deze informatie niet rechtstreeks wordt meegedeeld in het D227-bericht dient daartoe de Gemeenschap te worden bevraagd (Contactadres vermeld in het plaatsingsbericht of email AGAJ: allocationsfamiliales.dgaj@cfwb.be)

Wanneer een plaatsing zonder financiële tussenkomst van een Gemeenschap onmiddellijk werd voorafgegaan door een plaatsing ten laste van een gemeenschap en daarbij de bestemming van het 1/3de werd bepaald, dan blijft deze beslissing verder gehandhaafd.

2.1.5.6.2. Het geplaatst kind in een instelling van de Vlaamse Gemeenschap

Ingevolge het decreet van 12 juli 2013 betreffende de Integrale jeugdhulp (IJH) dat leidde tot een reorganisatie van de jeugdhulpverlening in Vlaanderen, kan er geen zuiver onderscheid gemaakt worden tussen een kind geplaatst in een instelling door bemiddeling of ten laste van een overheid (artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019) en een kind geplaatst met toepassing van de reglementering betreffende de jeugdbescherming ten laste van de bevoegde overheid (artikel 14 en artikel 20, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019), omdat er geen afzonderlijke reglementering inzake jeugdbescherming meer bestaat. Voor de administratieve afhandeling van voornoemde bepalingen gelden onderstaande richtlijnen.

Er is een onderscheid in de procedure tussen plaatsingen in een instelling via:

  • VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap) of CKG (Centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning): het 2/3de wordt betaald aan de instelling;
  • Jeugdhulp: het 2/3de wordt betaald aan het Agentschap Opgroeien (bij plaatsing in een instelling van Opgroeien of aan het Agentschap Justitie en Handhaving (plaatsing in een instelling van Justitie)

2.1.5.6.3. Plaatsing via Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) of Centrum kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG)

A. Melding van de plaatsing

Als een rechtgevend kind geplaatst is in een instelling via het VAPH of via CKG, dan worden de gegevens over de plaatsing meegedeeld met een plaatsingsbericht door de instelling. Brieven of e-mails zonder vermelding 'D227', waarmee kennisgeving wordt gedaan van het begin/einde plaatsing of eender welke andere wijziging worden aanvaard, omdat ze worden geacht afkomstig te zijn uit de authentieke bron.

Voor het geplaatst kind wordt de verdeelsleutel 1/3 -2/3 toegepast waarbij het 2/3de toekomt aan de instelling.

B. De betaling van het 1/3de

Bij plaatsingen via het VAPH of CKG wordt het 1/3de in principe uitbetaald aan de bijslagtrekkende voor de plaatsing (aanwijzing van de bijslagtrekkende bedoeld in artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019).

Wanneer de plaatsing via het VAPH of CKG echter onmiddellijk volgt op een plaatsing via Jeugdhulp en het 1/3de werd betaald op een spaarrekening op naam van het kind, dan wordt deze beslissing ook verder toegepast voor de plaatsing via VAPH of CKG (plaatsing artikel 14 van de ordonnantie van 25 april 2019).

Er kan echter altijd een nieuwe beslissing over het 1/3de worden genomen door de plaatsende instantie (jeugdrechtbank of Toegangspoort). In dit geval zal deze nieuwe beslissing moeten worden gevolgd.

Wanneer de instelling in het plaatsingsbericht meedeelt dat de Jeugdrechtbank de beslissing over de betaling van het 1/3de nog moet nemen (plaatsing art 14 of art 20, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019), dan wordt het 1/3de in afwachting van het vonnis betaald aan de bijslagtrekkende voor de plaatsing.

Bij ontvangst van het vonnis wordt het 1/3de betaald volgens de uitspraak in het vonnis vanaf de maand van ontvangst van het vonnis, rekening houdend met een eventuele wijziging van de bijslagtrekkende of ontvanger van het 1/3de .

Er kan ook beslist worden dat het 1/3de moet worden betaald op een spaarrekening op naam van het kind. De wijziging heeft uitwerking vanaf de maand volgend op ontvangst van het vonnis.

2.1.5.6.4. Plaatsingen via Jeugdhulp (opgroeien)

A. Melding van de plaatsing en bestemming van het 1/3de via D227

Bij een plaatsing in een instelling via Jeugdhulp (Opgroeien), wordt de plaatsing en de beslissing over de bestemming van het 1/3de steeds meegedeeld aan de hand van een officieel plaatsingsbericht (D227) dat alle nodige informatie bevat, zoals de:

  • melding van plaatsing: gegevens geplaatst kind (naam, rijksregisternummer, etc.), adres voorziening, gegevens plaatsende instantie, of de instelling ressorteert onder Agentschap Opgroeien of onder Justitie en Handhaving, begindatum plaatsing (en eventueel einddatum)64Als de D227 een begin- en een einddatum van een plaatsing meedeelt, en er volgt op of na de einddatum geen nieuw plaatsingsbericht, dan is de plaatsing ook effectief beëindigd. Er dient hierover geen informatie te worden opgevraagd bij Opgroeien.;
  • melding bij wijziging plaatsing: vb. verandering van instelling, verlenging van plaatsing65Een nieuw plaatsingsbericht met de oorspronkelijke ingangsdatum, maar met een nieuwe einddatum wordt aanzien als een verlenging van de lopende plaatsing en niet als een nieuwe plaatsing. Als de ingangsdatum van de plaatsing niet de oorspronkelijke plaatsingsdatum is wordt dit beschouwd als een nieuwe plaatsing.;
  • melding einde plaatsing;
  • beslissing over de betaling van het 1/3de of wijziging van het 1/3de.

Het D227-bericht is de authentieke bron. De gegevens in de D227 zijn in principe correct en volledig.

Bij klachten van de betrokkenen of als er manifeste vergissingen worden vastgesteld, wordt er alsnog contact opgenomen met het Agentschap. Ook bij tegenstrijdigheden tussen de vermeldingen in D227 en andere informatie die twijfel doet ontstaan over de correctheid van de betaling, nemen de kinderbijslaginstellingen contact op met het Agentschap om de juiste situatie vast te stellen.

B. De betaling 1/3de - 2/3de

De dispatching van de plaatsingsberichten gebeurt door het Agentschap Opgroeien, dat zowel voor plaatsingen in instellingen van Opgroeien als voor plaatsingen in instellingen van Justitie en Handhaving de plaatsingsberichten verstuurt.66De bevoegdheid over de gemeenschapsinstellingen wordt vanaf 1 januari 2026 overgedragen van het Agentschap Opgroeien naar het Agentschap Justitie en Handhaving. De plaatsingen in een Gemeenschapsinstelling die gestart zijn in 2025 en doorlopen in 2026 zullen als volgt gemeld worden via de D227 : Er zal een D227 met einddatum 31/12/2025 verstuurd worden vanuit Opgroeien om te melden dat de 2/3de inhouding ten gunste van Opgroeien stopt op 31/12/2025 Er zal een D227 met startdatum 01/01/2026 verstuurd worden vanuit Agentschap Justitie en Handhaving om te melden dat de 2/3de inhouding ten gunste van Agentschap Justitie en Handhaving start vanaf januari 2026.

Ingeval het een plaatsing betreft in een instelling van Opgroeien, wordt het 2/3de van de gezinsbijslag aan Opgroeien betaald. De betalingen worden gegroepeerd en maandelijks met één enkele overschrijving uitgevoerd op het rekeningnummer van Opgroeien BE44 3751 1176 0045. Tevens wordt maandelijks een detaillijst van de afrekeningen bezorgd aan Opgroeien.

Betreft het een instelling van Justitie en Handhaving, dan dient 2/3de van de gezinsbijslag vanaf 1 januari 2026 (rechtsmaand januari) gestort te worden op rekeningnummer: BE 74 3751 1175 6207 op naam van ‘KBBJ AJH Groeipakket’. De maandelijkse lijst met details van de betaling voor deze kinderen dient bezorgd te worden aan financien.ajh@vlaanderen.be. Terugvorderingen of andere correspondentie dienen eveneens via dit adres te gebeuren voor de betalingen naar aanleiding van een plaatsing in een instelling van Justitie en Handhaving.

Wanneer een kinderbijslaginstelling een D227 ontvangt en niet (meer) bevoegd is voor het dossier, dan wordt de D227 onverwijld doorgestuurd naar de bevoegde kinderbijslaginstelling met plaatsingen@opgroeien.be in CC.

C. Informatie van Opgroeien

Als de bijslagtrekkende niet akkoord is met de gegevens in de D227, dient deze zelf contact op te nemen met Jeugdhulp (Opgroeien) zodat een gecorrigeerde D227 kan gestuurd worden.

Als er geen bestemming van het 1/3de wordt vermeld en de kinderbijslaginstelling is niet op de hoogte van een vorige beslissing, dan dient een financiële beslissing/duplicaat van de vorige beslissing te worden aangevraagd via plaatsingen@opgroeien.be. In afwachting van de financiële beslissing of het duplicaat van de vorige beslissing wordt de betaling niet uitgevoerd.

Opgelet: Indien er reeds een beslissing was bij dezelfde plaatsende instantie, dan zal de D227 niets vermelden bij de bestemming van het 1/3de. In dergelijk geval kan de voorgaande beslissing verder worden toegepast.

Als de D227 een einddatum in de toekomst bevat en er wordt geen bericht van verlenging ontvangen dan stopt de plaatsing op de einddatum.

Wanneer de D227 geen einddatum bevat dan loopt de plaatsing door. Als er geen einddatum vermeld wordt op de oorspronkelijke D227 en er geen bericht van einde plaatsing wordt ontvangen op het moment dat het kind meerderjarig wordt dan loopt de plaatsing door na de meerderjarigheid. Jeugdhulp stuurt enkel een bericht van einde plaatsing op het moment dat de plaatsing effectief stopt.

Het e-mail adres plaatsingen@opgroeien.be is het unieke aanspreekpunt voor alle vragen over de plaatsing en de betaling van het 1/3de zowel bij een plaatsing in een instelling van Opgroeien als bij een plaatsing in een instelling van Justitie en Handhaving.

2.1.5.6.5. Algemene richtlijnen

A. Opvolging van de plaatsing met formulier P3A

Met het formulier P3a wordt onderzocht of aan de voorwaarden inzake plaatsing door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling is voldaan.

Het moet worden gestuurd aan de instelling na ontvangst van het plaatsingsbericht en vervolgens jaarlijks op 5 september, alsook bij het einde of wijziging van de plaatsingsmaatregel door de administratieve of gerechtelijke overheid. Ook wanneer het kind meerderjarig wordt, wordt dit gestuurd om na te gaan of de plaatsingsmaatregel van kracht blijft.

Met het formulier wordt tevens nagegaan wie zich om het kind bekommert en of dit in overeenstemming is met de persoon die aangeduid werd als de bijslagtrekkende van het 1/3de .

Wanneer volgens het formulier de eerder aangeduide bijslagtrekkende van het 1/3de zich niet langer om het kind bekommert, worden de betalingen geschorst en dienen de kinderbijslaginstellingen deze gevallen te signaleren aan de bevoegde overheid die een nieuwe beslissing zal nemen.

B. Verwerkingstermijn

Er geldt een verwerkingstermijn van 30 kalenderdagen vanaf de ontvangst van het plaatsingsbericht. Bij laattijdige verwerking van het plaatsingsbericht door de kinderbijslaginstelling kan de betaling te goeder trouw niet worden ingeroepen. Deze betalingen dienen geregulariseerd te worden, met betaling van het 2/3de aan de instelling of de Gemeenschapsoverheid.

C. Informatie-en motiveringsplicht

  • Bij het begin van de plaatsing wordt de oorspronkelijke bijslagtrekkende ervan op de hoogte gebracht dat hij/zij nog slechts een derde van de kinderbijslag zal ontvangen, of desgevallend helemaal niets meer.
  • Ingeval het 1/3de moet betaald worden op een spaarrekening wordt een nieuw dossier gecreëerd voor de betaling aan het geplaatste kind. De kinderbijslaginstellingen dienen de regulator ctrl@iriscare.brussels op de hoogte te brengen van deze dossiers (dossiers die buiten het aansluitingsmechanisme vallen)67Cf. dienstbrief LC Proc 15 van 18 maart 2022..

Bij een plaatsing zonder kosten wordt aan de instelling en aan de bijslagtrekkende van het 1/3de (maar niet aan de jongere met de spaarrekening) per trimester een afrekening (D228N) gestuurd van de twee derden die betaald werden aan de instelling. Aan de desbetreffende Gemeenschap (indien ten laste van jeugdzorg) wordt maandelijks een borderel verstuurd. Er moet geen D228N verstuurd worden aan de gemeenschappen.

2.1.6. Plaatsing bij een privépersoon

Artikel 13 van de ordonnantie van 25 april 2019 voorziet in een forfaitaire bijslag voor de plaatsing bij een privépersoon wanneer het rechtgevend kind geplaatst wordt bij een privépersoon door bemiddeling of ten laste van een overheid.

Ter informatie: in de administratieve praktijk wordt deze plaatsing gewoonlijk een "plaatsing bij een pleeggezin" genoemd.

De ordonnantie maakt dus een onderscheid tussen de eigenlijke kinderbijslag die verschuldigd is aan het pleeggezin en de forfaitaire bijslag die verschuldigd is aan het oorspronkelijke gezin (de forfaitaire bijslag).

Hieronder volgen de instructies voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende voor de kinderbijslag. De aanwijzing van de bijslagtrekkende voor de forfaitaire bijslag wordt daarentegen besproken in punt 2.4.

Meer specifiek zullen de volgende punten worden behandeld:

  • definities (zie punt 2.1.6.1);
  • aanwijzing van de bijslagtrekkende van de kinderbijslag (zie punt 2.1.6.2);
  • aanwijzing van de bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag (zie punt 2.1.6.3) dat verwijst naar punt 2.4;
  • bijzondere situatie van een dubbele plaatsing bij een privépersoon en in een instelling (zie punt 2.1.6.4);
  • gegevensuitwisseling (zie punt 1.6.5).

2.1.6.1. Definities

Om de forfaitaire bijslag voor de plaatsing bij een pleeggezin te ontvangen, moet het rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van een overheid bij een privépersoon geplaatst zijn.

Die begrippen worden hieronder toegelicht.

A. Privépersoon:

De privépersoon verwijst naar de pleegouder die, binnen het pleeggezin waarin het kind voor een korte of lange periode wordt geplaatst, de zorg, het toezicht en de begeleiding op zich neemt voor het rechtgevend kind dat niet bij zijn oorspronkelijke gezin kan of mag blijven68L. HOFKENS en J. PUT, 'De impact van een uithuisplaatsing op de toekenning en uitbetaling van gezinsbijslagen', TSR 2025/1, 13..

B. Overheid:

De overheid is de Belgische of buitenlandse overheid die opgetreden is bij de plaatsing.

Het kan onder andere gaan om:

  • een jeugdrechtbank;
  • een openbare instelling voor jeugdhulp (Vlaamse Gemeenschap: Agentschap Jongerenwelzijn/Intersectorale toegangspoort, Franse Gemeenschap: Direction générale de l'Aide à la Jeunesse en Duitstalige Gemeenschap: Jugendhilferat);
  • een openbare instelling voor bijstand aan personen met een handicap (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)): Vlaanderen en Nederlandstaligen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest/Intersectorale toegangspoort; de Brusselse dienst PHARE (SBFPH): Service bruxellois Personne Handicapée Autonomie Recherchée: Franstaligen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Agence pour une Vie de Qualité (AVIQ): Wallonië, Dienststelle für Personen mit Behinderung (DPB): Duitstalige Gemeenschap;
  • andere openbare instellingen.

Let op, de volgende instellingen zijn geen overheidsinstanties:

  • adoptiediensten;
  • pleegzorgdiensten.

C. Door bemiddeling of ten laste van:

  • door bemiddeling van een overheid: door administratieve tussenkomst, zonder tegemoetkoming in de kosten van de plaatsing;
  • ten laste van een overheid: met gedeeltelijke of volledige tegemoetkoming in de kosten van de plaatsing.

2.1.6.2. Aanwijzing van de bijslagtrekkende van de kinderbijslag

De kinderbijslag zelf wordt uitbetaald volgens de algemene regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende.

Concreet betekent dit dat de kinderbijslag in principe69Onverminderd de toepassing van artikel 19, § 2 (zie punt 2.1.4 ), § 3 (zie punt 2.1.7) en § 5 (zie punt 5), van de ordonnantie van 25 april 2019. wordt uitbetaald aan de persoon die daadwerkelijk het kind opvoedt (zie punt 2.1.2) in het pleeggezin, overeenkomstig artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019. In principe is dat de pleegouder:

  • het kind wordt aan een persoon toevertrouwd: die persoon is de bijslagtrekkende;
  • het kind wordt aan een koppel toevertrouwd: de pleegmoeder of de oudste van de pleegouders van gelijk geslacht is de bijslagtrekkende;
  • In geval van twijfel over de persoon die daadwerkelijk het kind opvoedt geldt de procedure beschreven onder punt 2.1.1.2, met uitsluiting van de FASE I. Het betreft immers een loutere aanwijzing van de bijslagtrekkende in de zin van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Indien de initiële bijslagtrekkende in een dergelijke situatie aan de hand van formulier Decl. OP-EL (bijlage 2) probeert aan te tonen dat hij het kind nog steeds opvoedt, maar daar niet in slaagt, wordt de bijslagtrekkende aangeduid op basis van de hoofdverblijfplaats volgens de gegevens uit het Rijksregister.

De aanwijzing van de nieuwe bijslagtrekkende gebeurt volgens de bewijsmiddelen die worden toegelicht in punt 2.1.2.2.

Het bedrag van de gezinsbijslag wordt berekend op basis van de situatie van de bijslagtrekkende zelf, die van zijn gezin en die van het rechtgevend kind (wezentoeslag, verhoging voor een aandoening, leeftijdstoeslag, enz.).

Wat de gezinsgrootte betreft, wordt het geplaatste kind in aanmerking genomen bij de bepaling van de grootte van het pleeggezin (zie punt 4.3.2 van CO GB 25). Bijgevolg wordt het niet meer in aanmerking genomen voor de gezinsgrootte van zijn oorspronkelijke gezin.

Wanneer de plaatsing afgelopen is, wordt de kinderbijslag toegekend aan de overeenkomstig artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019 aangewezen bijslagtrekkende.

2.1.6.3. Aanwijzing van de bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag

Zie punt 2.4 : forfaitaire bijslag voor de plaatsing bij een privépersoon.

2.1.6.4. Dubbele plaatsing - bij een privépersoon en in een instelling

In het geval van een dubbele plaatsing, waarbij het kind zowel bij een privépersoon als in een instelling is geplaatst, moet worden nagegaan of de plaatsing in een instelling:

  • het gevolg is van de toepassing van artikel 20 van de ordonnantie van 25 april 2019;
  • of op initiatief van het pleeggezin is gebeurd.

2.1.6.4.1. Plaatsing in een instelling op basis van artikel 20 van de ordonnantie van 25 april 2019

A) artikel 20, eerste lid:

  • 1/3 van de kinderbijslag wordt aan het pleeggezin betaald;
  • 2/3 van de kinderbijslag wordt aan de instelling betaald;
  • in voorkomend geval kan een forfaitaire bijslag worden betaald aan de bijslagtrekkende die de kinderbijslag ontving voorafgaand aan de plaatsing.

B) artikel 20, tweede lid:

  • 2/3 van de kinderbijslag wordt betaald aan de overheid die de plaatsing ten laste neemt.
  • Het resterende derde van de kinderbijslag wordt als volgt toegekend:
    • Als er een beslissing is genomen door de jeugdrechtbank of de bevoegde overheid, is de betaling ten voordele van de aangewezen bijslagtrekkende. Er kunnen zich daarbij 2 hypothese voordoen:
      • Als het derde aan het pleeggezin wordt toegewezen, kan een forfaitaire bijslag worden betaald aan de bijslagtrekkende die de kinderbijslag ontving voorafgaand aan de plaatsing;
      • Als het derde wordt toegewezen aan de bijslagtrekkende die de kinderbijslag ontving voorafgaand aan de plaatsing, is er geen forfaitaire bijslag verschuldigd (zie punt 2.4).
    • Als er nog geen beslissing is genomen, moet de jeugdrechtbank of de bevoegde overheid worden bevraagd over de toewijzing van het resterende derde van de kinderbijslag (zie punt 1.5.3.1).

2.1.6.4.2. Plaatsing in een instelling op initiatief van het pleeggezin (buiten het toepassingsgebied van art. 14 of 20)

Wanneer de plaatsing in een instelling niet onder het toepassingsgebied van artikel 14 of 20 van de ordonnantie van 25 april 2019 valt, wordt de kinderbijslag aan het pleeggezin toegekend.

Het gaat met andere woorden om een plaatsing in een instelling die noch administratief wordt georganiseerd, noch door een (bevoegde) overheid ten laste wordt genomen.

Er kan een forfaitaire bijslag aan het oorspronkelijke gezin worden betaald.

2.1.6.5. Gegevensuitwisseling over de plaatsing van een rechtgevend kind bij een privépersoon

A. Melding van de plaatsing (begin/einde/wijziging plaatsingsmaatregel)

De kinderbijslaginstelling wordt ingelicht over de plaatsing in een pleeggezin hetzij via een officiële kennisgeving met het plaatsingsbericht D227 door de plaatsende overheid (AGAJ of Jugendhilferat) of bij plaatsingen onder bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap door de Pleegzorgdiensten. Dit document vermeldt:

  • De gegevens van het pleeggezin;
  • De begin- en/of einddatum van de plaatsing;
  • de instantie die de beslissing tot plaatsing heeft genomen;
  • de informatie of de plaatsing al dan niet ten laste is van deze instantie;
  • in voorkomend geval, of de begunstigde van de forfaitaire bijslag voor het kind blijft zorgen

Voor alle ontbrekende informatie in het formulier moet om verduidelijking worden gevraagd bij de plaatsende instantie.

De kinderbijslaginstelling kan ook ingelicht worden over een plaatsing in een pleeggezin via informatie van het (pleeg)gezin, een vonnis, een attest, verklaring … waarbij na de melding van de plaatsing nader onderzoek dient te gebeuren (D227 opvragen, verzending P3b, zie infra punt B)

B. Verzending Controleformulier P3b

Bij plaatsingen door een overheid van de Franse/Duitstalige Gemeenschap wordt na ontvangst van de D227 of een melding van de plaatsing in een andere vorm een formulier P3b naar het pleeggezin gestuurd, waarmee wordt nagegaan of voldaan is aan voorwaarden inzake plaatsing door een openbare overheid bij een particulier.

Bij plaatsingen ten laste van de gemeenschap (antwoord bij vraag 3 op het formulier =ja) volstaat het ingevulde formulier P3b voor het aanvatten van de provisionele betaling, maar moet de ontvangst van de D227 worden opgevolgd.

Het formulier P3b wordt vervolgens jaarlijks op 5 september gestuurd, alsook bij de intrekking of wijziging van de plaatsingsmaatregel door de administratieve of gerechtelijke overheid.

Ingevolge het Pleegzorgdecreet van 29 juni 2012 werd voor pleegplaatsingen onder bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap de verzending van het formulier P3b afgeschaft en volstaan de kennisgevingsberichten D227 bezorgd door de diensten van Pleegzorg Vlaanderen.

C. Toekenning van de forfaitaire bijslag artikel 13 Ordonnantie

In principe wordt de forfaitaire bijslag toegekend aan de bijslagtrekkende voor de plaatsing (zie punt 2.4). Dit gegeven wordt meegedeeld in het plaatsingsbericht of de kinderbijslaginstelling ontvangt deze informatie via het brevet van het fonds dat voorheen betaalde voor het geplaatste kind of consulteert daartoe het Kadaster van de kinderbijslag.

Het kind moet geplaatst zijn in een pleeggezin door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid om het recht te openen op de forfaitaire bijslag. De betaling van de forfaitaire bijslag kan maar gestart worden naar aanleiding van de kennisgeving van de plaatsing, door de plaatsende overheid.

Het komt niet aan de kinderbijslaginstellingen toe om de opportuniteit van het toekennen van het recht op de forfaitaire toeslag te beoordelen: hun opdracht bestaat erin de beslissing van de plaatsende overheid toe te passen, binnen de grenzen van artikel 19, § 4, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Voorbeeld:

Het rechtgevend kind wordt geplaatst bij een particulier door bemiddeling of ten laste van een overheid. Deze overheid vermeldt in het 'bericht' D227 dat de forfaitaire bijslag moet worden gestort op een spaarrekening op naam van het kind.

Een dergelijke praktijk kan niet worden uitgevoerd, aangezien zij in strijd is met de bepalingen van de ordonnantie van 25 april 2019.

De kinderbijslaginstelling mag de forfaitaire bijslag dus niet storten op de spaarrekening op naam van het kind.

Bij afwezigheid van een bijslagtrekkende voor de forfaitaire bijslag wordt de betaling op deze bijslag geschorst totdat er een bijslagtrekkende kan worden aangeduid.

Het recht op de forfaitaire bijslag ontstaat op de eerste dag van de maand volgend op die van de kennisgeving van de plaatsing, ook al is de kennisgeving gedateerd op de eerste dag van de maand.

Wanneer de kinderbijslaginstelling de betaling van de forfaitaire bijslag aanvangt, stuurt het een kennisgeving hiervan naar de plaatsende overheid door middel van het modelForfaitaire art13-Autorité-Overheid (zie bijlage 15), zodat deze laatste de verstandhouding tussen het geplaatste kind en het gezin van oorsprong kan opvolgen en desgevallend kan signaleren dat de betaling van deze bijslag moet stopgezet worden of aan een andere persoon toekomt.

Het recht op forfaitaire bijslag kan enkel ingetrokken worden op aangeven van de plaatsende overheid. Deze laatste is als enige bevoegd om te oordelen over het recht van de oorspronkelijke bijslagtrekkende om de forfaitaire bijslag te ontvangen. Indien de kinderbijslaginstelling van de plaatsende overheid een verzoek tot stopzetting van betaling van de forfaitaire bijslag ontvangt, eindigt het recht op deze bijslag vanaf de maand volgend op deze kennisgeving.

Enkel de plaatsende overheid kan vaststellen dat de bijslagtrekkende geen regelmatig contact meer onderhoudt met het kind of geen blijk meer geeft van belangstelling voor het kind, en kan aldus oordelen of de forfaitaire bijslag verder mag uitbetaald worden.

De kinderbijslaginstelling moet echter informatie – die haar spontaan werd meegedeeld – waaruit blijkt dat de bijslagtrekkende zich niet langer bekommert om het kind doorgeven aan de bevoegde overheid. De kinderbijslaginstelling mag evenwel nooit op eigen houtje beslissen om de forfaitaire bijslag stop te zetten omwille van een schijnbaar gebrek aan contact tussen het gezin van oorsprong en het geplaatste kind.

In geval van een duidelijk gebrek aan belangstelling voor het kind (bijvoorbeeld het achterlaten van een wees), zonder dat de plaatsende overheden reageren of in geval van tegenstrijdige informatie hierover, is de kinderbijslaginstelling verplicht om de situatie te melden via admin.ctrl@iriscare.brussels.

D. Wat bij de meerderjarigheid van het geplaatste kind?

Bij pleegplaatsingen binnen de sector jeugdhulp onder de bevoegdheid van de Franse/Duitstalige gemeenschap wordt n.a.v. de meerderjarigheid van het geplaatst kind een controleformulier P3b verstuurd om na te gaan of de plaatsingsmaatregel van kracht blijft na de meerderjarigheid.

In afwachting van de ontvangst van het formulier worden de betalingen geschorst

Bij pleegplaatsingen door de Vlaamse Gemeenschap worden verlengingen van pleegplaatsingen na de meerderjarigheid (mogelijk tot de leeftijd van 21 jaar) door Pleegzorg Vlaanderen meegedeeld met het bericht D227. Wat betreft de mededelingen van verlengingen van pleegplaatsingen werden met Pleegzorg Vlaanderen volgende afspraken gemaakt:

  • de vermelding van een einddatum van de plaatsing bij mededeling van het begin van de pleegplaatsing houdt de mededeling van latere verlengingen in;
  • geen vermelding van de einddatum van de plaatsing bij mededeling van het begin van de plaatsing betekent dat de betaling van de kinderbijslag wordt voortgezet tot bij de mededeling van de einddatum van de plaatsing; tussentijdse verlengingen worden niet meegedeeld.

E. Informatie -en motiveringsplicht

  • De oorspronkelijke bijslagtrekkende moet ervan op de hoogte worden gebracht dat hij of zij niet langer de kinderbijslag ontvangt voor het geplaatste kind bij aanvang van de plaatsingsmaatregel aan de hand van de module STOP art 19 §1 al 1 (zie bijlage 1) of aan de hand van de module STOP BT-AL art 19 § 1 al 2 (zie bijlage 12) . Aan de nieuwe bijslagtrekkende deelt men mee dat de kinderbijslag voortaan aan hem of haar wordt uitbetaald. Ook het einde van de plaatsingsmaatregel dient aan de betrokkenen te worden
  • In voorkomend geval, wanneer de bijslagtrekkende in het pleeggezin aangesloten is bij een andere kinderbijslaginstelling, wordt een brevet overgemaakt naar de bevoegde instelling. Indien de bijslagtrekkende in het pleeggezin binnen de 120 dagen na het verwerven van de hoedanigheid van bijslagtrekkende nog niet is aangesloten bij een instelling, wordt deze ambtshalve aangesloten bij de instelling is bij een kinderbijslaginstelling die voorheen de kinderbijslag betaalde voor het geplaatste kind.
  • Wanneer de forfaitaire bijslag verschuldigd is, wordt de toekenning hiervan meegedeeld aan de bijslagtrekkende van voor de plaatsing of aan de begunstigde die werd aangeduid door de plaatsende overheid (zie module 'Forfaitaire art. 13-Autorité-Overheid (bijlage 15)).

Gegevensuitwisseling -schematisch overzicht:

Plaatsing in pleeggezin: Gegevensuitwisseling Franse Gemeenschap Duitstalige Gemeenschap Vlaamse Gemeenschap
D227(P) melding plaatsing in pleeggezin (begin/einde/wijziging) aan KBI door: Plaatsende overheid: Administration générale de l'Aide à la Jeunesse Plaatsende overheid: Der Jugendhilferat Provinciale Dienst voor Pleegzorg (pleegzorg Vlaanderen)
Kennisgeving toekenning forfaitaire bijslag art 13

door KBI te verzenden aan:

De plaatsende overheid De plaatsende overheid De plaatsende overheid:

Zie 'verwijzende instantie' op D227(P)

Formulier P3-b

door KBF te verzenden aan:

pleeggezin

P3-b: vraag 3=ja

=>ten laste

=>D227(P)

pleeggezin

P3-b: vraag 3=ja

=>ten laste

=>D227(P)

afgeschaft

2.1.7. Ontvoerd kind

Aangezien er na de ontvoering van een kind in principe niet langer kinderbijslag kan worden betaald omdat de bijslagtrekkende het kind niet meer bij zich opvoedt, bevat de Brusselse kinderbijslagregeling een specifieke regeling voor rechtgevende kinderen die het slachtoffer zijn van een ontvoering.

De definitie van een dergelijke ontvoering, de voorwaarden waaronder de kinderbijslag wordt toegekend, de persoon die de hoedanigheid van bijslagtrekkende heeft gedurende de ontvoering en de periode waarin deze uitzonderingsregeling gelden, zijn vastgesteld in een uitvoeringsbesluit.70Zie art. 19, § 3, van de ordonnantie van 25 april 2019 en het BVC van 4 juli 2019 tot uitvoering van artikel 19, § 3, van de ordonnantie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, BS 8 mei 2019.

In wat volgt worden deze aspecten gedetailleerd toegelicht.

Tot slot: de regels die van toepassing zijn bij een ontvoering van het kind zijn niet van toepassing op vermiste kinderen (zie punt 2.1.8). In die gevallen is er immers geen ontvoering geweest of ter kennis gebracht van de kinderbijslaginstelling.

2.1.7.1. Definitie en voorwaarden

De definitie van een ontvoerd kind in de zin van de ordonnantie van 25 april 201971Zie artikel 19, § 3. is vierledig:

Een kind wordt als ontvoerd beschouwd als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. het kind is rechtgevend op het moment van de ontvoering;
  2. het kind is jonger dan 18 jaar;
  3. het kind is wederrechtelijk onttrokken aan het gezag van één van zijn ouders (vader of moeder) of van de persoon die bijslagtrekkende was onmiddellijk voor deze handeling, in de zin van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 of van de instelling waarin het kind geplaatst was overeenkomstig artikel 20 van dezelfde ordonnantie.

Hieruit volgt dat als het kind geplaatst is in de zin van artikel 14 van de bovengenoemde ordonnantie, er geen kinderbijslag moet worden betaald voor een ontvoerd kind, omdat het kind niet wederrechtelijk is onttrokken aan het gezag van één van de bovengenoemde personen of van de bovengenoemde instelling;

  1. de handeling moet het voorwerp uitmaken van een officiële klacht of aangifte bij de politie, het parket of bij Belgische bestuurlijke overheden bevoegd inzake kinderontvoeringen.

Wat de Belgische administratieve overheden bevoegd inzake kinderontvoeringen betreft, komen de volgende overheden in aanmerking:

  • de Federale Overheidsdienst Justitie (Directoraat-generaal Wetgeving en Fundamentele Rechten en Vrijheden);
  • de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken (Directie-generaal Consulaire Zaken).

We benadrukken dat de klacht of aangifte van de ontvoering pas in overweging kan worden genomen als de aan de dossierbeheerder overhandigde kopie expliciet vermeldt dat het om een ontvoering gaat. De persoon die de toekenning van de gezinsbijslag aanvraagt, moet bewijzen dat de klacht bij de bevoegde overheden is geregistreerd.

2.1.7.2. Aanwijzing van de bijslagtrekkende

Hieronder vindt u de aanwijzingsvolgorde van de bijslagtrekkende in geval van een ontvoering in de zin van punt 2.1.7.1. Deze regeling wijkt expliciet af van de normale regels voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende bepaald in artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019.72De aanwijzing van de bijslagtrekkende in gevallen waarin de ouders niet samenwonen en het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen, zoals beschreven in artikel 19, § 1, derde of vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, is dus niet van toepassing wanneer het kind is ontvoerd.

Deze personen mogen slechts als bijslagtrekkenden worden aangewezen indien zij niet (on)rechtstreeks hebben deelgenomen aan de ontvoering van het rechtgevend kind.

1° De ouder, vader of moeder, die onmiddellijk vóór de ontvoering bijslagtrekkende was voor het ontvoerde kind, bij toepassing van artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019 (2.1.1 - 2.1.2 - 2.1.3);

2° bij gebrek hieraan, de moeder van het ontvoerde kind die geen bijslagtrekkende was voor dit kind;

3° bij gebrek hieraan, de vader van het ontvoerde kind die geen bijslagtrekkende was voor dit kind;

4° bij gebrek hieraan, de persoon die bijslagtrekkende was voor het ontvoerde kind onmiddellijk vóór de ontvoering, bij toepassing van artikel 19, § 1, tweede lid, van dezelfde ordonnantie (zie punt 2.1.2).

Bijvoorbeeld:

Een minderjarig kind is in een instelling geplaatst door bemiddeling of ten laste van een overheid. De kinderbijslag gaat voor twee derden naar de instelling en voor één derde naar de moeder (punt 2.1.5.2).

De instelling verklaart op 17 mei 2025 dat de plaatsing is beëindigd, met als reden de ontvoering van het kind door de moeder.

Voor de betaling van de kinderbijslag op basis van de status van het ontvoerde rechtgevend kind, wordt er afgeweken van de normale aanwijzingsregels voor de bijslagtrekkende in artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019. De bijslagtrekkende wordt aangewezen volgens de bovenstaande prioriteitsvolgorde.

Bijgevolg mag de moeder niet meer als bijslagtrekkende worden aangeduid en moet de kinderbijslagstelling de vader als bijslagtrekkende aanduiden.

2.1.7.3. Berekening van de kinderbijslag

De bedragen van de gezinsbijslag worden berekend alsof het ontvoerde kind nog deel uitmaakt van het gezin van de bijslagtrekkende waarin het verbleef vóór de ontvoering of, in voorkomend geval, alsof het ontvoerde kind nog in de instelling verblijft waarin het overeenkomstig artikel 20 van de ordonnantie van 25 april 2019 was geplaatst.

Als aan de voorwaarden is voldaan, wordt de basiskinderbijslag73Bedoeld in artikel 7 van de ordonnantie van 25 april 2019. betaald, verhoogd met, in voorkomend geval, de wezentoeslag, sociale toeslag of toeslag voor een kind met een aandoening zoals bepaald in de artikelen 8, 9, 12 (tot de einddatum van de medische beslissing die vóór de verdwijning is genomen), of, in voorkomend geval, wordt het bedrag betaald dat is verschuldigd op grond van de verworven rechten zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, van dezelfde ordonnantie.

Overeenkomstig artikel 11 van dezelfde ordonnantie, wordt met het ontvoerde kind rekening gehouden samen met de door de bijslagtrekkende of, in voorkomend geval, de bijslagtrekkenden74Artikel 11, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, opgevoede kinderen, ook in het geval van gescheiden ouders die houder zijn van het recht op gelijkmatig verdeelde huisvesting, opgetekend in een vonnis75Artikel 11, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019..

Indien het kind vóór de ontvoering in een instelling was geplaatst (zonder dat een derde van de kinderbijslag op een spaarrekening op naam van het kind wordt gestort), dan kunnen de twee derden van de kinderbijslag niet aan de instelling of de bevoegde overheid worden betaald.

De betaling van de kinderbijslag is niet bevrijdend als die is gedaan aan een persoon die een ongerechtvaardigde klacht heeft ingediend. De kinderbijslag wordt in dat geval onverschuldigd en moet daarom worden teruggevorderd en aan de rechtmatige bijslagtrekkende worden betaald.

2.1.7.4. Begin en einde van de maatregel

Wanneer er is voldaan aan de voorwaarden uit punt 2.1.7.1, wordt kinderbijslag voor een ontvoerd kind betaald vanaf de datum van de ontvoering.

De regeling voor ontvoerde kinderen komt ten einde indien:

  • het kind achttien jaar oud wordt;
  • het kind terugkeert naar de persoon of personen die vóór de ontvoering het gezag over het kind hadden of naar de instelling of organisatie waar het kind vóór de ontvoering was geplaatst;
  • de personen bedoeld onder het bovenstaande streepje hun uitdrukkelijke toestemming geven om het kind bij een derde te laten verblijven;
  • de bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit in toepassing van het Verdrag betreffende burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, getekend in Den Haag op 25 oktober 1980, heeft beslist dat het kind niet moet terugkeren en is aangetoond dat:
  • het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld76Artikel 12, tweede lid, van het Verdrag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.;
  • het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden77Artikel 13, tweede lid, van het Verdrag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.;
  • de persoon of de personen of de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de ontvoering78Artikel 13, eerste lid, a), van het Verdrag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.;
  • de persoon of de personen of de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, in de overbrenging van het kind had toegestemd na die overbrenging als ontvoering te hebben aangegeven79Idem.;
  • er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht80Artikel 13, eerste lid, b), van het Verdrag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.;
  • de terugkeer niet zou zijn toegestaan op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden81Artikel 20 van het Verdrag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen..

2.1.8. Verdwenen kind

Aangezien er na de verdwijning van een kind in principe niet langer kinderbijslag kan worden betaald omdat de bijslagtrekkende het kind niet meer bij zich opvoedt, bepaalt de ordonnantie van 25 april 2019 dat het recht op kinderbijslag wordt verlengd ten gunste van het verdwenen of vermiste rechtgevend kind.82Art. 25, § 3, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Hierna wordt uitgelegd wat de definitie is van een verdwenen kind, aan wie de kinderbijslag gedurende de verdwijning moet worden betaald, hoe het bedrag van de kinderbijslag moet worden berekend en gedurende welke periode de regeling ten gunste van het verdwenen kind van toepassing is.

Tot slot benadrukken we dat de regels die van toepassing zijn ingeval van de verlenging van het recht op kinderbijslag ten gunste van het verdwenen rechtgevend kind, niet kunnen worden toegepast op ontvoerde kinderen. Voor deze laatste categorie, zie punt 2.1.7.

2.1.8.1. Definitie

De definitie van een verdwenen of vermist kind in de zin van de ordonnantie van 25 april 2019 is vierledig:

Een kind wordt als verdwenen beschouwd als:

  1. het rechtgevend is op het moment van de verdwijning;
  2. het onvrijwillig niet langer op zijn verblijfplaats is en;
  3. men geen nieuws heeft van het kind;
  4. behalve wanneer blijkt dat dit kind, naar alle waarschijnlijkheid, overleden is in omstandigheden zoals ongevallen of rampen, zelfs indien het lichaam niet is teruggevonden.

Hieruit volgt dat een weggelopen rechtgevend kind op basis van deze definitie niet rechtgevend kan zijn. In geval van twijfel over de toepassing van deze modaliteit, dient er contact te worden opgenomen met admin.ctrl@iriscare.brussels.

De verdwijning kan worden bewezen met alle rechtsmiddelen. Ze kan bijvoorbeeld worden bewezen aan de hand van een kopie van de aangifte waarmee de verdwijning bij de politie is gemeld. Neem zo nodig contact op met de regulator via admin.ctrl@iriscare.brussels

Er moet aan de aanvullende voorwaarden in punt 2.1.8.4 worden voldaan zodat het kind tijdens zijn verdwijning een recht op kinderbijslag kan openen.

2.1.8.2. Bijslagtrekkende

De kinderbijslag wordt betaald aan de natuurlijke persoon, in de zin van artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019, die de kinderbijslag voor het rechtgevend kind onmiddellijk vóór zijn verdwijning ontving.

Indien het vermiste kind bijslagtrekkende is voor zichzelf, is er echter geen bijslag verschuldigd voor dat kind, ook niet aan een andere persoon.

Ingeval het kind is geplaatst in een instelling zonder dat een derde van de kinderbijslag op een spaarrekening wordt gestort in de zin van artikel 20 van de ordonnantie van 25 april 2019 (punten 2.1.5.2 - 2.1.5.3.1), betekent dit dat de kinderbijslag integraal wordt betaald aan de natuurlijke persoon aan wie gedurende de plaatsing enkel het saldo (een derde) was verschuldigd.

Als het kind in een instelling is geplaatst waarbij een derde van de kinderbijslag op een spaarrekening wordt gestort in de zin van artikel 14 van dezelfde ordonnantie (punt 2.1.5.3.2), moet er, bij gebrek aan een bijslagtrekkende natuurlijke persoon zoals hierboven vermeld, geen kinderbijslag worden betaald voor het vermiste kind.

2.1.8.3. Berekening van de kinderbijslag

Als aan de voorwaarden is voldaan, wordt de basiskinderbijslag betaald zoals bedoeld in artikel 7 van de ordonnantie van 25 april 2019, verhoogd met, in voorkomend geval, de wezentoeslag, de sociale toeslag of toeslag voor een kind met een aandoening (tot de einddatum van de medische beslissing die vóór de verdwijning is genomen). In voorkomend geval, wordt het bedrag betaald zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, van dezelfde ordonnantie.

Om te bepalen met hoeveel kinderen rekening moet worden gehouden voor de berekening van het bedrag van de kinderbijslag, overeenkomstig artikel 11 van dezelfde ordonnantie, wordt met het verdwenen kind rekening gehouden samen met de door de bijslagtrekkende of, in voorkomend geval, de bijslagtrekkenden83Artikel 11, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019., opgevoede kinderen, ook in het geval van gescheiden ouders die houder zijn van het recht op gelijkmatig verdeelde huisvesting, opgetekend in een vonnis84Artikel 11, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019..

2.1.8.4. Begin, duur en einde van de verlenging

De verlenging van het recht op kinderbijslag voor een verdwenen kind wordt toegekend gedurende maximaal vijf jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het kind is verdwenen en zolang het kind de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt.

Deze leeftijdsgrens wordt op 21 jaar gebracht voor kinderen die uitsluitend een recht openden op grond van art. 26, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 op het moment van hun verdwijning.85Dus kinderen met een aandoening na de datum bepaald in artikel 25, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019 (31 augustus van het kalenderjaar in de loop waarvan het de leeftijd van 18 jaar bereikt).

De betaling van de kinderbijslag die specifiek op de hoedanigheid van verdwenen kind is gebaseerd, stopt aan het einde van de maand waarin het kind is gevonden.

Wanneer het kind is gevonden, kan opnieuw een recht op kinderbijslag worden toegekend als aan de voorwaarden in artikel 25, §§ 1 of 2, of artikel 26 van de ordonnantie van 25 april 2019 is voldaan.

Voorbeeld:

De rechtgevende jongere van 19 jaar oud geraakt vermist op 1 januari 2026. Hij opent op dat moment een recht in de hoedanigheid van werkzoekende schoolverlater.

De vijfjarige termijn gedurende dewelke de kinderbijslag verder wordt toegekend, vangt aan op de eerste dag van de kalendermaand volgend op de verdwijning (1 februari 2026) en loopt af op 31 januari 2031. De jongere is op dat moment 24 jaar oud. Er kan onder die omstandigheden geen recht op kinderbijslag meer worden toegekend.

2.1.9. Jongere in een penitentiaire inrichting

2.1.9.1. Algemeen - definitie

In wat volgt wordt toegelicht op welke wijze de bijslagtrekkende wordt aangeduid voor een jongere die in een penitentiaire inrichting verblijft, hierna 'gedetineerde jongere' genoemd.

Het gaat om de meerderjarige rechtgevende jongere die het voorwerp is van een vrijheidsstraf in een strafinrichting ter bestraffing van een misdrijf voor de termijn bepaald door een rechter en overeenkomstig de door de wet bepaalde nadere regels.86Zie art. 41 Strafwetboek (Sw) 2024, Het gaat om de gevangenisstraf bedoeld in artikel 41 Sw 2024 of de behandeling onder vrijheidsberoving bedoeld in artikel 42 van het zelfde wetboek, dan wel om de opsluiting, hechtenis of gevangenisstraf bedoeld in artikel 7 Strafwetboek 1867.

Jongeren in voorlopige hechtenis vallen eveneens onder de toepassing van dit punt.

De situatie van de gedetineerde jongere mag niet worden verward met die van een kind dat geplaatst is overeenkomstig de regelgeving inzake de jeugdbescherming87Art. 14 of 20, tweede lid, van de ordonnantie van april 2019. of met die van een ander kind dat in een instelling is geplaatst, inclusief de geïnterneerde jongeren die onder de toepassing vallen van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen (zie punt 2.1.5.4.6).

Aangezien minderjarigen tegen wie een uithandengeving is uitgesproken en die zijn aangehouden of veroordeeld tot een gevangenisstraf in principe in een gemeenschapscentrum voor minderjarigen verblijven88Art. 606 Sv., moeten desgevallend de regels voor kinderen geplaatst in een instelling worden toegepast indien de kinderbijslaginstelling van de plaatsing op de hoogte wordt gebracht (zie punt 2.1.5) in plaats van de hieronder toegelichte regeling voor gedetineerde jongeren.

Zoals elk rechtgevend kind, moet de gedetineerde jongere voldoen aan de voorwaarden van artikel 4 van de ordonnantie van 25 april 2019 om over de hoedanigheid van rechtgevend kind te beschikken. Wanneer er niet is voldaan aan die voorwaarden, kan er geen recht op gezinsbijslag worden geopend.

Daarbij wordt ook de situatie besproken waarbij aan de jongere de maatregel van de beperkte detentie is opgelegd.

2.1.9.2. Aanwijzing van de bijslagtrekkende voor het gedetineerde rechtgevend kind

Aangezien de gedetineerde jongere per definitie ouder is dan 16 jaar,89Art. 57bis Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, BS 15 april 1965 en Art. 38 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, BS, 26 april 2019. moet de kinderbijslag rechtstreeks aan het rechtgevend kind worden gestort, voor zover hij niet bij de in artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019 bedoelde persoon woont (zie punt 2.1.4).

De gedetineerde jongere wordt geacht te voldoen aan deze voorwaarde en zelf aanspraak te maken op de uitbetaling van de kinderbijslag wanneer hij gedurende de detentie beschikt over een afzonderlijke hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister.

Bij gebrek daaraan, kan er worden aangetoond - aan de hand van andere daartoe voorgelegde officiële documenten - dat de gegevens in het Rijksregister niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit.

Om te bewijzen dat zijn hoofdverblijfplaats verschilt van deze van de bijslagtrekkende bedoeld in artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019, kan de jongere de bewijskracht van de gegevens van het Rijksregister weerleggen, overeenkomstig de procedure vermeld in punt 3.2.3 van CO GB 5/1.

Het loutere feit dat de jongere in een penitentiaire inrichting verblijft, zonder dat hij daar volgens de gegevens uit het Rijksregister zijn hoofdverblijfplaats heeft, volstaat met andere woorden niet om de gegevens in het Rijksregister te weerleggen, aangezien de gedetineerde onder bepaalde omstandigheden zijn hoofdverblijfplaats volgens de informatie van het Rijksregister op zijn oorspronkelijke verblijfplaats kan behouden.90Koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, BS 15 augustus 1992.

Ook een attest van de gevangenisdirectie op basis van een schriftelijke verklaring van de referentiepersoon van het gezin dat er een daadwerkelijke en definitieve breuk is met de gedetineerde en dat de inschrijving op het adres van het gezin niet langer wenselijk is, volstaat NIET om de informatie afkomstig uit het Rijksregister te weerleggen.91Dit attest komt immers niet voor op de lijst met officiële documenten die de bijlage 3 bij CO GB 5/1 vormt.

Indien het rechtgevend kind gedurende zijn detentie volgens de gegevens van het Rijksregister toch dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de bijslagtrekkende bedoeld in artikel 19, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019 en deze informatie niet wordt weerlegd, kan de bijslagtrekkende alsnog aantonen het kind op te voeden door middel van de procedure bepaald in punt 2.1.2.2.2, door in eerste orde de het formulier Decl. OP-EL (bijlage 2) in te vullen en te ondertekenen, en er de gevraagde bewijsstukken aan toe te voegen.92Deze mogelijkheid bestaat eveneens indien een kind van minder van 16 jaar in het buitenland een gevangenisstraf ondergaat die voldoet aan de omschrijving uit punt 2.1.9.1.

2.1.9.3. De gedetineerde jongere in beperkte detentie

Beperkte detentie is een wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toestaat de penitentiaire inrichting regelmatig te verlaten om zich naar het werk te begeven, opleidingen te volgen of zijn familie te bezoeken, overeenkomstig de modaliteiten die bij wet zijn vastgesteld.93Wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, BS 15 juni 2006.

De gezinsbijslagen kunnen worden uitbetaald aan de rechthebbende jongere in beperkte detentie die voldoet aan de voorwaarden van artikel 19, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019, of aan de persoon bedoeld in artikel 19, § 1, van diezelfde ordonnantie wanneer de jongere penitentiair verlof geniet en het penitentiair verlofpaspoort het adres vermeldt van de in artikel 19, § 1, bedoelde potentiële bijslagtrekkende als verblijfplaats tijdens genoemd verlof.

2.2. Kraamgeld

Artikel 16, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt dat de geboorte van een rechtgevend kind recht geeft op de betaling van kraamgeld.

Het kraamgeld wordt onder bepaalde voorwaarden ook toegekend voor een kind waarvoor een akte van aangifte van een levenloos kind werd opgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand (zie punt 2.2.3).

In wat volgt worden de volgende punten toegelicht: de bijslagtrekkende aan wie het kraamgeld betaald moet worden (zie punt 2.2.1), het verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende (zie punt 2.2.2) en de procedure voor de aanvraag van het kraamgeld door de bijslagtrekkende (zie punt 2.2.3).

2.2.1. Aanwijzing van de bijslagtrekkende

2.2.1.1. Principe: het kraamgeld wordt betaald aan de moeder

Overeenkomstig artikel 19, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt het kraamgeld betaald aan de moeder.

Het gaat om de moeder zoals aangegeven in de geboorteakte van het rechtgevend kind of, in het geval van een aanvraag om voorafbetaling, de toekomstige moeder zoals vermeld in het medisch attest dat bij de aanvraag is gevoegd.

In geval van meemoederschap moet het kraamgeld altijd aan de moeder worden betaald (geen keuze mogelijk).

Zelfs als de moeder haar kind onmiddellijk na de geboorte afstaat voor adoptie94Artikel 348-4, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt: "Zowel de moeder als de vader kunnen hun toestemming slechts geven twee maanden na de geboorte van het kind." In dat verband moet worden opgemerkt dat in buitenlandse wetgeving andere bepalingen van toepassing kunnen zijn., blijft het bovenstaande principe van toepassing en moet het kraamgeld aan de moeder worden betaald.

Er kan bovendien een adoptiepremie betaald worden aan de adoptieouder(s), indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan (zie punt 2.3)95Tenzij de adoptant, zijn echtgeno(o)t(e) of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt al kraamgeld heeft ontvangen voor hetzelfde kind. .

Voorbeeld:

Bij een koppel bestaande uit twee vrouwen , wordt een van hen zwanger via een donor.

De partner die bevalt van het kind is de biologische moeder, zoals vermeld op de geboorteakte.

Het kraamgeld wordt dus aan haar betaald.

2.2.1.2. Aanwijzing van de bijslagtrekkende als de moeder niet geïdentificeerd is of overleden

Als de moeder niet kan worden geïdentificeerd of overleden is, wordt het kraamgeld betaald aan de vader of bij gebreke daaraan aan de persoon die het kind opvoedt. Deze situatie verwijst naar het begrip "opvoeden" zoals bepaald in punt 2.1.2.1.

De kinderbijslaginstelling die bevoegd is volgens de aansluitingsregels moet dus eerst het volgende controleren:

  1. de moeder is overleden: melding van het overlijden via de distributieflux D026 of raadpleging van de wettelijke gegevens via de consultatieflux P026 of voorlegging van een overlijdensakte die opgesteld is door de ambtenaar van de burgerlijke stand (zie punt 4.5);

of

  1. de moeder kan niet geïdentificeerd worden: deze voorwaarde kan enkel gecontroleerd worden op basis van de geboorteakte van het rechtgevende kind die de identiteit van de moeder niet vermeldt.

Zodra de bevoegde kinderbijslaginstelling een van de bovenstaande vaststellingen heeft gedaan, wordt het kraamgeld in de onderstaande volgorde uitbetaald:

aan de vader, op voorwaarde dat de afstamming van de vader96Van rechtswege of via erkenning. ten opzichte van het rechtgevende kind is vastgesteld;

zo niet, aan de persoon die het kind opvoedt (zie punt 2.1.2.2).

Voorbeeld 1:

Een homoseksueel koppel van het mannelijke geslacht reist naar de Verenigde Staten om een beroep te doen op een draagmoeder.

De identiteit van de draagmoeder is niet vermeld op de geboorteakte, waardoor het niet mogelijk is om haar te identificeren.

Een van de twee partners, die de biologische vader van het kind is, heeft het kind echter erkend voor de geboorte.

Overeenkomstig artikel 19, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt het kraamgeld betaald aan de vader die het kind erkend heeft.

Voorbeeld 2:

Dezelfde situatie, maar nu gaat het om een heteroseksueel koppel.

De echtgenoot, die de biologische vader van het kind is, heeft het kind erkend voor de geboorte.

Overeenkomstig artikel 19, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt het kraamgeld betaald aan de vader.

Voorbeeld 3:

Een getrouwd heteroseksueel koppel verwacht een kind. De moeder sterft tijdens de bevalling en het kind wordt levend geboren. Er werd geen kraamgeld vooraf uitbetaald.

Overeenkomstig artikel 19, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt het kraamgeld betaald aan de vader.

Het antwoord is hetzelfde als het kind doodgeboren zou zijn, voor zover de voorwaarden van punt 2.2.3, sub 3, nageleefd worden.

2.2.2. Verzet

Tegen de betaling van het kraamgeld aan de bijslagtrekkende kan verzet worden aangetekend door de andere ouder, de adoptant, de pleegvoogd, de voogd, de curator of de bewindvoerder als het belang van het kind dat vereist.

Zie voor meer informatie punt 5 van deze omzendbrief, dat de gerechtelijke beroepen behandelt.

2.2.3. Aanvraag van kraamgeld door de bijslagtrekkende

Hieronder wordt uitgelegd op welke manieren de bijslagtrekkende kraamgeld kan aanvragen.

  1. De aanvraag wordt ingediend vóór de geboorte van het kind.

Overeenkomstig artikel 16, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019 kan de bijslagtrekkende vanaf de zesde maand van de zwangerschap97Dat komt overeen met vijf maanden en één dag zwangerschap. het kraamgeld aanvragen en de uitbetaling ervan verkrijgen twee maanden vóór de vermoedelijke geboortedatum vermeld in het medisch attest dat bij de aanvraag wordt gevoegd.

Enkel als een moeder op het moment van de aanvraag om voorafbetaling nog niet de hoedanigheid van bijslagtrekkende heeft verworven in de zin van artikel 26, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 4 april 2019, kan de aanvraag enkel ingediend worden via een elektronisch of papieren formulier dat goedgekeurd is door de regulator van Iriscare. Anders volstaat een eenvoudige aanvraag.

In alle andere situaties volstaat een eenvoudige aanvraag.

In ieder geval moet bij de aanvraag een attest gevoegd worden van de arts of verloskundige waarin staat dat de zwangerschap ten minste vijf maanden en één dag gevorderd is.

Er is altijd een medisch attest nodig dat ten vroegste vier maanden voor de verwachte geboortedatum is opgesteld. Op basis daarvan kan de kinderbijslaginstelling een correcte betaling verzekeren.

De bijslagtrekkende moet zijn woonplaats98In de zin van artikel 3, 4°, van de ordonnantie van 25 april 2019. hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad99Merk op dat CO GB 24, punt 10.6, geraadpleegd moet worden als de bijslagtrekkende in een andere lidstaat van de EER woont. op het moment van de aanvraag.

Er moet ook worden benadrukt dat de voorafbetaling van het kraamgeld een voorlopig karakter heeft. Ze is maar definitief als aan alle voorwaarden voor de toekenning van de kinderbijslag is voldaan op het moment van de geboorte (eventueel met terugwerkende kracht). Voor de bewijsmiddelen die kunnen worden aangewend om de geboorte aan te tonen, zie punt 2 hieronder.

Voorbeeld:

De vermoedelijke geboortedatum wordt vastgesteld op 8 oktober 2025. De toekomstige moeder heeft haar woonplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en wil een aanvraag om voorafbetaling indienen. Ze kan die aanvraag ten vroegste indienen op 9 juni 2025, wanneer de zwangerschap vijf maanden één dag gevorderd is, op voorwaarde dat ze bij haar aanvraag een attest voegt van haar arts of verloskundige dat niet eerder dan die dag werd opgesteld.

De betaling zal, onder voorbehoud van de naleving van de toekenningsvoorwaarden, ten vroegste uitgevoerd worden op 8 augustus 2025, dit is twee maanden voor de vermoedelijke geboortedatum.

  1. De aanvraag wordt ingediend na de geboorte

Als de bevalling al heeft plaatsgevonden en enkel als de aanvrager op het moment van de bevalling nog niet de hoedanigheid van bijslagtrekkende heeft verworven in de zin van artikel 26, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 4 april 2019, moet het kraamgeld aangevraagd worden via een elektronisch of papieren formulier dat goedgekeurd is door de regulator van Iriscare om de betaling te kunnen ontvangen100Onverminderd de toepassing van artikel 3, § 1, 2°, van de ordonnantie van 4 april 2019..

De aanvraag moet worden ingediend binnen de grenzen van de verjaringstermijn101Artikel 30, § 1, van de ordonnantie van 25 april 2019..

In alle andere situaties kan het kraamgeld betaald worden op basis van de beschikbare fluxen van het Rijksregister of op basis van het speciale geboortebewijs102Onverminderd de toepassing van Verordening (EU) 492/2011 (zie punt 10.2 van CO GB 24)..

Het speciale geboortebewijs wordt alleen gebruikt als het elektronische bericht over de geboorte nog niet ontvangen werd (wijziging van het Rijksregister).

Om frauduleus gebruik van vervalste speciale geboortebewijzen op te sporen, worden de instellingen gevraagd om altijd het elektronische bericht van het Rijksregister te controleren bij de betaling van het kraamgeld.

Als er drie maanden na de (vermoedelijke) geboortedatum nog geen bericht is ontvangen, wordt de informatie van het speciale geboortebewijs gecontroleerd op basis van de authentieke bron:

  • het Rijksregister raadplegen en een (afgedrukt) screenshot van die raadpleging bewaren in het (elektronische) dossier;
  • en/of bevestiging vragen (aan de gemeente die het speciale geboortebewijs heeft uitgereikt) van de geboorte van het kind (of, in voorkomend geval, van het overlijden of de doodgeboorte).
  1. Aanvraag voor een levenloos geboren kind

Op grond van artikel 16, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 kan het kraamgeld ook verleend worden aan een bijslagtrekkende die zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad103Merk op dat CO GB 24, punt 10.6, geraadpleegd moet worden als de bijslagtrekkende in een andere lidstaat van de EER woont., op voorwaarde dat een akte van aangifte van een levenloos kind werd opgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand104Als het overlijden een levenloos geboren kind betreft dat zijn woonplaats heeft in een lidstaat van de EER waarop Verordening 492/2011 van toepassing is, kan de bijslagtrekkende een akte van aangifte van een levenloos kind bezorgen die door de bevoegde overheid van de betrokken staat is uitgereikt overeenkomstig de nationale wetgeving van die staat. Zie ook CO GB 24, punt 10.6. en aan de kinderbijslaginstelling werd bezorgd.105Artikel 58 van het oud Burgerlijk Wetboek.

Als de zwangerschap 180 dagen heeft geduurd, moet de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van aangifte van een levenloos kind opmaken.

Als de doodgeboorte echter plaatsvindt na een zwangerschapsduur van 140 tot 179 dagen wordt de akte enkel op verzoek opgemaakt106Die akte wordt opgemaakt op basis van een medisch attest en op verzoek van de vader of de meemoeder die is gehuwd met de moeder of die een prenatale erkenning heeft gedaan, of, op verzoek van de vader of de meemoeder die niet is gehuwd met de moeder noch het verwekte kind heeft erkend en met toestemming van de moeder..

In dat laatste geval, en overeenkomstig de verplichtingen van het Handvest van de Sociaal Verzekerde, zal de kinderbijslaginstelling de bijslagtrekkende in kwestie op de hoogte brengen van de mogelijkheid om bij de gemeente een akte van een levenloos kind aan te vragen om het kraamgeld te kunnen ontvangen (of de toekenning ervan te rechtvaardigen).

2.3 Adoptiebijslag

De volle of gewone adoptie107Onder "adoptie" in de zin van de ordonnantie van 25 april 2019 moeten beide juridische vormen van adoptie worden verstaan, behalve wanneer de ene of de andere uitdrukkelijk wordt vermeld, met name in artikel 19, § 1, eerste lid, van de voornoemde ordonnantie. van een rechtgevend kind geeft recht op de betaling van adoptiebijslag als aan de vereiste voorwaarden is voldaan108Artikel 17 van de ordonnantie van 25 april 2019..

Wat betreft de voorwaarde om de hoedanigheid van een rechtgevend kind te hebben, kan ook een algemene afwijking109Omzendbrief van het Verenigd College van 9 juli 2019 over de algemene afwijkingen overeenkomstig artikel 5, 16 en 17 van de ordonnantie van 25 april 2019 tot toekenning van gezinsbijslag. van toepassing zijn, op voorwaarde dat ook aan de daaraan gerelateerde voorwaarden is voldaan.

In wat volgt zullen we ingaan op:

  • de algemene beginselen van de adoptie (zie punt 2.3.1);
  • de aanwijzing van de bijslagtrekkende voor de adoptiebijslag (zie punt 2.3.2);
  • de anticumulatieregel (zie punt 2.3.3);
  • verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende (zie punt 2.3.4);
  • de gezinsgrootte (zie punt 2.3.5).

2.3.1. Algemene beginselen

Het Oud Burgerlijk Wetboek maakt een onderscheid tussen twee vormen van adoptie: de gewone adoptie en de volle adoptie.110Artikel 343, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek.

Gewone adoptie betekent dat het adoptiekind de banden met zijn oorspronkelijke familie niet volledig verbreekt en niet volledig wordt opgenomen in zijn adoptiegezin.111Zie voor meer informatie artikel 353-1 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek. Belangrijke gevolgen van de oorspronkelijke verwantschap worden ongedaan gemaakt, afgezwakt of opgeschort (SENAEVE P., DECLERCK C. en WUYS T., Compendium van het personen en familierecht, Acco, 2025, 356). Het adoptiekind wordt weliswaar gelijkgesteld met een kind dat geboren is uit de adoptant en de verwantschapsband breidt zich ook uit tot de afstammelingen van het adoptiekind, maar het adoptiekind en zijn afstammelingen verkrijgen echter geen verwantschapsband met de verwanten van de adoptant.

Bij een volle adoptie is er een volledige gelijkstelling tussen het adoptiekind en een kind dat geboren is uit de adoptant. Er ontstaat dus ook een volwaardige verwantschapsband ten aanzien van de andere verwanten van de adoptant. Het adoptiekind behoort niet langer tot zijn oorspronkelijke familie112Zie voor meer informatie artikel 355 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek. .

Bovendien wordt een adoptie als binnenlands beschouwd wanneer ze betrekking heeft op een kind dat vóór zijn adoptie in België geboren is of verbleef. Een adoptie wordt als interlandelijk beschouwd wanneer ze betrekking heeft op een kind dat van het buitenland naar België moet verhuizen of een kind dat zonder vergunning in België verblijft113Artikel 360-2, eerste lid, 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek..

2.3.2. Aanwijzing van de bijslagtrekkende

Adoptie staat open voor een persoon, echtgenoten of samenwonenden114Feitelijk samenwonenden moeten op het moment van de adoptieaanvraag minstens drie jaar daadwerkelijk en permanent samenwonen. Zie in dit verband artikel 343 van het oud Burgerlijk Wetboek. .

Als de adoptie door een persoon wordt uitgevoerd, wordt de adoptiebijslag uitbetaald aan de adoptant.

Wanneer de adoptie gezamenlijk wordt uitgevoerd door de echtgenoten of samenwonenden, wordt de bijslagtrekkende als volgt aangewezen:

  • ofwel wijzen de echtgenoten of samenwonenden, ongeacht hun geslacht, aan wie van hen de bijslag uitbetaald zal krijgen;
  • ofwel zijn de echtgenoten of samenwonenden het niet eens over wie de bijslagtrekkende moet zijn, ofwel laten ze na iemand aan te wijzen. In dat geval moet een onderscheid worden gemaakt tussen verschillende situaties:
    • als de echtgenoten of samenwonenden een verschillend geslacht hebben, wordt de adoptiepremie uitbetaald aan de vrouwelijke adoptant (de echtgenote of samenwonende);
    • als de echtgenoten of samenwonenden hetzelfde geslacht hebben, wordt de adoptiepremie uitbetaald aan de oudste adoptant.

De adoptant(en) is/zijn de persoon/personen die het verzoekschrift tot adoptie heeft/hebben ingediend of die op de adoptieakte is/zijn vermeld en ten aanzien van wie de adoptie wordt gevestigd.

De bijslag wordt aangevraagd met het aanvraagformulier voor de adoptiebijslag.

Voorbeeld 1:

Een rechtgevend kind wordt weeskind. Zijn tante beslist hem alleen te adopteren.

Zodra is vastgesteld dat aan alle voorwaarden voor de toekenning van de gezinsbijslag is voldaan, betaalt de kinderbijslaginstelling de adoptiebijslag uit aan de tante.

Voorbeeld 2:

Twee samenwonenden met een verschillend geslacht beslissen om samen een rechtgevend kind te adopteren dat in het buitenland verblijft.

Op het aanvraagformulier wijzen ze de vrouwelijke samenwonende aan als bijslagtrekkende die de adoptiebijslag zal ontvangen.

Zodra is vastgesteld dat aan alle voorwaarden voor de toekenning van de gezinsbijslag is voldaan, betaalt de kinderbijslaginstelling de adoptiebijslag uit aan de vrouwelijke samenwonende.

Voorbeeld 3:

Een heteroseksueel getrouwd koppel beslist een rechtgevend kind te adopteren dat in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad woont.

Op het aanvraagformulier wijzen ze geen bijslagtrekkende aan die de adoptiebijslag zal ontvangen.

Zodra is vastgesteld dat aan alle wettelijke voorwaarden voor gezinsbijslag in Brussel is voldaan, betaalt de kinderbijslaginstelling de adoptiebijslag uit aan de vrouwelijke adoptant.

2.3.3. Cumulatieverbod

De adoptiepremie is niet verschuldigd als de adoptant, zijn of haar echtgenoot of degene met wie hij of zij een feitelijk gezin vormt (zie punt 4.3.3 van CO GB 25) kraamgeld heeft ontvangen voor hetzelfde kind.

Bovendien kan voor hetzelfde kind slechts één adoptiebijslag worden toegekend aan de adoptant of zijn of haar echtgenoot. Dit geldt voornamelijk voor situaties waarin een gewone adoptie wordt gevolgd door een volle adoptie, of waarin hetzelfde kind eerst door een van de echtgenoten wordt geadopteerd en daarna alleen door de andere echtgenoot.

Ten slotte wordt de adoptiebijslag in mindering gebracht van het bedrag van een uitkering van dezelfde aard die wordt toegekend bij toepassing van andere buitenlandse wettelijke of reglementaire bepalingen of krachtens de regels die van toepassing zijn op het personeel van een instelling van internationaal publiekrecht.115Artikel 27, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Voor de cumulatie met de gezinsbijslag die wordt toegekend op basis van de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Unie en op daarmee gelijkgestelde categorieën, zie CO GB 10-1.

Voorbeeld 1:

Een moeder bevalt van haar rechtgevend kind en ontvangt kraamgeld. Twee maanden later geeft ze haar kind op voor adoptie.

Het kind wordt vervolgens geadopteerd door een getrouwd koppel dat geen band heeft met de moeder.

Zodra is vastgesteld dat aan alle wettelijke voorwaarden voor gezinsbijslag in Brussel is voldaan, betaalt de kinderbijslaginstelling de adoptiebijslag uit aan de vrouwelijke adoptant, overeenkomstig de informatie in het aanvraagformulier.

Voorbeeld 2:

Een heteroseksueel getrouwd koppel heeft een beroep gedaan op draagmoederschap in de Verenigde Staten.

Het kind werd bij de geboorte erkend door de biologische vader en vervolgens geadopteerd door zijn vrouw.

De adoptiebijslag kan niet worden betaald omdat de kinderbijslaginstelling het kraamgeld aan de vader heeft betaald, de echtgenoot van de adoptant.

Voorbeeld 3:

Bij een getrouwd koppel bestaande uit twee vrouwen is een van de partners zwanger.

Voor haar is dit het vierde kind, terwijl het voor haar partner het eerste is.

Bij de geboorte ontvangt de moeder het kraamgeld en adopteert de echtgenote het kind.

De adoptant vraagt de adoptiebijslag aan. Maar omdat het kraamgeld al aan de moeder, de echtgenote van de adoptant, is betaald, betaalt de kinderbijslaginstelling noch de adoptiebijslag noch het verschil tussen de twee bedragen.

2.3.4. Verzet

Een ouder, de andere adoptant, de pleegvoogd, de voogd, de curator of de bewindvoerder kan, als het belang van het kind dat vereist, verzet aantekenen tegen de betaling van de adoptiebijslag aan de adoptant.

Zie voor meer informatie punt 5, dat de rechtsmiddelen behandelt.

2.3.5. Artikel 11

De door adoptie verworven verwantschap wordt in aanmerking genomen bij het bepalen van de gezinsgrootte van twee of meer bijslagtrekkenden (zie CO GB 25, punt 4.3.2).

Voorbeeld:

Twee zussen, verwanten in de eerste graad door adoptie, hebben volgens de informatie van het Rijksregister dezelfde hoofdverblijfplaats. Ze zijn allebei moeder van twee kinderen. Voor elke bijslagtrekkende wordt de gezinsgrootte bepaald door rekening te houden met de vier rechtgevende kinderen.

2.4. Forfaitaire bijslag voor de plaatsing bij een privépersoon

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de oorspronkelijke bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag en de vervangende bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag.

In beide gevallen, wordt de bijslagtrekkende ingelicht van de toekenning van de forfaitaire bijslag voor het kind geplaatst bij een privépersoon door middel van de module Forfaitaire art 13-BT-AL (zie bijlage 14).

Voor wat betreft de gegevensuitwisseling, zie punt 2.1.6.5.C, met betrekking tot de plaatsing van een rechtgevend kind bij een privépersoon.

2.4.1. Oorspronkelijke bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag

De forfaitaire bijslag voor de plaatsing bij een privépersoon is verschuldigd aan de bijslagtrekkende die de kinderbijslag voor het geplaatste kind ontving (of die er recht op had) onmiddellijk voorafgaand aan de plaatsingsmaatregel(en).

Gelet op het feit dat een wijziging van de bijslagtrekkende in principe van kracht wordt (zie punt 4) op de eerste dag van de maand volgend op de plaatsing116Art. 22 ordonnantie van 25 april 2019., is de onmiddellijkheid dus strikt beperkt tot de maand die voorafgaat aan de plaatsing. Met andere woorden: als er geen recht is op kinderbijslag net voor de plaatsing, is er ook geen recht op de forfaitaire bijslag.

Voorbeeld:

Het rechtgevend kind wordt opgevoed door zijn moeder, die de bijslagtrekkende van de kinderbijslag is tot en met 30 september 2026. Het kind wordt vervolgens in een instelling geplaatst met 1/3 op een spaarrekening die op zijn naam geopend is voor de periode van 1 oktober 2026 tot en met 30 juni 2027.

Het kind wordt daarna in een pleeggezin geplaatst vanaf 1 augustus 2027.

De moeder heeft recht op de forfaitaire bijslag in de maand die volgt op de kennisgeving.

Als er onmiddellijk voorafgaand aan de plaatsing in de instelling gedurende een periode (bijvoorbeeld van 1 juni 2026 tot en met 30 september 2026) geen recht was op kinderbijslag, zou de moeder geen recht hebben op de forfaitaire bijslag.

Er moet een oorzakelijk verband zijn tussen het verlies van de hoedanigheid van bijslagtrekkende en de plaatsing van het kind.

Of de bijslagtrekkende de kinderbijslag daadwerkelijk heeft ontvangen, heeft weinig belang:

  • ofwel omdat de kinderbijslag te goeder trouw is uitbetaald aan een schijnbare bijslagtrekkende (zie CO GB 26);
  • ofwel omdat hij is betaald aan een derde aan de hand van een eenvoudige betalingswijze: een betaling op basis van een sommendelegatie of aan een door de bijslagtrekkende aangewezen persoon die deel uitmaakt van zijn gezin bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019;
  • ofwel omdat de volledige kinderbijslag is ingehouden.

Aangezien het kraamgeld of de adoptiebijslag niet als kinderbijslag gekwalificeerd worden, kan de persoon die onmiddellijk vóór de plaatsingsmaatregel enkel voor die prestaties bijslagtrekkende was nadien geen aanspraak maken op de forfaitaire bijslag voor de plaatsing bij een privépersoon.

Als de persoon die onmiddellijk vóór de plaatsing bijslagtrekkende was niet wordt teruggevonden, zal de overheid die bij de plaatsingsprocedure is opgetreden bevraagd worden over de identiteit van de bijslagtrekkende vóór de plaatsing. Als die overheid geen bijslagtrekkende kan identificeren, kan er geen concrete uitbetaling worden gekoppeld aan een eventueel recht op een forfaitaire bijslag.

De forfaitaire bijslag is verschuldigd zolang de bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag regelmatig contact onderhoudt of bijzondere belangstelling toont voor het kind, wat moet bevestigd zijn door de overheid die bij de plaatsingsprocedure is opgetreden en die de kinderbijslaginstelling ervan op de hoogte stelt (zie punt 2.1.5.6).

Als de oorspronkelijke bijslagtrekkende het ouderlijk gezag wordt ontnomen, vervalt het recht op de forfaitaire bijslag.

2.4.2. De vervangende bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag (vervangt de oorspronkelijke bijslagtrekkende)

Als de oorspronkelijke bijslagtrekkende niet langer de in punt 2.4.1 bedoelde voorwaarden vervult, wordt de forfaitaire bijslag betaald aan een andere persoon117Zie GwH 5 mei 2011, nr. 62/2011. die, in de plaats van de oorspronkelijke bijslagtrekkende, deels het kind opvoedt door regelmatig contact te onderhouden met of belangstelling te tonen voor het kind.

De bijslagtrekkende van de forfaitaire bijslag wordt aangewezen op basis van de door de bevoegde overheid verstrekte informatie (zie punt 2.1.6.2, b)).

Die persoon moet dus niet noodzakelijk al eerder kinderbijslag hebben ontvangen voor het geplaatste kind.

In voorkomend geval zijn de regels voor de wijziging van de bijslagtrekkende van toepassing (zie punt 4).

2.4.3. Geen cumul met andere gezinsbijslagen

De ontvangst van de forfaitaire bijslag voor de plaatsing kan niet worden gecumuleerd met de betaling van andere gezinsbijslagen.

Dat principe is van toepassing als de persoon die het kind vóór de plaatsing in het buitenland opvoedde, of de persoon die deze persoon vervangt om de forfaitaire bijslag te ontvangen, kinderbijslag blijft ontvangen van de desbetreffende buitenlandse overheid nadat het kind bij een pleeggezin is geplaatst.

3. De betaling te goeder trouw aan de schijnbare bijslagtrekkende

Dit thema wordt besproken in de CO GB 26.

De modules in de bijlage bij CO GB 26 worden opgeheven en vervangen door de modules INFO PLA (zie bijlage 11), STOP BT-AL art 19 §1 al 2 (zie bijlage 12) en STOP art 19 §1 al 1 (zie bijlage 1).

4. Verandering van bijslagtrekkende

Er is sprake van een verandering van bijslagtrekkende in de zin van artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019 wanneer een andere persoon de hoedanigheid van bijslagtrekkende verwerft om de gezinsbijslag te ontvangen, op grond van artikel 19 van die ordonnantie.

De regels voor de uitvoering van een verandering die zijn bepaald in artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019 zijn ook van toepassing wanneer de specifieke betalingsregelingen voor geplaatste kinderen bedoeld in artikel 14 en 20 van dezelfde ordonnantie beginnen of eindigen.

De aanduiding van de bijslagtrekkende heeft enkel betrekking op periodes waarin er, onder de toepassing van artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019 voldaan is aan de voorwaarden om over de hoedanigheid van bijslagtrekkende te beschikken.

Zo kan er bijvoorbeeld op grond van artikel 19, § 1, tweede lid, van de voormelde ordonnantie niet betaald worden voor rechtsperiodes toekomstige bijslagtrekkende het rechtgevend kind nog niet daadwerkelijk opvoedde.

Specifieke toepassingsgevallen kunnen worden voorgelegd via admin.ctrl@iriscare.brussels

De nieuwe bijslagtrekkende wordt van de wijziging van bijslagtrekkende op de hoogte gebracht via de module NEW BT-AL (zie bijlage 13).

Dit artikel 22 is echter niet van toepassing wanneer een betaling niet meer kan worden verricht aan de schijnbare bijslagtrekkende op grond van artikel 21 van dezelfde ordonnantie: zodra de werkelijke bijslagtrekkende van het kind bekend is bij de kinderbijslaginstelling, kan geen bevrijdende betaling meer worden verricht aan de schijnbare bijslagtrekkende voor dat kind. Zie ook punt 2.2 van de CO GB 26 en in de voorbeelden die daar worden gegeven.

De regels die gelden voor een verandering van bijslagtrekkende gelden niet voor sommendelegaties, met inbegrip van verzet tegen betalingen in de zin van artikel 19, § 5, van de ordonnantie van 25 april 2019. De geldigheidsduur en de datum van uitwerking van deze sommendelegaties worden besproken in punt 5.4.2 en in punt 5.7.3

De verandering kan het gevolg zijn van:

  • een feitelijke situatie:

Voorbeeld 1: het rechtgevend kind wordt opgevoed door zijn of haar moeder, die bijslagtrekkende is. Na haar dood zorgt uitsluitend de grootmoeder voor de opvoeding van het kind en wordt ze bijslagtrekkende (zie punt 2.1.2);

Voorbeeld 2: het rechtgevend kind wordt opgevoed door zijn of haar ouders en de moeder is bijslagtrekkende. Als het kind trouwt, wordt hij of zij zelf bijslagtrekkende van zijn of haar kinderbijslag (zie punt 2.1.4);

Voorbeeld 3: het rechtgevend kind is ontvoerd door zijn of haar moeder, die op dat moment de bijslagtrekkende is. Omdat zij het kind heeft ontvoerd, wordt de vader bijslagtrekkende(zie punt 2.1.7.2).

  • een verzoek van de vader of de jongste ouder:

deze situatie is hoofdzakelijk van toepassing op gevallen waarin de vader of de jongste ouder verzoekt om als bijslagtrekkende te worden aangewezen op basis van artikel 19, § 1, derde of vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.3.2.2);

  • een gerechtelijke aanwijzing van de bijslagtrekkende, in het belang van het kind:

Voorbeeld: nadat de vader daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt de kinderbijslag betaald aan de vader die dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als het rechtgevend kind. Vervolgens betwist de moeder betaling aan de vader en wijst de familierechtbank de moeder aan als bijslagtrekkende in het belang van het kind (zie punt 5.2.1.).

4.1 Algemeen beginsel

Overeenkomstig artikel 22 van bovengenoemde ordonnantie heeft iedere in de loop van een maand intredende verandering van bijslagtrekkende in principe uitwerking de eerste dag van de maand volgend op die waarin die verandering heeft plaatsgehad.

Als deze verandering echter op de eerste dag van de maand plaatsvindt, geldt een uitzondering (zie punt 4.2).

Dat betekent dat de gezinsbijslag voor een hele maand aan slechts één persoon wordt betaald: de persoon die bij het begin van de maand de hoedanigheid van bijslagtrekkende heeft.

Die regel is bedoeld om te voorkomen dat een maandelijkse bijslag wordt verdeeld onder meerdere bijslagtrekkenden in dezelfde maand.

Zowel de positieve als de negatieve regularisaties118In toepassing van het beginsel van betaling te goeder trouw is een positieve regularisatie nooit toegestaan, noch voor de schijnbare, noch voor de werkelijke bijslagtrekkende. Dit beginsel houdt in dat de betaling als bevrijdend moet worden beschouwd. houden rekening met de verandering van bijslagtrekkende.

Voorbeeld 1:

Een verandering van bijslagtrekkende vindt plaats op 20 maart. Persoon X, bijslagtrekkende op 1 maart, ontvangt in april het volledige bedrag van het recht op de kinderbijslag voor maart.

De nieuwe bijslagtrekkende Y krijgt de kinderbijslag pas vanaf de volgende maand: vanaf het recht dat betrekking heeft op april met uitbetaling in mei.

Vervolgens blijkt dat de leeftijdstoeslag voor rechtgevende kinderen van 12 jaar of ouder ten onrechte niet werd toegekend. In dit geval wordt een extra bedrag van 10 euro (niet geïndexeerd) betaald aan bijslagtrekkende X voor de overeenkomstige periode, tot en met het recht dat betrekking heeft op maart. Vanaf het recht dat betrekking heeft op april wordt deze regularisatie doorgevoerd ten gunste van bijslagtrekkende Y.

Voorbeeld 2:

Een kind wordt in een instelling geplaatst vanaf 15 juni zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019. De verdeelsleutel voor de kinderbijslag is vastgesteld op 1/3 voor de moeder en 2/3 voor de instelling. De moeder bleef op 1 juni bijslagtrekkende en zal nog steeds het volledige bedrag (3/3) van het recht op kinderbijslag voor juni ontvangen en betaald krijgen in juli.

De kinderbijslag wordt betaald volgens de verdeelsleutel tussen de moeder en de instelling, vanaf het recht voor de maand juli, met uitbetaling in augustus.

4.2. Uitzondering – Verandering op de eerste dag van de maand

Als de verandering van bijslagtrekkende op de eerste dag van een maand plaatsvindt, heeft die onmiddellijk vanaf die dag uitwerking.

Bijvoorbeeld:

Er is een verandering van bijslagtrekkende op 1 maart omdat het rechtgevend kind vanaf die datum bij zijn of haar tante gaat wonen die hem of haar opvoedt. Die verandering van bijslagtrekkende heeft onmiddellijk uitwerking. De tante, die nu als de nieuwe bijslagtrekkende is aangewezen, ontvangt vanaf het recht dat betrekking heeft op maart de volledige gezinsbijslag, met uitbetaling in april.

4.3. Toepassing volgens de aanwijzingsvorm

4.3.1. Aanwijzing op basis van feitelijke situatie

De aanwijzing van de bijslagtrekkende op basis van de feitelijke situatie is geldig:

  • vanaf de datum waarop het nieuwe feit zich voordoet (bv. het kind wordt opgevoed door een andere persoon119Zie punt 2.1.2., het rechtgevend kind wordt geplaatst in een pleeggezin120Zie punt 2.1.6., het rechtgevend kind trouwt121Zie punt 2.1.4., de hoofdverblijfplaats van een meerderjarig kind in het Rijksregister verandert122Zie punt 2.1.3.4 en punt 2.1.2.2.1., het rechtgevend kind wordt bijslagtrekkende voor zijn of haar eigen kind123Zie punt 2.1.4., enz.);

De hoedanigheid van bijslagtrekkende in hoofde van een jonge moeder met een pasgeboren kind, zoals bedoeld in artikel 19, § 2, c), van de ordonnantie van 25 april 2019, wordt verworven op de eerste dag van de toekenning van de kinderbijslag ten gunste van haar rechtgevend kind voor wie zij de hoedanigheid van bijslagtrekkende verwerft, overeenkomstig artikel 28, eerste of tweede lid, van dezelfde ordonnantie.

Voorbeeld: Een rechtgevend kind beviel op 3 oktober van haar eigen kind. Het recht van dit pasgeboren kind is geopend vanaf november (artikel 28, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019). In dit geval wordt het recht voor oktober voor de jonge moeder nog steeds toegekend aan de grootmoeder en uitbetaald in november. Het recht voor november voor de jonge moeder en voor haar baby worden aan de jonge moeder toegekend en uitbetaald in december.

  • en heeft uitwerking op de eerste dag van de volgende maand, tenzij het feit zich voordeed op de eerste dag van de maand, want dan heeft de aanwijzing uitwerking vanaf die dag.

4.3.2. Aanwijzing op verzoek van de vader of de jongste ouder

De administratieve aanwijzing van een nieuwe bijslagtrekkende geldt:

  • vanaf de datum van het verzoek door de vader of de jongste ouder;
  • en heeft uitwerking op de eerste dag van de volgende maand, tenzij de aanvraag wordt ingediend op de eerste dag van de maand, want dan heeft de aanwijzing uitwerking vanaf die dag.

4.3.3. Gerechtelijke aanwijzing

De nadere regels voor de gerechtelijke aanwijzing van de bijslagtrekkende worden behandeld in punt 5.7.

4.4. Meerdere veranderingen in dezelfde maand

Als er in dezelfde maand meer dan één verandering van bijslagtrekkende is, wordt alleen de meest recente verandering in aanmerking genomen om de hoedanigheid van bijslagtrekkende voor de volgende maand te bepalen.

4.5. De overleden bijslagtrekkende

4.5.1. Algemeenheden

Wanneer de bijslagtrekkende overlijdt, vindt een verandering van bijslagtrekkende plaats, met als gevolg de aanduiding van een nieuwe bijslagtrekkende voor de gezinsbijslag.

In voorkomend geval eindigt ook de sommendelegatie (zie punt 5.4.2.2).

Specifieke regels inzake de aanduiding van de bijslagtrekkende zijn van toepassing voor de toekenning van het kraamgeld bij overlijden van de moeder (zie punt 2.2.1).

Wat het beheer van regularisaties betreft, zie de instructie betreffende het beheer van debetten.

4.5.2. Vastelling van het overlijden en informatie-uitwisseling

De documenten of bewijzen waarmee het overlijden van de bijslagtrekkende kan worden vastgesteld, variëren naargelang diens verblijfplaats.

a. Overlijden van een bijslagtrekkende die in België verblijft

Wanneer het overlijden een bijslagtrekkende betreft die in België verblijft, moet de kinderbijslaginstelling het overlijden vaststellen:

  • hetzij via de distributieflux D026 afkomstig van een authentieke bron of via de consultatieflux P026;
  • hetzij door de voorlegging van een overlijdensakte opgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van overlijden.124Artikel 55 oud Burgerlijk Wetboek

b. Overlijden van een bijslagtrekkende die in een andere lidstaat verblijft

Wanneer het overlijden een bijslagtrekkende betreft die verblijft in een andere lidstaat binnen de EER of Zwitserland, moet de kinderbijslaginstelling:

  • hetzij de gezinssamenstelling via EESSI raadplegen bij de identificatie van een nieuwe bijslagtrekkende;
  • hetzij de gezinssamenstelling via EESSI raadplegen naar aanleiding van de jaarlijkse controle.

Een kopie van een overlijdensakte125Een apostille is niet vereist, zie Verordening (EU) 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 inzake de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012, PB L 200/1 van 26 juli 2016. afgeleverd door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat kan eveneens het overlijden van de bijslagtrekkende vaststellen.

c. Overlijden van een bijslagtrekkende die in een derde land verblijft

Wanneer het overlijden een bijslagtrekkende betreft die verblijft in een land buiten de EER of Zwitserland, moet de kinderbijslaginstelling een kopie van de overlijdensakte opvragen die de waarborgen van een authentieke akte biedt, met name de apostille, overeenkomstig de bepalingen van het verdrag van Den Haag.126Art. 3 tot 5 van het Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie voor buitenlandse openbare akten, 's-Gravenhage, 5 oktober 1961.

Wanneer het document in een vreemde taal is opgesteld, zorgt de kinderbijslaginstelling voor de vertaling ervan.

4.5.3. Onderbreking en aanduiding van een nieuwe bijslagtrekkende

Wanneer de informatie over het overlijden de kinderbijslaginstelling bereikt, overeenkomstig punt 4.5.2 hierboven of via een niet-authentieke bron (bijv. de familie), moet de kinderbijslaginstelling:

  1. de betaling van de gezinsbijslag onderbreken tot de aanduiding van de nieuwe bijslagtrekkende.

Wanneer de informatie over het overlijden nog niet is vastgesteld overeenkomstig de voorwaarden in punt 4.5.2 hierboven, moet de kinderbijslaginstelling binnen 15 kalenderdagen opnieuw contact opnemen127Artikel 3 van de wet van 11 april 1995 tot instelling van het “Handvest” van de sociaal verzekerde, BS, 6 september 1995. met de familie om te herinneren aan de noodzaak om een bewijs te bezorgen zoals bedoeld in punt 4.5.2 hierboven, met het oog op de eventuele hervatting van de betaling.

  1. een nieuwe bijslagtrekkende aanduiden overeenkomstig de algemene regels voor de aanduiding van een bijslagtrekkende zoals bepaald in artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019.

De aanduiding van een (andere) bijslagtrekkende kan in principe enkel gebeuren wanneer het overlijden van de bijslagtrekkende is vastgesteld.

Wanneer de informatie over het overlijden echter niet is vastgesteld overeenkomstig punt 4.5.2 binnen een termijn van meer dan één maand128Artikel 11 van de wet van 11 april 1995 tot instelling van het “Handvest” van de sociaal verzekerde, BS, 6 september 1995. na de herinnering vermeld in punt 1, maar er sterke vermoedens van overlijden zijn én duidelijk blijkt dat het kind hoofdzakelijk verblijft bij een ouderfiguur of een derde en niet langer bij de overleden bijslagtrekkende, past de kinderbijslaginstelling punt 2.1.2.2 toe en eindigt de onderbreking, op voorwaarde dat een bijslagtrekkende kan worden aangeduid.

Bij twijfel over het beheer van een specifiek geval kan een vraag worden voorgelegd via admin.ctrl@iriscare.brussels.

5. Gerechtelijke beroepen

5.1 Algemeen

Ondanks de bestaande regels in de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2), kan er een geschil ontstaan over de hoedanigheid van bijslagtrekkende en/of over de persoon aan wie de gezinsbijslag moet worden betaald.

Indien er geen vergelijk kan worden gevonden met de kinderbijslaginstelling via een administratief beroep, Ombuds Brussel129Zie CO GB 27. of de dienst Bemiddeling van Iriscare130Zie LC Proc 17., kan de persoon die aanspraak meent te maken op de uitbetaling, een gerechtelijk beroep aantekenen bij de bevoegde gerechtelijke instantie die een beslissing zal nemen over het geding onder de vorm van een vonnis of arrest.

In wat volgt wordt er een opdeling gemaakt naargelang het geding enerzijds leidt tot de aanduiding van een (andere) bijslagtrekkende (zie punt 5.2), of anderzijds tot een machtiging voor de betaling aan een andere persoon dan de wettelijke bijslagtrekkende, ook wel sommendelegatie genoemd.

Bij de sommendelegaties moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de in de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalde mogelijkheden tot verzet tegen de betaling aan de wettelijke bijslagtrekkende en de aanstelling van de bijzondere voogd voor het geplaatste kind (zie punt 5.3) en anderzijds andere sommendelegaties die niet expliciet in de ordonnantie zijn vermeld (zie punt 5.4).

5.2. Betwistingen over de hoedanigheid van bijslagtrekkende

De bevoegdheid voor gedingen over de hoedanigheid van de bijslagtrekkende is verdeeld over enerzijds de familierechtbank en anderzijds de arbeidsrechtbank.

De familierechtbank is bevoegd indien een ouder de opportuniteit betwist van de betaling van de kinderbijslag op grond van artikel 19, § 1, derde of vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.3).

De arbeidsrechtbank is daarentegen bevoegd voor alle andere betwistingen omtrent de aanduiding van de bijslagtrekkende.131Art. 34, eerste lid, ordonnantie 25 april 2019. De territoriale bevoegdheid inzake de door of tegen die personen ingestelde vorderingen, wordt bepaald door de plaats waar deze zijn domicilie heeft. Zie punt 5.2.2.

5.2.1. Bevoegdheid van de familierechtbank voor betwistingen over opportuniteit van de betaling in het belang van het kind

Op grond van artikel 19, § 1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 is de familierechtbank bevoegd voor betwistingen ingeval de ouders niet samenwonen, maar wel samen het ouderlijk gezag uitoefenen en hun rechtgevend kind door minstens één van hen wordt opgevoed (zie punt 2.1.3) en één van de ouders de opportuniteit van de uitbetaling van de kinderbijslag betwist en vraagt om zichzelf als bijslagtrekkende aan te wijzen in het belang van het kind.

Het is daarbij niet belangrijk bij wie van beide ouders het rechtgevend kind zijn hoofdverblijfplaats heeft volgens de gegevens van het Rijksregister.132In tegenstelling tot hetgeen geldt voor de opeising door de vader of de jongste ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft volgens de gegevens van het Rijksregister, in toepassing van artikel 19, § 1, derde of vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019: zie punt 2.1.3.2.2.

De bepalingen in het vonnis hebben voorrang en blijven dat ook doen, zelfs als nadien de hoofdverblijfplaats volgens de gegevens in het Rijksregister wijzigt, voor zover de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijke gezag (zie punt 2.1.3.2) blijft voortbestaan133Een domiciliewijziging buiten het co-ouderschap brengt een nieuw onderzoek naar de bijslagtrekkende mee.. Als het vonnis de moeder als bijslagtrekkende aanduidde en de vader nadien zelf bijslagtrekkende wenst te worden, zal hij zich dus tot de rechtbank moeten wenden.

Ook als de vader of de oudste partner de kinderbijslag opeist omdat het kind en deze persoon dezelfde hoofdverblijfplaats hebben behoudt de gerechtelijke uitspraak haar voorrang134Dit in tegenstelling tot hetgeen geldt voor het einde van de toepassing van een sommendelegatie, zie punt 5.4.2..

Voorbeeld: de vader en moeder van het rechtgevend kind van 17 jaar oud zijn gescheiden. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Het kind heeft zijn hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister bij de vader en als gevolg van een aanvraag van die laatste werd hij de wettelijke bijslagtrekkende. De verblijfsregeling voor het kind bepaalt niet dat het kind verblijft volgens een systeem van gelijkmatig verdeelde huisvesting, zodat artikel 11, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 niet toepasselijk is.

De moeder gaat bij de familierechtbank in beroep tegen de betaling aan de vader omdat zij nog 2 oudere kinderen heeft uit een vorige relatie. Zij wil ook voor haar derde kind de hoedanigheid van bijslagtrekkende verwerven, omdat dan een hoger basisbedrag kan worden toegekend in het belang van het kind.135Art. 7, eerste lid, b), van de ordonnantie van 25 april 2019.

Merk op: indien het minderjarig kind op een later moment volledig door een derde persoon zou worden opgevoed, of indien de ouders het ouderlijk gezag niet langer gezamenlijk zouden uitoefenen, zijn de voorwaarden voor de toepassing van artikel 19, § 1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 niet langer vervuld en is de aanwijzing door de rechtbank niet langer van toepassing.

De door de familierechtbank aangewezen persoon verwerft de hoedanigheid van bijslagtrekkende met alle gevolgen van dien voor het bepalen van de gezinsgrootte in toepassing van artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 2019 voor de berekening van de basiskinderbijslag en de sociale toeslagen, voor de verdere toepassing van artikel 39, tweede lid, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019 in het kader van de verworven rechten, etc.

5.2.2. Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank voor betwistingen over de aanduiding van de bijslagtrekkende

De arbeidsrechtbank is bevoegd voor alle andere betwistingen omtrent de aanduiding van de bijslagtrekkende waarbij het wettig karakter van de uitbetaling wordt betwist. 136Art. 34, eerste lid, ordonnantie 25 april 2019. De territoriale bevoegdheid inzake de vorderingen ingesteld door of tegen de personen aan wie de gezinsbijslag moet worden gestort, wordt bepaald door de plaats waar deze personen hun domicilie hebben.

Ter volledigheid: de arbeidsrechtbank is ook bevoegd voor alle andere betwistingen over het recht op kinderbijslag, bijvoorbeeld over het verschuldigd bedrag of de hoedanigheid van rechtgevend kind.

Voorbeeld 1

Het rechtgevend kind van 12 jaar oud verhuist naar de grootmoeder als gevolg waarvan de grootmoeder als bijslagtrekkende wordt beschouwd door de kinderbijslaginstelling (zie punt 2.1.2). De moeder is het niet eens met die beslissing en richt zich tot de kinderbijslaginstelling met een aantal feitelijke elementen die moeten aantonen dat zij nog steeds instaat voor de opvoeding van het kind aangezien ze een huurvergoeding aan de grootmoeder betaalt. Nadat het kinderbijslagfonds deze bewijsvoering heeft verworpen, gaat de moeder in beroep tegen deze administratieve weigeringsbeslissing bij de arbeidsrechtbank.

Voorbeeld 2

Vader en moeder zijn gescheiden en hebben een gemeenschappelijk kind waarover het ouderlijke gezag op gezamenlijke wijze wordt uitgeoefend. Het kinderbijslagfonds betaalt aan de moeder. Op zijn vraag begint het kinderbijslagfonds te betalen aan de vader. De moeder gaat hiertegen bij de arbeidsrechtbank in beroep omdat het kind nog steeds dezelfde hoofdverblijfplaats heeft als de moeder volgens de gegevens van het Rijksregister (zie punt 2.1.3.2.2). Het gaat hier niet om een betwisting van de opportuniteit van de betaling aan de vader,137Art. 19, §, 1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 5.2).maar om een betwisting van het wettig karakter van de betaling aan de vader, omdat er niet is voldaan aan de in artikel 19, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalde voorwaarden.

5.3. Verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende in het belang van het kind

Op grond van artikel 19, § 5, van de ordonnantie van 25 april 2019 kunnen een limitatief aantal personen in het belang van het kind verzet aantekenen tegen de betaling aan de bijslagtrekkende bedoeld in de punten 2.1.1 (uitbetaling aan de moeder of oudste ouder), 2.1.2 (uitbetaling aan een andere persoon die het kind opvoedt), 2.1.3 (gevallen van niet samenwoning bedoeld in artikel 19, § 1, derde of vierde lid van dezelfde ordonnantie), 2.1.4 (kind bijslagtrekkende voor zichzelf) of in punt 2.1.7 (bijslagtrekkende voor een ontvoerd kind).138Art. 19, § 5, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Deze verzetsprocedure is een sommendelegatie die zich onderscheidt doordat de modaliteiten ervan zijn opgenomen in de ordonnantie van 25 april 2019. Hetzelfde geldt overigens voor de aanstelling van de bijzondere voogd bedoeld in punt 5.3.4 voor de kinderbijslag ten gunste van een geplaatst kind. De overige sommendelegaties worden toegelicht in punt 5.4.

Indien het verzet wordt ingewilligd, zal de gerechtelijke beslissing tot gevolg hebben dat de kinderbijslag moet worden betaald aan een andere persoon dan de bijslagtrekkende.

De wettelijke bijslagtrekkende behoudt echter zijn hoedanigheid. Dit is onder meer van belang voor het bepalen van de gezinsgrootte in toepassing van artikel 11 van de ordonnantie van 25 april 2019 of voor het voortzetten van de toepassing van de overgangsmaatregelen139Zie art. 39, tweede lid, 1°, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Bijvoorbeeld

Het meerderjarige rechtgevend kind dat deel uitmaakt van het gezin van zijn ouders en daar ook zijn hoofdverblijfplaats heeft volgens het Rijksregister, tekent bij de familierechtbank verzet aan tegen de betaling van de kinderbijslag aan de moeder omdat de kinderbijslag volgens het kind niet wordt aangewend met het oog op zijn opvoeding. Indien de vordering van het kind wordt ingewilligd, wordt het bedrag van de kinderbijslag verder berekend rekening houdend met de hoedanigheid van bijslagtrekkende van de moeder ten aanzien van het betreffende kind en diens 2 broers die ook deel uitmaken van het gezin, aangezien de moeder wel nog haar hoedanigheid van wettelijke bijslagtrekkende blijft behouden.

De bevoegdheid voor deze verzetsprocedures komt in principe toe aan de familierechtbank (punt 5.3.1), tenzij de vordering op grond van artikel 29 van de jeugdbeschermingswet werd aanhangig gemaakt bij de jeugdrechtbank (punt 5.3.3.) of tenzij het gaat om het verzet door de voogd, de toeziende voogd of de curator die toekomt aan de vrederechter (punt 5.3.2).

Tot slot moet worden opgemerkt dat wanneer op het moment van de feitelijke scheiding zowel minderjarige als meerderjarige kinderen in het gezin worden opgevoed, het vonnis140Vonnis met voorlopige maatregelen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag, de organisatie van de verblijfsregeling, het recht op persoonlijk contact en de onderhoudsverplichtingen of het echtscheidingsvonnis. soms uitspraak doet over de betaling van de kinderbijslag voor alle kinderen. Voor de kinderen die op het moment van het vonnis al 18 jaar zijn kan dit niet als een aanduiding van bijslagtrekkende op basis van artikel 19, § 1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 beschouwd worden: voor deze meerderjarige kinderen betreft het dus een sommendelegatie.

Na de leeftijd van 18 jaar is er namelijk geen sprake meer van de uitoefening van het ouderlijk gezag.141Cfr. Art. 19, § 1, vierde en vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

5.3.1. Bevoegdheid van de familierechtbank voor het verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende

De familierechtbank is bevoegd voor het verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende in het belang van het kind door de vader, de moeder, de adoptant, de pleegvoogd of door de bewindvoerder. Daarnaast kan ook het meerderjarig kind zich verzetten tegen de betaling aan diens moeder of persoon die hem opvoedt door zijn eigen belang in te roepen.142Art. 572bis, 14° Ger. W.

Deze bevoegdheid geldt enkel voor zover er geen vordering bij de jeugdrechtbank werd aanhangig gemaakt overeenkomstig punt 5.3.3. of tenzij de vrederechter bevoegd is overeenkomstig punt 5.3.2.

5.3.2. Bevoegdheid van de vrederechter voor het verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende

De vrederechter is bevoegd voor het verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende in het belang van het kind door de voogd, de toeziende voogd en door de curator, en dit voor zover er geen vordering bij de jeugdrechtbank werd aanhangig gemaakt overeenkomstig punt 5.3.3.143Art. 594, 8° en 9°, Ger.W.

5.3.3. Bevoegdheid van de jeugdrechtbank om een andere persoon aan te wijzen dan de bijslagtrekkende voor de betaling

Tot slot maakt artikel 29 van de jeugdbeschermingswet het de jeugdrechtbank op vordering van het openbaar ministerie mogelijk om een persoon aan te wijzen aan wie de gezinsbijslag wordt uitbetaald om die in het belang van het kind te gebruiken indien de rechtgevende kinderen worden grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen144Art. 29 van de Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, BS 15 april 1965..

5.3.4. Bijzondere voogd voor het saldo ten gunste van het kind geplaatst in een instelling

Artikel 20, vierde lid, van de ordonnantie maakt het mogelijk dat de jeugdrechtbank145Het betreft de jeugdrechtbank van de hoofdverblijfplaats, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, van de ouders, de voogden of de personen die het kind onder hun hoede hebben. De aanstelling gebeurt hetzij van ambtswege, hetzij op eenvoudige vordering van een gezinslid en na de in artikel 20, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 bedoelde personen te hebben gehoord of opgeroepen. in het belang van het geplaatste kind een te allen tijde afzetbare bijzondere voogd aanstelt, die ermee belast wordt over het 1/3e deel van de kinderbijslag die normaal aan de bijslagtrekkende natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19 van dezelfde ordonnantie toekomt, te beschikken voor de behoeften van het kind (zie punt 2.1.5.3.1).

Het betreft een sommendelegatie die zich onderscheidt doordat de modaliteiten ervan zijn opgenomen in de ordonnantie van 25 april 2019. Hetzelfde geldt overigens voor de verzetsprocedure bedoeld in de punten 5.3.1 - 5.3.2 - 5.3.3.

5.4. Andere sommendelegaties

5.4.1. Algemeen - begrip

Buiten de gevallen waarbij de rechter de bijslagtrekkende aanduidt (zie punt 5.2)146Inclusief de mogelijkheid voor de ouders om de opportuniteit te betwisten van de betaling van de kinderbijslag en de familierechtbank te vragen om zichzelf als bijslagtrekkende aan te wijzen, in het belang van het kind zoals bedoeld in artikel 19, § 1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019. of waarbij er in het belang van het kind verzet wordt aangetekend tegen de betaling aan de bijslagtrekkende (zie punt 5.3) of ingeval van de aanstelling van een bijzondere voogd voor het geplaatste kind (zie punt 5.3.4), achten de rechtscolleges het soms aangewezen om alsnog te oordelen dat de gezinsbijslagprestaties aan een andere persoon moeten worden betaald.147En dit ondanks het feit dat de gezinsbijslagwetgeving de openbare orde raakt (zie o.a. Arbh. Brussel (7e k.) nr. 2013/AB/1031, 26 juni 2014, Soc. Kron. 2016, afl. 8, p. 316). Zie ook TORFS D. en VANDER STEENE K., ‘Rechters en gezinsbijslag: een moeilijke taakverdeling’, Echtscheidingsjournaal 2005/3, p. 45-48.

Het gaat daarbij eveneens om zogenaamde sommendelegaties.

Een sommendelegatie of ontvangstmachtiging is een betalingsmodaliteit waarbij de rechtbank een andere persoon dan de wettelijke bijslagtrekkende machtigt om de gezinsbijslag te ontvangen in plaats van die bijslagtrekkende.

Een specifieke en wettelijk gereguleerde vorm van de sommendelegatie is de mogelijkheid bepaald in artikel 19, § 5, van de ordonnantie van 25 april 2019 waarbij in het belang van het kind een beperkt aantal personen verzet kunnen aantekenen tegen de betaling aan de wettelijke bijslagtrekkende. Deze verzetsprocedure wordt apart besproken in punt 5.3.

Onderhavig punt 5.4 beperkt zich met andere woorden tot de sommendelegaties buitenom de wettelijke verzetsprocedures waarin de vrederechter, de jeugdrechtbank, de (voorzitter van) de rechtbank van eerste aanleg of de familierechtbank een andere persoon dan de wettelijke bijslagtrekkende machtigen tot de ontvangst van de gezinsbijslag.

De meeste van die zuivere sommendelegaties zijn het gevolg van een hoofdgeschil dat géén betrekking heeft op de gezinsbijslag (zoals echtscheidingsvonnissen) maar waarbij er ook een uitspraak wordt gedaan over de persoon of personen aan wie de gezinsbijslag moet worden betaald.148Het gaat met name om de vrederechter in het kader van dringende voorlopige maatregelen tussen gehuwde ouders (bv. feitelijke scheiding), de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die in het kader van voorlopige maatregelen tijdens een echtscheidingsprocedure, de jeugdrechtbank, de rechtbank van eerste aanleg in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming of de familierechtbank.

Tot slot: gezien de regels over de aanduiding van de bijslagtrekkende de openbare orde raken, kunnen de betrokkenen in geen geval zelf een aan de kinderbijslaginstelling tegenstelbare overeenkomst sluiten die de persoon aanduidt aan wie de gezinsbijslag moet worden betaald.

Zelfs indien het akkoord is vastgelegd in een notariële akte149In die zin: Arbh. Brussel (7e k.), 26 juni 2014 nr. 2013/AB/1032, JTT 2014, afl. 1202, 473. of indien de initiële sommendelegatie in een vonnis de partijen toeliet om naderhand in onderling akkoord af te wijken van die sommendelegatie150Arbh. Brussel (7e k.) nr. 2013/AB/1031, 26 juni 2014, Soc. Kron. 2016, afl. 8, p. 316, zijn dergelijke akkoorden niet tegenstelbaar aan de kinderbijslaginstelling.

Dit geldt onverminderd de mogelijkheid tot homologatie door de rechter van de overeenkomsten voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming, die in dat geval wel tegenstelbaar zijn aan de kinderbijslaginstellingen (zie punt 5.4.5).

5.4.2. Geldigheidsduur

A priori: wat betreft de aanvangsdatum van de uitwerking van het vonnis met een sommendelegatie, zie punt 5.7.3.

5.4.2.1. Algemeen

Wat het einde van de toepassing van de sommendelegatie daarentegen betreft, zijn de kinderbijslaginstellingen er slechts door gebonden, zolang de ontvangstmachtiging niet is tenietgedaan door een latere andersluidende rechterlijke beslissing.

Een loutere verandering in de gezinssamenstelling die geen impact heeft voor de aanduiding van de bijslagtrekkende maakt echter geen einde aan de toepassing van de sommendelegatie.

5.4.2.2. De wettelijke bijslagtrekkende tegen wie de sommendelegatie werd uitgesproken, wijzigt

De kinderbijslaginstelling is niet langer gehouden om te betalen aan de in het vonnis of arrest aangewezen persoon wanneer de wettelijke bijslagtrekkende tegen wie de sommendelegatie werd uitgesproken, wijzigt of het kind zijn eigen bijslagtrekkende wordt. In dergelijk geval dient de kinderbijslag betaald te worden aan de nieuwe wettelijke bijslagtrekkende en worden de verschillende partijen hiervan in kennis gesteld.

Voorbeeld 1:

De gehuwde vader en moeder van het minderjarige rechtgevend kind besluiten over te gaan tot echtscheiding.

De moeder van het rechtgevend kind verlaat de echtelijke woning terwijl de vader er samen met het kind blijft wonen. Nadat de hoofdverblijfplaats van de moeder volgens de gegevens van het Rijksregister elders is gevestigd, doet de vader een aanvraag om de kinderbijslag aan hem te betalen (zie punt 2.1.3.2.2).

In de daaropvolgende overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming (zie punt 5.4.5) wordt overeengekomen dat het kind volgens een regeling van gelijkmatig verdeelde huisvesting zal worden opgevoed, waarbij het wordt gedomicilieerd bij de vader terwijl de moeder de kinderbijslag dient te ontvangen. Na de rechterlijke homologatie van deze overeenkomst en nadat deze rechterlijke beslissing tegenstelbaar werd gemaakt aan de kinderbijslaginstelling (zie punt 5.6 infra), wordt de kinderbijslag uitbetaald overeenkomstig deze sommendelegatie.

Na enige tijd onderhoudt het kind geen enkel contact meer met zijn ouders en wordt het in werkelijk uitsluitend opgevoed door een grootmoeder (zie punt 2.1.2.2.2).

De kinderbijslag moet bijgevolg op grond van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 aan de grootmoeder worden uitbetaald en de sommendelegatie vindt geen toepassing meer aangezien de vader, tegen wie de sommendelegatie werd uitgesproken, zijn hoedanigheid van bijslagtrekkende verliest.

Voorbeeld 2:

Zelfde situatie als in voorbeeld 1, maar in dit geval gaat het kind van 17 jaar kort na de echtscheiding alleen wonen, hetgeen ook blijkt uit een afzonderlijke hoofdverblijfplaats in het Rijksregister, zodat de kinderbijslag aan het rechtgevend kind zelf wordt uitbetaald overeenkomstig artikel 19, § 2, van de ordonnantie van 25 april 2019.

De sommendelegatie wordt vanaf dat moment niet langer toegepast, aangezien de vader, tegen wie de sommendelegatie werd uitgesproken, zijn hoedanigheid van bijslagtrekkende verliest ten voordele van het rechtgevend kind zelf.

5.4.2.3. Nieuw feit: de sommendelegatie wijst de wettelijke bijslagtrekkende aan als begunstigde van de sommendelegatie en naderhand eist de vader of de jongste ouder hoedanigheid van bijslagtrekkende op omdat hij of zij inmiddels dezelfde hoofdverblijfplaats als het kind hebben bekomen

Uitzonderlijk kent de rechter de gezinsbijslag toe aan de persoon die op dat moment al over de hoedanigheid van wettelijke bijslagtrekkende beschikt op grond van artikel 19, § 1, derde of vierde lid van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 2.1.3.2.2). Het vonnis is in feite zonder gevolgen totdat de vader of de jongste ouder naderhand een aanvraag doet om aan hem of haar te betalen, omdat het kind en hijzelf naderhand (nota bene) dezelfde hoofdverblijfplaats hebben bekomen volgens de gegevens van het Rijksregister.

Volgens de beschikbare rechtspraak151Arbh. Brussel (8e k.), 8 november 2023 nr. 2022/AB/773. , vormt (i) het bekomen van dezelfde hoofdverblijfplaats in het Rijksregister als het minderjarige kind in de periode na het vonnis dat de sommendelegatie doet ontstaan in combinatie met (ii) de daaropvolgende152Zelfs indien er geruime tijd verstrijkt tussen de verandering van de hoofdverblijfplaats volgens de gegevens van het Rijksregister en de aanvraag overeenkomstig art. 19, § 1, derde en vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019. aanvraag tot betaling van de kinderbijslag een nieuw feit, waardoor het vonnis of arrest geen uitwerking meer krijgt en er aan de vader of jongste ouder moet worden betaald.

Dit geldt voor alle duidelijkheid ook indien de ouder in wiens voordeel de sommendelegatie is uitgesproken pas op het moment van de aanvraag een sommendelegatie voorlegt die dateert van vóór de wijziging van de hoofdverblijfplaats.

Naar analogie geldt hetzelfde principe indien het meerderjarige kind na de sommendelegatie dezelfde hoofdverblijfplaats in het Rijksregister bekomt (nieuw feit) en er op grond van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 aan de vader of jongste ouder moet worden betaald (zie punt 2.1.1).

Bijvoorbeeld:

Bij de echtscheiding beslist de rechter dat het ouderlijk gezag over het rechtgevend kind gemeenschappelijk aan beide ouders toekomt, met een gelijkmatig verdeelde huisvesting (co-ouderschap).

Het kind is op het ogenblijk van het vonnis niet gedomicilieerd bij de vader, maar de moeder wordt in het echtscheidingsvonnis door de rechter aangeduid om de kinderbijslag te ontvangen (deze sommendelegatie is zonder gevolg aangezien de moeder de wettelijke bijslagtrekkende is op grond van artikel 19, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019). De vader vraagt aanvankelijk niet om de kinderbijslag aan hem te betalen. De moeder is dus de bijslagtrekkende. Het vonnis is in feite zonder gevolgen.

Nadat het rechtgevend kind na verloop van tijd intrekt bij de vader en dezelfde hoofdverblijfplaats verwerft volgens de gegevens van het Rijksregister, vraagt de vader toch de kinderbijslag aan.

Deze wijziging van de hoofdverblijfplaats en de daaropvolgende aanvraag vormen een nieuw feit dat de initiële sommendelegatie153Die tot dan zonder gevolg is gebleven. teniet doet. De kinderbijslag wordt ingevolge diens aanvraag aan de vader uitbetaald overeenkomstig artikel 19, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

Let op : deze situatie moet worden onderscheiden van deze waarbij het verwerven van dezelfde hoofdverblijfplaats geen nieuw feit vormt:

Indien de vader of jongste ouder en het rechtgevend kind op het moment van de sommendelegatie al dezelfde hoofdverblijfplaats in het Rijksregister hadden als het kind, beschikt de moeder of de oudste ouder over een maand om de sommendelegatie in haar of zijn voordeel mee te delen aan de kinderbijslaginstelling (cfr. de verwerkingstermijn bepaald in punt 5.7.2).

Wanneer een dergelijk vonnis wordt overgemaakt, zal verder aan de moeder of oudste ouder betaald worden, maar dan in de hoedanigheid van begunstigde van de sommendelegatie en niet meer in de hoedanigheid van wettelijke bijslagtrekkende. Dit impliceert tegelijk dat de vader of de jongste ouder de wettelijke bijslagtrekkende wordt met alle mogelijke gevolgen op het vlak van de berekening van het verschuldigde bedrag.

Bijvoorbeeld:

Bij de echtscheiding beslist de rechter dat het ouderlijk gezag over de kinderen gemeenschappelijk aan beide ouders toekomt, met een gelijkmatig verdeelde huisvesting (co-ouderschap).

De kinderen zijn gedomicilieerd bij de vader, maar de moeder wordt door de rechter aangeduid om de kinderbijslag te ontvangen (= sommendelegatie). De vader vraagt aanvankelijk niet om de kinderbijslag aan hem te betalen. De moeder is dus de bijslagtrekkende. Het vonnis is in feite zonder gevolgen.

Na verloop van tijd vraagt de vader toch de kinderbijslag aan. Wanneer het kinderbijslagfonds het verzoek van de vader ontvangt, informeert het de beide ouders betreffende een wijziging van de bijslagtrekkende, tenzij de moeder binnen een termijn van een maand een vonnis met een sommendelegatie in haar voordeel ter kennis brengt. Dit vonnis zou aldus het initiële vonnis kunnen zijn.

Wanneer een dergelijk vonnis wordt overgemaakt, zal verder aan de moeder betaald worden, maar dan in de hoedanigheid van begunstigde van de sommendelegatie en niet meer in de hoedanigheid van wettelijke bijslagtrekkende. De vader heeft namelijk ingevolge zijn aanvraag de hoedanigheid van wettelijke bijslagtrekkende verkregen.

Indien de vader tegen de verdere betaling aan de moeder bezwaren zou hebben, dient hij bij een andere rechtbank een vonnis met een sommendelegatie in zijn voordeel zien te verkrijgen.

5.4.2.4. Regularisaties gedurende of na periodes waarin een sommendelegaties van toepassing is

Een bijzonder vraagstuk betreffen de situaties waarbij de kinderbijslaginstellingen regularisaties moeten uitvoeren gedurende of na afloop van een periode waarin er een sommendelegatie bestond.

Vooreerst moet worden opgemerkt dat een sommendelegatie geen impact heeft op betalingen die werden uitgevoerd vóór de behandeling van het vonnis, voor zover de behandeling gebeurt binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het vonnis.154Wanneer deze behandelingstermijn wordt overschreden, moeten de betalingen die na afloop van die termijn werden uitgevoerd, opnieuw worden verricht ten aanzien van de begunstigde van de sommendelegatie. Deze voorafgaandelijke betalingen zijn bevrijdend en moeten dus niet worden herzien als gevolg van de sommendelegatie.

Eventuele latere regularisaties met betrekking tot deze betalingen die zijn uitgevoerd voorafgaand aan de verwerking van het vonnis, moeten worden uitgevoerd ten aanzien van de wettelijke bijslagtrekkende.

Vanaf de verwerking van het vonnis daarentegen:

- moeten negatieve regularisaties steeds worden teruggevorderd bij de persoon aan wie de onverschuldigde betaling werd uitgevoerd. Dit geldt ongeacht of de onverschuldigde betaling betrekking heeft op periodes die zich situeren voor of na de notificatie van het vonnis.

- moet voor de positieve regularisaties (bijbetalingen) een onderscheid worden gemaakt naargelang de regularisatie wordt uitgevoerd tijdens de periode waarop de sommendelegatie betrekking heeft, dan wel na het einde van de sommendelegatie.

Positieve regularisaties uitgevoerd tijdens de duur van de sommendelegatie:

Een positieve regularisatie die wordt uitgevoerd na de (tijdige) verwerking van het vonnis, maar voorafgaand aan het einde van de periode waarop de sommendelegatie betrekking heeft, moet worden uitbetaald aan de begunstigde van de sommendelegatie. Dit geldt ongeacht of de positieve regularisatie betrekking heeft op periodes die zich, gedurende de sommendelegatie, situeren voor of na de notificatie van het vonnis. Positieve regularisaties betreffende periodes voorafgaand aan de datum van het vonnis, worden uitbetaald aan de toenmalige wettelijke bijslagtrekkende.

Positieve regularisaties uitgevoerd na de duur van de sommendelegatie:

Een positieve regularisatie die wordt uitgevoerd na het einde van de periode waarop de sommendelegatie betrekking heeft, moet worden uitbetaald aan de toenmalige wettelijke bijslagtrekkende.

Dit geldt ongeacht of de bijbetaling betrekking heeft op periodes die zich situeren voor of na de periode waarop de sommendelegatie betrekking heeft. Aangezien de sommendelegatie niet meer van toepassing is, kan er niet meer aan de begunstigde van de sommendelegatie worden betaald.

Voorbeeld 1:

De gehuwde vader en moeder van een gezin met twee minderjarige rechtgevende kinderen van 7 en 12 jaar besluiten over te gaan tot echtscheiding.

Hoewel de moeder op grond van artikel 19, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 over de hoedanigheid van wettelijke bijslagtrekkende beschikt, oordeelt de familierechtbank op 15 januari 2026 dat de kinderbijslag moet worden uitbetaald aan de vader en deze sommendelegatie wordt dezelfde dag tegenstelbaar gemaakt aan de kinderbijslaginstelling.

De kinderbijslaginstelling verwerkt het vonnis tijdig in de loop van de maand januari en vanaf 3 februari wordt de kinderbijslag aan de vader betaald.

In mei stelt de kinderbijslaginstelling vast dat de verhoging van het basisbedrag voor het kind van 12 jaar sinds december van het vorige jaar (recht van november) niet werd toegekend. De instelling gaat over tot een positieve regularisatie:

De bijbetalingen voor de rechtsmaanden november en december van het vorige jaar (waarvoor de basiskinderbijslag werd betaald in december en januari, en dus voorafgaand aan de tijdige administratieve verwerking van het vonnis in de loop van januari) worden gedaan aan de moeder (wettelijke bijslagtrekkende).

De bijbetalingen voor de maanden januari tot en met april (waarvoor de basiskinderbijslag werd betaald in februari tot en met mei) worden gedaan aan de vader (begunstigde van de sommendelegatie).

Voorbeeld 2:

Zelfde situatie.

In het kalenderjaar volgend op dat waarin het vonnis werd uitgesproken, wordt de sommendelegatie ten gunste van de vader beëindigd door een nieuw vonnis.

In het daaropvolgende kalenderjaar (dus 2 jaar na het initiële vonnis), blijkt uit de verwerking van de fiscale flux met informatie over het jaarlijks gezinsinkomen van de wettelijke bijslagtrekkende moeder in het jaar waarin de initiële sommendelegatie werd toegekend, dat ze aanspraak maakte op de sociale toeslag. De sociale toeslag wordt met terugwerkende kracht toegekend voor het volledige kalenderjaar aan de moeder.

5.4.2.5. Meerderjarigheid op zich (!) beëindigt de sommendelegatie niet

Een sommendelegatie vervalt niet omdat het kind meerderjarig wordt, maar vervalt wel op basis van de eventuele verandering van bijslagtrekkende op dat moment. Het kinderbijslagfonds is niet langer gehouden om de kinderbijslag te betalen aan de in het vonnis aangewezen persoon wanneer de wettelijke bijslagtrekkende tegen wie de sommendelegatie werd uitgesproken, wijzigt (zie punt 5.4.2.2).

5.4.3. Bijzondere variant A: vonnis met verdeling van de kinderbijslag tussen twee personen

In sommige vonnissen wordt een verdeling van de kinderbijslag tussen twee personen - meestal de ouders - opgelegd. De verdeling op zich moet als een sommendelegatie te worden beschouwd, zonder afbreuk te doen aan de door het vonnis aangewezen of wettelijke bijslagtrekkende.

Bijvoorbeeld:

Het kind waarvan de ouders uit de echt zijn gescheiden wordt opgevoed volgens een gelijkmatig verdeelde huisvesting. De moeder was de bijslagtrekkende maar de vader vraagt om hemzelf als bijslagtrekkende aan te wijzen, in het belang van het kind (art. 19, § 1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019). De familierechtbank duidt de vader aan als bijslagtrekkende maar bepaalt tegelijk dat de betaling van de kinderbijslag moet worden verdeeld door de kinderbijslaginstelling, a rato van 50/50, tussen beide ouders.

Deze specifieke situatie wordt verder toegelicht in punt 5.7.4 infra:

Voor de groepering en de uitwerkingsdatum wordt de procedure voor aanduiding van bijslagtrekkende toegepast (zie punt 5.7.1 infra).

Voor de concrete uitbetaling van de kinderbijslag worden de bepalingen voor een sommendelegatie gebruikt (zie punt 5.7.3 infra).

Er moet een onderscheid worden gemaakt met vonnissen die bepalen dat de kinderbijslag bij helften - of via een andere verdeelsleutel - tussen de beide partijen moet worden verdeeld met dien verstande dat de gezinsbijslagen rechtstreeks aan één persoon dienen toe te komen onder de verplichting het andere gedeelte aan de andere ouder door te storten.

In die gevallen gaat het niet om een sommendelegatie met een verdeling van de gezinsbijslag die aan de kinderbijslaginstelling kan worden opgelegd. De persoon aan wie volgens het vonnis de volledige bijslag dient betaald te worden is in dat geval de wettelijke bijslagtrekkende. Het is aan de bijslagtrekkende om een gedeelte van het totale bedrag aan ontvangen kinderbijslag aan de andere ouder over te maken.

5.4.4. Bijzondere variant B: Vonnis met voorlopige maatregelen

In het kader van een echtscheidingsprocedure kunnen verschillende opeenvolgende vonnissen aan de kinderbijslaginstelling worden voorgelegd.

Wanneer een vonnis wordt ontvangen met voorlopige maatregelen155Art. 1253ter/5 Ger.W., betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag, de organisatie van de verblijfsregeling, het recht op persoonlijk contact of de onderhoudsverplichtingen, waarin ook een uitspraak wordt gedaan over de betaling van de kinderbijslag, dient het kinderbijslagfonds hieraan uitvoering te geven.

Als het voorgelegde vonnis echter dateert van vóór de echtscheiding156Rekening houdend met de datum bij de wettelijke gegevens in het Rijksregister., en derhalve enkel voorlopige maatregelen bevat, moet het definitieve echtscheidingsvonnis worden opgevraagd. Dit zou immers afwijkende bepalingen kunnen bevatten.

5.4.5. Bijzondere variant C: Overeenkomsten voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming

De echtgenoten die besloten hebben over te gaan tot echtscheiding door onderlinge toestemming,157Art. 1287 e.v. Ger.W. zijn ertoe gehouden in een overeenkomst bij geschrift de regeling vast te leggen over het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen en het recht op persoonlijk contact, de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van de kinderen.

Deze aan de echtscheiding voorafgaande overeenkomst op zich is geen sommendelegatie zodat de betalingsmodaliteiten inzake de gezinsbijslag die erin zijn bedongen niet tegenstelbaar zijn aan de kinderbijslaginstellingen.

Nadat deze regelingsakte is ondertekend, wordt de procedure bij de rechtbank ingeleid bij verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie van de rechtbank.

Indien naar het oordeel van de rechtbank de partijen aan de voorwaarden hebben voldaan en de formaliteiten in acht hebben genomen die door de wet bepaald zijn, dan spreekt zij de echtscheiding uit en homologeert zij de overeenkomsten met betrekking tot de minderjarige kinderen.

Voor de tegenstelbaarheidsvereisten van een dergelijk vonnis, gelden de algemene regels zoals bepaald in punt 5.6.

De regeling tussen de echtgenoten op zich is dus niet tegenstelbaar aan derden, maar wanneer de regeling is gehomologeerd als onderdeel van het echtscheidingsvonnis, dient de kinderbijslaginstelling er wel rekening mee te houden.

5.4.6. Bijzondere variant D: Procedure tot minnelijke schikking - proces verbaal van verzoening

De procedure tot minnelijke schikking heeft als doel de partijen samen hun geschil te laten oplossen via verzoening en de bereikte akkoorden te laten bekrachtigen, onder begeleiding van een rechter.

In familiezaken kunnen de zaken met het oog op een verzoening worden voorgelegd aan de kamer voor minnelijke schikking van de familierechtbank.158Art. 731 Ger.W. Van het verschijnen tot de minnelijke schikking wordt een proces-verbaal opgemaakt. Indien een schikking tot stand komt, worden de bewoordingen ervan opgetekend in het proces-verbaal.

De rechter bekrachtigt vervolgens dit akkoord, hetzij in een vonnis (wanneer men werd doorverwezen door de familierechtbank), hetzij in een proces-verbaal (wanneer men de kamer voor minnelijke schikking rechtstreeks had gevat). Met andere woorden; wanneer de betrokken partijen rechtstreeks voor de kamer voor minnelijke schikking verschenen zijn zal er bij akkoord enkel een proces-verbaal van verzoening worden opgemaakt en geen vonnis. De uitgifte van het proces-verbaal van verzoening wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging.159Art. 733 Ger.W.

Het proces-verbaal en het vonnis zijn beide uitvoerbare titels, de afspraken die daarin zijn opgenomen kunnen worden afgedwongen. Bij geschillen voor de Familierechtbank heeft een proces-verbaal van verzoening dus dezelfde waarde als een vonnis. Bijgevolg dienen de erin vervatte bepalingen met betrekking tot de kinderbijslag door het kinderbijslagfonds te worden uitgevoerd, zonder bijkomende formaliteiten.

5.4.7. Bijzondere variant E: Vonnissen in het kader van de bescherming van meerderjarigen (bewindvoering)

Sinds 2014 zijn de voormalige uiteenlopende beschermingsstatuten voor meerderjarigen vervangen door een uniform statuut: de bescherming van meerderjarigen.

Het statuut is enerzijds bedoeld voor meerderjarigen die omwille van lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand niet in staat zijn om zelf behoorlijk hun goederen of persoonlijke rechten te beheren, en anderzijds voor verkwisters.

Er moet voor de kinderbijslagpraktijk een onderscheid worden gemaakt tussen de buitengerechtelijke en de gerechtelijke bescherming:

  • Bij een buitengerechtelijke bescherming (ook zorgvolmacht genoemd) verleent de beschermde persoon een lastgeving aan de persoon van zijn keuze om bepaalde of alle handelingen in zijn plaats te stellen.
  • Bij de gerechtelijke bescherming (ook bewindvoering genoemd) daarentegen zal de vrederechter een of meerdere bewindvoerders aanstellen die de beschermde persoon zullen bijstaan of vertegenwoordigen.

Het gaat om een bescherming op maat waarbij de rechter de handelingen aanduidt waarvoor de beschermde persoon onbekwaam wordt om die nog te stellen, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden en de gezondheidstoestand.

Indien de vrederechter beschikt dat de voorlopige bewindvoerder gemachtigd wordt om de gezinsbijslagprestaties te ontvangen, dan moet ook de kinderbijslag aan hem betaald worden.

De beschikkingen van de vrederechter met betrekking tot de gerechtelijke bescherming worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.160Art. 1250 Ger.W. Gelet op het recht op privacy blijft dit uittreksel echter beperkt tot algemeenheden.161Zie het KB van 25 juni 2020 tot vaststelling van het model van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, zoals bedoeld in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek, BS 20 juli 2020.

Indien nodig en in afwijking van hetgeen wordt gesteld onder punt 5.6162Vereiste van een volledige en onbewerkte kopie van de gerechtelijke uitspraak als voorwaarde voor de verplichting voor de kinderbijslaginstelling om zich aan de uitspraak te conformeren. kan er echter een uittreksel met het beschikkende gedeelte van de beschikking van de vrederechter worden opgevraagd indien daarin modaliteiten zijn opgenomen met een impact op de betaling van de kinderbijslag.163Art. 1249/2, § 3, Ger.W.

5.5. Interpretatie vonnissen: gaat het om de aanduiding van de bijslagtrekkende, over verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende of over een andere sommendelegatie?

Uit de administratieve praktijk blijkt dat de kinderbijslaginstellingen al te vaak geconfronteerd worden met vonnissen waarbij twijfel ontstaat over de correcte interpretatie van het vonnis.

Met name is er onduidelijkheid of het gaat om een aanduiding van de bijslagtrekkende, dan wel om verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende.

Gelet op de gevolgen van de kwalificatie van de rechtsfiguur die in het vonnis wordt toegepast, moet deze met de nodige zorg gebeuren.

In de eerste plaats moet het vonnis nauwkeurig gelezen worden om na te gaan of uit de inhoud blijkt dat het gaat om een aanduiding van de bijslagtrekkende, dan wel om een verzet tegen de uitbetaling of een andere sommendelegatie.

Daarbij kunnen zich meerdere situaties voordoen:

  • Het vonnis verwijst expliciet naar de toepasselijke wetsbepaling

In principe moet de rechter in het vonnis naar de toepasselijke wetsbepaling verwijzen, d.w.z. in het vonnis wordt gepreciseerd of hij zich uitspreekt in het kader van artikel 19, §1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 of van artikel 19, § 5, van dezelfde ordonnantie, of de toepasselijke bepaling van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de bevoegde rechtbank (artikel 572bis, 8°,164Art. 572bis, 8°, Ger.W. betreft de aanwijzing van de bijslagtrekkende bij de familierechtbank. Ger. W. of artikel 572bis, 14°,165Art. 572bis, 14°, Ger.W. is de verzetsprocedure bij de familierechtbank. Ger. W., dan wel art. 594, 8°, Ger.W.166Art. 594, 8°, is de verzetsprocedure bij de vrederechter. of art. 29 van de jeugdbeschermingswet167Art. 29 van de jeugdbeschermingswet laat de verzetsprocedure bij de jeugdrechter toe indien de rechtgevende kinderen worden grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen.) of artikel 20, vierde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019.

In voorkomend geval wordt in het vonnis dus duidelijk geëxpliciteerd dat het om de aanduiding van de bijslagtrekkende gaat, dan wel om het verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende, de aanstelling van een bijzondere voogd voor het geplaatste kind of om een andere sommendelegatie.

Uit de praktijk blijkt dat deze expliciete verwijzing naar de rechtsgrond vaak ontbreekt.

  • Het vonnis verwijst niet naar de toepasselijke wetsbepaling

Wanneer er de toepasselijke wetsbepaling niet wordt vermeld, moet het vonnis aandachtig geanalyseerd worden om de intentie van de rechter te achterhalen.

Mocht er toch twijfel bestaan over de interpretatie van concrete gevallen, dan kan het vonnis worden voorgelegd aan de dienst Beleid en Beheer Gezinsbijslag via admin.ctrl@iriscare.brussels

Bijvoorbeeld:

In de overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming van de ouders van het kind wordt vermeld dat de vader "alleen de kinderbijslagprestaties zal genieten".

Het kind is meerderjarig en verblijft afwisselend en even lang bij zijn beide ouders.

De rechtbank van eerste aanleg homologeert vervolgens deze overeenkomst, die bijgevolg voortaan deel uitmaakt van het echtscheidingsvonnis.

Aangezien het kind meerderjarig is op het ogenblik van het vonnis, gaat het niet om een aanduiding van de bijslagtrekkende in de zin van artikel 19, § 1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019. De rechtbank van eerste aanleg is evenmin bevoegd om de vader als bijslagtrekkende aan te duiden op grond van artikel 19, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 en er zijn ook geen aanwijzingen dat de rechtbank de feitelijke opvoedingssituatie heeft geëvalueerd buiten de elementen die in de gehomologeerde overeenkomst tussen de partijen worden vermeld.

Het gaat ook niet om een verzet in de zin van artikel 19, § 5, van de ordonnantie van 25 april 2019: de ouders zijn immers akkoord gegaan en nergens blijkt dat de vader zich formeel verzet tegen de betaling aan de moeder in het belang van het kind.

Er worden in het vonnis ook geen expliciete wetsartikels vermeld die een bijkomend inzicht over de kwalificatie van de betalingsmodaliteit verschaffen.

Hieruit volgt dat de vermelding in de bijlage bij het vonnis als een sommendelegatie moet worden gekwalificeerd.

5.6. Tegenstelbaarheid van de vonnissen

Om de tegenstelbaarheidsvereisten van de onder punt 5.1 en punt 5.2 bedoelde gerechtelijke uitspraken te kennen, moet er een onderscheid worden gemaakt naargelang de kinderbijslaginstelling partij is in het geding.

5.6.1. De kinderbijslaginstelling is partij in het geding

In dit geval is de kinderbijslaginstelling zonder bijkomende formaliteit gebonden door de uitspraak die haar automatisch, via de griffie, ter kennis wordt gebracht.168Zie het gezag van gewijsde dat geldt ten aanzien van de procespartijen overeenkomstig art. 23-27 Ger.W.

5.6.2. De kinderbijslaginstelling is geen partij in het geding

Bij geschillen tussen andere partijen, moet de uitspraak op regelmatige wijze tegenstelbaar gemaakt worden aan de kinderbijslaginstelling opdat deze uitwerking en bewijswaarde zou hebben.

Vanuit het streven naar administratieve vereenvoudiging volstaat het, in alle situaties169Dus niet alleen voor geschillen bij de Familierechtbank, maar ook bij andere rechtbanken zoals de vrederechter en de jeugdrechtbank. waarbij de kinderbijslaginstelling geen betrokken partij is, om aan de betrokkene een kopie te vragen van de gerechtelijke beslissing.

Op voorwaarde dat het een volledige en onbewerkte kopie betreft, voldoet de ontvangst van zulk afschrift als verplichting voor de kinderbijslaginstelling om zich aan de uitspraak te conformeren.

Uiteraard is ook een uitspraak die betekend werd aan de kinderbijslaginstelling tegenstelbaar aan de instelling.

Voor de rechtszekerheid dient de kinderbijslaginstelling in de motiveringsbrief aan de initiële bijslagtrekkende te laten weten op basis van welk vonnis en vanaf welke datum er aan een andere persoon zal betaald worden, met de vraag te reageren als er beroep werd aangetekend of als er een recenter vonnis zou bestaan.

5.7. Datum van uitwerking van de gerechtelijke uitspraak

Om de datum van uitwerking van het vonnis te bepalen, moet er opnieuw een onderscheid worden gemaakt:

5.7.1. Aanwijzing van de bijslagtrekkende in het belang van het kind

5.7.1.1. Algemeen

De gerechtelijke aanwijzing van de bijslagtrekkende in het belang van het kind op grond van artikel 19, § 1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019, heeft uitwerking de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst170Art. 19, §1, vijfde lid, van de ordonnantie stelt dat de aanwijzing als bijslagtrekkende uitwerking heeft de eerste dag van de maand na de maand waarin de beslissing van de rechtbank "betekend" is aan de bevoegde kinderbijslaginstelling. Gelet op wat wordt vermeld in punt 5.6.2 volstaat in de praktijk de ontvangst van een kopie van het vonnis. van het vonnis.

Dit wettelijke principe geldt voortaan ook wanneer de kinderbijslaginstelling het vonnis ontvangt op de eerste dag van een kalendermaand.

Tot die datum kan het kinderbijslagfonds rechtsgeldig blijven betalen aan de initiële bijslagtrekkende.

Bij de toekenning van achterstallen wordt rekening gehouden met welke persoon de hoedanigheid van bijslagtrekkende had in de periode waarover de kinderbijslag handelt, waarbij de bovenstaande datum als kantelmoment fungeert.

Voorbeeld :

Het enige rechtgevend kind wordt opgevoed in co-ouderschap. De vader was bijslagtrekkende ingevolge zijn aanvraag voor het enige kind dat dezelfde hoofdverblijfplaats heeft. De moeder betwist de opportuniteit van de betaling aan de vader in het belang van het kind. De familierechtbank beslist op 24 februari dat de kinderbijslag aan de moeder moet worden uitbetaald. De kinderbijslaginstelling is geen partij in het geding en ontvangt het vonnis op 14 maart.

De gerechtelijke aanwijzing van de moeder als bijslagtrekkende heeft uitwerking op 1 april, wat overeenstemt met de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst van het vonnis.

Tot die datum kan het fonds rechtsgeldig blijven betalen aan de vader.

De kinderbijslag voor de maanden februari en maart moet nog aan de vader betaald worden (op 3 maart en 3 april), de kinderbijslag voor de maand april is aan de moeder te betalen (betaling begin mei).

Eventuele later te betalen achterstallen voor de periode tot en met maart worden betaald aan de vader.

5.7.1.2. Specifiek: Retroactieve bepalingen in het vonnis

In sommige vonnissen worden expliciet data in het verleden vermeld om te bepalen vanaf wanneer een bijslagtrekkende wordt aangeduid.

De vraag is in welke mate de kinderbijslaginstellingen met deze data rekening moet houden en of de reeds uitgevoerde betalingen moeten worden herzien.

Aangezien de ordonnantie uitdrukkelijk bepaalt dat de aanwijzing van de bijslagtrekkende in het belang van het kind uitwerking heeft op de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst171Art. 19, §1, vijfde lid, van de ordonnantie stelt dat de aanwijzing als bijslagtrekkende uitwerking heeft de eerste dag van de maand na de maand waarin de beslissing van de rechtbank "betekend" is aan de bevoegde kinderbijslaginstelling. Gelet op wat wordt vermeld in punt 5.4.2 volstaat in de praktijk de ontvangst van een kopie van het vonnis. van het vonnis (zie punt 5.7.1), moet deze bepaling strikt worden toegepast.

Het statuut van wettelijke bijslagtrekkende wordt dus alleen verworven voor de toekomst.

Het vonnis heeft ten aanzien van de kinderbijslaginstelling dus geen retroactieve werking.

Het statuut van bijslagtrekkende wordt niet herzien voor het verleden en als gevolg daarvan gebeurt er ook geen aanpassing van de bedragen voor het verleden172Achterstallen, met inbegrip van in beraad gehouden betalingen, worden toegekend aan de vroegere bijslagtrekkende..

Wanneer het vonnis voorziet in de verrekening van uitgevoerde betalingen tussen de ouders onderling, dient de kinderbijslaginstelling zelf geen regularisaties door te voeren.

5.7.2. Andere vonnissen waarbij de bijslagtrekkende wordt aangeduid

5.7.2.1. Algemeen

De ordonnantie van 25 april 2019 preciseert niet op welke datum de overige aanduidingen van de bijslagtrekkende uitwerking krijgen.

Het gaat voor alle duidelijkheid om uitspraken over de hoedanigheid van bijslagtrekkende die niet gebaseerd zijn op artikel 19, §1, vijfde lid, van de ordonnantie (zie daartoe punt 5.7.1) of om sommendelegaties (zie daartoe punt 5.7.3).

Bijvoorbeeld: Zie de voorbeelden onder punt 5.2.2.

De hoedanigheid van bijslagtrekkende wordt verworven vanaf de datum die in het vonnis wordt vermeld, desgevallend onder voorbehoud van de toepassing van artikel 22 van de ordonnantie van 25 april 2019 (zie punt 4).

Wanneer het vonnis niet bepaalt vanaf welke datum de aanduiding geldt, verwerft de door de rechtbank aangeduide bijslagtrekkende overeenkomstig artikel 22 van de ordonnantie zijn hoedanigheid op de eerste dag van de maand volgend op de datum van het vonnis. Als het vonnis wordt uitgesproken op de eerste dag van een maand, heeft het echter uitwerking vanaf die dag.

In beide gevallen beschikken de kinderbijslaginstellingen over een verwerkingstermijn van 30 kalenderdagen.

Alle betalingen die aan de verkeerde persoon werden uitbetaald voorafgaand aan de datum waarop de wijziging van bijslagtrekkende op grond van de hierboven vermelde principes uitwerking krijgt, moeten worden herzien, tenzij de betaling te goeder trouw werd uitgevoerd aan een schijnbare bijslagtrekkende (zie punt 3).

5.7.2.2. Specifiek: Retroactieve bepalingen in het vonnis

Gelet op het gebrek aan een precisering in de ordonnantie173Terwijl artikel 19, §1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 - a contrario - wel een dergelijke precisering bevat, die de aanduiding beperkt tot toekomstige periodes. Dit verschil is begrijpelijk aangezien wanneer de arbeidsrechtbank met terugwerkende kracht vaststelt dat voor een periode een recht op de basiskinderbijslag was geopend, ze tegelijk - impliciet of expliciet - met terugwerkende kracht een bijslagtrekkende zal aanduiden op grond van artikel 19, § 1, alinea 1, 2, 3 of 4, dan wel § 2 van de ordonnantie van 25 april 2019. Artikel 19, §1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 vereist daarentegen dat het recht op de basiskinderbijslag al werd uitbetaald aan de andere ouder., moeten rechterlijke aanduidingen met terugwerkende kracht van de bijslagtrekkende die zich niet baseren op artikel 19, §1, vijfde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 worden toegepast vanaf de datum waarop de hoedanigheid wordt vastgesteld door de rechter.

De toepassing van de aanduiding van de bijslagtrekkende met terugwerkende kracht door de kinderbijslaginstelling is echter pas mogelijk zodra het vonnis tegenstelbaar is gemaakt overeenkomstig punt 5.6 en de kinderbijslaginstellingen beschikken over een verwerkingstermijn van 30 kalenderdagen.

Alle betalingen die aan de verkeerde persoon werden uitbetaald voorafgaand aan de datum waarop de wijziging van bijslagtrekkende op grond van het vonnis uitwerking krijgt, moeten worden herzien, tenzij de betaling te goeder trouw werd uitgevoerd aan een schijnbare bijslagtrekkende (zie punt 3).

5.7.3. Sommendelegaties, incl. verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende

5.7.3.1. Algemeen

Bij de sommendelegaties, waaronder de in artikel 19, § 5, van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalde mogelijkheid tot verzet tegen de betaling aan de wettelijke bijslagtrekkende, geldt als principe dat de kinderbijslag onmiddellijk betaald moet worden aan een andere persoon dan de wettelijke bijslagtrekkende vanaf het tijdstip waarop het fonds het vonnis ontvangt.

De kinderbijslaginstellingen beschikken echter over een verwerkingstermijn van 30 kalenderdagen.

Alle betalingen aan de wettelijke bijslagtrekkende uitgevoerd binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het vonnis, maar vóór de behandeling van het vonnis, zijn bevrijdend.

De bovenstaande principes gelden zowel de betaling van rechten die betrekking hebben op het verleden als op de toekomst. Eventuele achterstallen moeten dus worden uitbetaald aan de persoon die door de sommendelegaties gemachtigd wordt om de gezinsbijslag te ontvangen, tenzij nadere preciseringen in het vonnis.

5.7.3.2. Specifiek: Retroactieve bepalingen in een vonnis met sommendelegatie

Wat betreft de sommendelegaties, inclusief de in artikel 19, § 5, van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalde mogelijkheid tot verzet tegen de betaling aan de wettelijke bijslagtrekkende, moet er een onderscheid worden gemaakt naargelang de kinderbijslaginstelling al dan niet partij is in het geding.

  • De kinderbijslaginstelling is partij in het geding

In dit geval kan de kinderbijslaginstelling de kwestie van de retroactiviteit opwerpen in de loop van het geding en een praktische oplossing voorstellen zodat de rechter hierover een duidelijk standpunt kan innemen. Het verdient dan ook aanbeveling ter zitting aanwezig te zijn indien opgeroepen in een verzetsprocedure.

Wanneer het vonnis alsnog retroactieve bepalingen bevat, dan is de kinderbijslaginstelling ertoe gehouden deze strikt na te leven.174Zie het gezag van gewijsde dat geldt ten aanzien van de procespartijen overeenkomstig art. 23-27 Ger.W.

De betalingen moeten dus desgevallend worden geregulariseerd voor het verleden.

Indien het kinderbijslagfonds niet akkoord gaat met het beschikkend gedeelte van het vonnis, dienen de beschikbare rechtsmiddelen (hoger beroep,…) aangewend te worden.

  • De kinderbijslaginstelling is géén partij in het geding

Wanneer de kinderbijslaginstelling geen partij is, heeft het vonnis géén retroactieve werking ten aanzien van deze insteling.

Alle betalingen die aan de wettelijke bijslagtrekkende worden uitgevoerd binnen de 30 kalenderdagen na ontvangst van het vonnis (zie punt 5.7.3.1), maar vóór de behandeling van het vonnis, zijn bevrijdend.

Er dienen geen regularisaties te gebeuren voor het verleden. Vanaf de datum van de behandeling van het vonnis wordt betaald aan de persoon die in het vonnis als ontvanger werd aangeduid en dit ongeacht de periode waarop de betalingen betrekking hebben.

5.7.4. Bijzondere situatie: Aanwijzing van de bijslagtrekkende in het belang van het kind in combinatie met een verdeling van de kinderbijslag

In bepaalde vonnissen die als een aanduiding van de bijslagtrekkende gekwalificeerd worden legt de rechter daarnaast een verdeling van de kinderbijslag (50/50 of een andere verdeling) op tussen de ouders.

In dat geval moet het kinderbijslagfonds dit voor de uitbetaling niettemin toch als een sommendelegatie beschouwen, zonder echter afbreuk te doen aan de door het vonnis aangewezen of wettelijke bijslagtrekkende. Er kan immers slechts één enkele wettelijke bijslagtrekkende worden aangeduid.

Met andere woorden, voor de groepering en de uitwerkingsdatum wordt de procedure voor een aanduiding van bijslagtrekkende toegepast (zie punt 5.7.1), terwijl voor de concrete uitbetaling van de kinderbijslag worden de bepalingen voor een sommendelegatie gebruikt (zie punt 5.7.3).

6. Aansluiting

Dit thema wordt besproken in de CO GB 18.

Bedankt voor uw medewerking.

 

Hoogachtend,

 

 

Tania Dekens

Leidend ambtenaar

Bijlagen:

  1. Bijlage 1: STOP art 19 §1 al 1 - BRIEFMODULE : LAGER BEDRAG/EINDE RECHT WEGENS VERANDERING VAN BIJSLAGTREKKENDE (STOP HOEDANIGHEID BIJSLAGTREKKENDE ART 19 §1, EERSTE LID DOOR TOEPASSING ART 19 § 1, TWEEDE LID) - MET BETALING TE GOEDER TROUW
  2. Bijlage 2: Decl_OP-EL - Verklaring op eer betreffende de opvoeding van het rechtgevend kind of de jongere in de zin van artikel 19, § 1, tweede lid, van de Ordonnantie van 25 april 2019 regeling van de toekenning van gezinsbijslag
  3. Schema
  4. Bijlage 4: Copar OK père - INFORMATIE BETREFFENDE DE AANWIJZING VAN DE BIJSLAGTREKKENDE - CO-OUDERSCHAP - INFORMATIE AAN DE VADER/JONGSTE OUDER - AKKOORD
  5. Bijlage 5: Copar - afwijzing - refus père - INFORMATIE BETREFFENDE DE AANWIJZING VAN DE BIJSLAGTREKKENDE - CO-OUDERSCHAP - INFORMATIE AAN DE VADER/JONGSTE OUDER – AFWIJZING AANVRAAG
  6. Bijlage 6: Copar Info mère Ok Père - INFORMATIE BETREFFENDE DE AANWIJZING VAN DE BIJSLAGTREKKENDE - CO-OUDERSCHAP - INFORMATIE AAN DE MOEDER/OUDSTE OUDER NA AANVRAAG VAN DE VADER
  7. Bijlage 7: COPAR Info- Betreft: Betaling van de kinderbijslag wanneer de ouders niet samenwonen
  8. Bijlage 8: MAJ A - Betreft: Kinderbijslag na 18 jaar - Informatie over de bijslagtrekkende van de kinderbijslag
  9. Bijlage 9: MAJ B -Betreft: Kinderbijslag na 18 jaar - Informatie over de bijslagtrekkende van de kinderbijslag
  10. Bijlage 10: MAJ C - Betreft: Kinderbijslag na 18 jaar - Informatie over de bijslagtrekkende van de kinderbijslag
  11. Bijlage 11: INFO PLA - WIJZIGING BEDRAG DOOR BEGIN PLAATSING OF HET EINDE VAN EEN PLAATSING VAN EEN OF MEER KINDEREN, MET BETALING TE GOEDER TROUW
  12. Bijlage 12: STOP BT-AL art 19 §1 al 2 - BRIEFMODULE : LAGER BEDRAG/EINDE BETALING WEGENS VERANDERING VAN BIJSLAGTREKKENDE : MOEDER OPNIEUW IN HET GEZIN (OPNIEUW TOEPASSING ART 19 §1, EERSTE LID) - MET BETALING TE GOEDER TROUW
  13. Bijlage 13: NEW BT-AL - BETALING AAN EEN ANDERE BIJSLAGTREKKENDE
  14. Bijlage 14: Forfaitaire art13-BT-AL - KENNISGEVING VAN HET BEGIN VAN DE BETALING VAN DE FORFAITAIRE BIJSLAG ARTIKELEN 13 EN 19, § 4
  15. Bijlage 15: Forfaitaire art13-Autorité-Overheid - KENNISGEVING AAN DE PLAATSENDE OVERHEID VAN DE TOEKENNING VAN EEN FORFAITAIR BEDRAG AAN DE LAATSTE BIJSLAGTREKKENDE VOOR DE PLAATSING(EN)
  16. Bijlage 16: Self BT-AL - INFORMATIE AAN HET KIND DAT BIJSLAGTREKKENDE IS VOOR ZICHZELF, MET OF ZONDER BETALING TE GOEDER TROUW